Water op de vloer | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a room, two adults notice spilled water on the floor and move a bag before cleaning it up..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Water op de vloer oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Auf dem Boden ist Wasser.

Auf deem booden ist vasser. Er ligt water op de vloer.
B

Das Wasser läuft zur Tür.

Das vasser loift tsoer tuur. Het water loopt naar de deur.
A

Die kleine Flasche ist kaputtgegangen.

Die klaine flasje ist kapoetgegangen. Het kleine flesje is kapotgegaan.
B

Ich hole ein trockenes Handtuch.

Isj hooluh ain trockenus hanttoech. Ik pak een droge handdoek.
A

Kannst du die Tasche zuerst verschieben?

Kanst doe die tasje tsoerst fersjieben? Kun je de tas eerst verplaatsen?
B

Ich lege sie auf den Stuhl.

Isj leegu zie auf deen sjoel. Ik leg hem op de stoel.
A

Dann können wir den Boden sauber machen.

Dan keunuh vियर deen booden zauber machen. Dan kunnen we de vloer schoonmaken.
B

Die Tasche bleibt dort trocken.

Die tasje blaipt dort trocken. De tas blijft daar droog.

Woord voor woord

Auf “Auf” betekent hier “op” en geeft in “Auf dem Boden” aan waar het water zich bevindt. Het staat hier voor een plaats, niet voor een beweging naar een oppervlak. Nieuw voorbeeld: “Das Buch liegt auf dem Tisch.”
dem “dem” is hier het bepaalde lidwoord bij “Boden” in de plaatsbepaling “auf dem Boden”. Samen betekent “auf dem Boden” “op de vloer”. Nieuw voorbeeld: “Die Tasche liegt auf dem Stuhl.”
Boden “Boden” betekent hier “vloer”, de ondergrond waarop het water ligt. Het woord komt voor in “Auf dem Boden”. Nieuw voorbeeld: “Der Boden ist sauber.”
ist “ist” betekent hier “is” en beschrijft de aanwezigheid of plaats van het water in “Auf dem Boden ist Wasser”. De zin begint met de plaatsbepaling, waarna “ist” volgt. Nieuw voorbeeld: “Im Glas ist Wasser.”
Wasser “Wasser” betekent “water”; in “Auf dem Boden ist Wasser” gaat het om het water dat op de vloer ligt. Het is hier het onderwerp van de mededeling. Nieuw voorbeeld: “Das Wasser ist kalt.”
Das “Das” is hier het bepaalde lidwoord bij “Wasser” in “Das Wasser läuft zur Tür”. Het verwijst naar het water dat al in de situatie bekend is. Nieuw voorbeeld: “Das Wasser ist auf dem Boden.”
läuft “läuft” betekent hier niet dat iemand loopt, maar dat het water stroomt of zich verspreidt richting de deur. In “Das Wasser läuft zur Tür” is “Das Wasser” datgene wat beweegt. Nieuw voorbeeld: “Das Wasser läuft auf den Boden.”
zur “zur” betekent hier “naar de” in “zur Tür” en geeft de richting aan waar het water naartoe loopt. “zur” is de vaste verkorte vorm van “zu der”. Nieuw voorbeeld: “Ich gehe zur Schule.”
Tür “Tür” betekent “deur”; in “zur Tür” is het de plek waar het water naartoe stroomt. Het woord wordt hier gebruikt na “zur”. Nieuw voorbeeld: “Die Tür ist offen.”
Die “Die” is hier het bepaalde lidwoord bij “Flasche” in “Die kleine Flasche ist kaputtgegangen”. Het introduceert de specifieke fles waarover de spreker vertelt. Nieuw voorbeeld: “Die Flasche ist leer.”
kleine “kleine” betekent “kleine” en beschrijft in “Die kleine Flasche” het formaat van de fles. De vorm staat vóór het zelfstandig naamwoord en sluit aan bij “Die”. Nieuw voorbeeld: “die kleine Tasche”.
Flasche “Flasche” betekent “fles”; in “Die kleine Flasche ist kaputtgegangen” gaat het om de fles die stuk is gegaan. Het woord kan bijvoorbeeld samen met een inhoud worden gebruikt. Nieuw voorbeeld: “eine Flasche Wasser”.
kaputtgegangen “kaputtgegangen” betekent hier “kapotgegaan” en beschrijft dat de fles niet meer heel is. In “ist kaputtgegangen” wordt het gebruikt met “ist” om die verandering te beschrijven. Nieuw voorbeeld: “Das Glas ist kaputtgegangen.”
Ich “Ich” betekent “ik” en verwijst in “Ich hole ein trockenes Handtuch” naar de persoon die de handdoek gaat halen. Het staat hier als handelende persoon aan het begin van de zin. Nieuw voorbeeld: “Ich komme gleich.”
hole “hole” betekent hier “haal” of “ga halen”; in “Ich hole ein trockenes Handtuch” kondigt de spreker aan dat hij of zij een handdoek gaat pakken. Het werkwoord wordt gebruikt met het voorwerp dat je haalt. Nieuw voorbeeld: “Ich hole den Schlüssel.”
ein “ein” betekent “een” en staat in “ein trockenes Handtuch” vóór het genoemde voorwerp. Het introduceert een niet nader bepaalde handdoek. Nieuw voorbeeld: “Ich hole ein Glas.”
