Das
Das betekent hier ‘het’ in de woordgroep ‘Das Licht’ en verwijst naar een bepaald licht. De vorm das hoort bij het onzijdige zelfstandig naamwoord Licht. Hetzelfde bepaalde lidwoord staat in de dialoog in ‘Das Zimmer’.
Licht
Licht betekent hier ‘licht’, het onderwerp waarvan wordt gezegd dat het niet werkt. In ‘Das Licht funktioniert nicht’ gebruik je het woord voor het licht in de kamer. Het kan samen met een werkwoord beschrijven of de verlichting werkt.
funktioniert
funktioniert betekent hier ‘werkt’ of ‘functioneert’ en beschrijft wat het licht doet. Het is de vorm die in ‘Das Licht funktioniert nicht’ bij Licht hoort. Met een zaak als onderwerp kun je ermee aangeven dat die zaak wel of niet werkt.
nicht
nicht maakt de werking in ‘Das Licht funktioniert nicht’ negatief: het licht werkt niet. Het staat hier na funktioniert. Je gebruikt nicht om een handeling, toestand of werking te ontkennen.
Hast
Hast betekent hier ‘heb je’ en vormt samen met geprüft de vraag of iemand de schakelaar heeft gecontroleerd. Het is de vorm van haben die bij du hoort en staat vooraan in de vraag ‘Hast du den Schalter geprüft?’. Dezelfde vraagstructuur kun je gebruiken om te vragen of iemand iets heeft gedaan.
du
du betekent ‘jij’ en is hier de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. In ‘Hast du den Schalter geprüft?’ is du degene die de schakelaar heeft gecontroleerd. Je gebruikt du voor één persoon in een informele aanspreking.
den
den betekent hier ‘de’ in ‘den Schalter’ en markeert de specifiek bedoelde schakelaar. De vorm den hoort bij het mannelijke woord Schalter in deze woordgroep. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord waarnaar de handeling gericht is.
Schalter
Schalter betekent hier ‘schakelaar’, het onderdeel dat gecontroleerd wordt. In ‘den Schalter’ is het de concrete schakelaar in de kamer. Je kunt het woord gebruiken als onderwerp of object wanneer je over een schakelaar spreekt.
geprüft
geprüft betekent hier ‘gecontroleerd’ in ‘Hast du den Schalter geprüft?’. Het is de voltooide vorm van prüfen en staat samen met Hast aan het einde van de vraag. Je gebruikt deze vorm wanneer je zegt of vraagt of iets gecontroleerd is.
Ich
Ich betekent ‘ik’ en is hier degene die de schakelaar heeft gecontroleerd. In ‘Ich habe ihn geprüft’ staat Ich als onderwerp vooraan. Je gebruikt Ich om naar jezelf te verwijzen.
habe
habe betekent hier ‘heb’ en helpt samen met geprüft om een afgeronde controle uit te drukken. Het is de vorm van haben die bij Ich hoort in ‘Ich habe ihn geprüft’. Deze structuur gebruik je om te vertellen dat je iets hebt gedaan.
ihn
ihn betekent hier ‘hem’ en verwijst terug naar ‘den Schalter’