trockenes “trockenes” betekent “droog” en beschrijft in “ein trockenes Handtuch” de toestand van de handdoek. De vorm staat vóór “Handtuch” en sluit aan bij “ein”. Nieuw voorbeeld: “ein trockenes Tuch”.
Handtuch “Handtuch” betekent “handdoek”; in “Ich hole ein trockenes Handtuch” is het de handdoek die nodig is om het water op te nemen. Het woord kan met een eigenschap zoals “trockenes” worden gecombineerd. Nieuw voorbeeld: “Das Handtuch ist im Bad.”
Kannst “Kannst” betekent hier “kun je” en vormt samen met “du” de vraag “Kannst du die Tasche zuerst verschieben?”. Het wordt gebruikt om iemand beleefd te vragen of die iets kan doen. Nieuw voorbeeld: “Kannst du mir helfen?”
du “du” betekent “jij” en verwijst in “Kannst du die Tasche zuerst verschieben?” naar de aangesproken persoon. Het staat hier samen met “Kannst” in een vraag. Nieuw voorbeeld: “Du kannst hier sitzen.”
Tasche “Tasche” betekent “tas”; in “die Tasche zuerst verschieben” is het de tas die eerst moet worden verplaatst. Het woord wordt hier met het lidwoord “die” gebruikt. Nieuw voorbeeld: “Die Tasche ist schwer.”
zuerst “zuerst” betekent “eerst” en geeft in “die Tasche zuerst verschieben” aan dat deze handeling vóór het schoonmaken moet gebeuren. Het bepaalt de volgorde van de acties. Nieuw voorbeeld: “Zuerst trinken wir Kaffee.”
verschieben “verschieben” betekent hier “verplaatsen” en hoort in “Kannst du die Tasche zuerst verschieben?” bij de tas als voorwerp. Na “Kannst du” staat deze vorm als de handeling die gevraagd wordt. Nieuw voorbeeld: “Kannst du den Stuhl verschieben?”
lege “lege” betekent hier “leg” of “plaats” en beschrijft in “Ich lege sie auf den Stuhl” het neerzetten van de tas op de stoel. Het werkwoord wordt gebruikt met een voorwerp en een bestemming met “auf”. Nieuw voorbeeld: “Ich lege das Buch auf den Tisch.”
sie “sie” verwijst hier naar “die Tasche” en betekent in “Ich lege sie auf den Stuhl” “de tas” als voorwerp van de handeling. De vorm verwijst dus niet naar een nieuwe persoon, maar naar de eerder genoemde tas. Nieuw voorbeeld: “Ich sehe die Tasche und nehme sie.”
den “den” is hier het bepaalde lidwoord in “auf den Stuhl”. Samen met “auf” geeft deze woordgroep aan waar de tas naartoe wordt gelegd. Nieuw voorbeeld: “Ich stelle die Flasche auf den Tisch.”
Stuhl “Stuhl” betekent “stoel”; in “auf den Stuhl” is het de bestemming waarop de tas wordt gelegd. Het woord wordt hier gebruikt na de voorzetselgroep “auf”. Nieuw voorbeeld: “Der Stuhl ist frei.”
Dann “Dann” betekent “dan” of “vervolgens” en verbindt in “Dann können wir den Boden sauber machen” deze volgende stap met het verplaatsen van de tas. Het markeert de volgorde in het plan. Nieuw voorbeeld: “Dann gehen wir nach Hause.”
können “können” betekent hier “kunnen” en geeft in “Dann können wir den Boden sauber machen” aan dat de sprekers daarna in staat zijn om de vloer schoon te maken. Het wordt gebruikt met “wir” en een verdere handeling aan het einde van de zin. Nieuw voorbeeld: “Wir können das später machen.”
wir “wir” betekent “wij” en verwijst in “Dann können wir den Boden sauber machen” naar beide personen samen. Het geeft aan dat zij de volgende handeling gezamenlijk kunnen uitvoeren. Nieuw voorbeeld: “Wir arbeiten zusammen.”
sauber “sauber” betekent “schoon” en beschrijft in “den Boden sauber machen” het gewenste resultaat voor de vloer. De combinatie “etwas sauber machen” betekent dat je iets schoonmaakt. Nieuw voorbeeld: “Wir machen den Tisch sauber.”
machen “machen” betekent hier “maken” en vormt samen met “sauber” de uitdrukking “den Boden sauber machen”, dus “de vloer schoonmaken”. Het werkwoord draagt de handeling van ervoor zorgen dat iets schoon wordt. Nieuw voorbeeld: “Ich mache das Fenster sauber.”
bleibt “bleibt” betekent “blijft” en beschrijft in “Die Tasche bleibt dort trocken” dat de tas op die plek droog zal blijven. Het wordt hier gecombineerd met een plaats en een eigenschap. Nieuw voorbeeld: “Das Essen bleibt warm.”
dort “dort” betekent “daar” en verwijst in “Die Tasche bleibt dort trocken” naar de plek die in de vorige zin werd genoemd: de stoel. Het geeft de plaats van de tas aan. Nieuw voorbeeld: “Der Schlüssel liegt dort.”
trocken “trocken” betekent “droog” en beschrijft in “Die Tasche bleibt dort trocken” de toestand waarin de tas daar blijft. Het staat na “bleibt” als beschrijving van de tas. Nieuw voorbeeld: “Die Kleidung bleibt trocken.”

Grammatica

sauber machen: werkwoord + Ergänzung + sauber

Ich mache den Boden sauber.

Isj mache deen booden zauber.

Ik maak de vloer schoon.

Bij de vaste uitdrukking „sauber machen” staat „sauber” in een hoofdzin achter het lijdend voorwerp.

Adjektivendung: kleine + zelfstandig naamwoord

die kleine Flasche

Die klaine flasje

de kleine fles

Voor een vrouwelijk zelfstandig naamwoord krijgt „klein” hier de uitgang „-e”: „kleine Flasche”.

Duits woordenschat

Boden zelfstandig naamwoord
booden vloer

Auf dem Boden ist Wasser.

Flasche zelfstandig naamwoord
flasje fles

Die kleine Flasche ist kaputtgegangen.

Handtuch zelfstandig naamwoord
hanttoech handdoek

Ich hole ein trockenes Handtuch.

holen werkwoord
hoolun halen hole

Ich hole ein trockenes Handtuch.

kaputtgehen werkwoord
kapoetgee-un kapotgaan kaputtgegangen

Die kleine Flasche ist kaputtgegangen.

klein bijvoeglijk naamwoord
klain klein kleine

Die kleine Flasche ist kaputtgegangen.

laufen werkwoord
lau-fun lopen läuft

Das Wasser läuft zur Tür.

Tasche zelfstandig naamwoord
tasje tas

Kannst du die Tasche zuerst verschieben?

trocken bijvoeglijk naamwoord
trokken droog

Ich hole ein trockenes Handtuch.

Tür zelfstandig naamwoord
tuur deur

Das Wasser läuft zur Tür.

Wasser zelfstandig naamwoord
vasser water

Auf dem Boden ist Wasser.

zuerst bijwoord
tsoerst eerst

Kannst du die Tasche zuerst verschieben?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Er ligt water op de vloer.

Antwoord tonenAuf dem Boden ist Wasser.

Het water loopt naar de deur.

Antwoord tonenDas Wasser läuft zur Tür.

Het kleine flesje is kapotgegaan.

Antwoord tonenDie kleine Flasche ist kaputtgegangen.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

halen

Antwoord tonenhole

vloer

Antwoord tonenBoden

klein

Antwoord tonenkleine

fles

Antwoord tonenFlasche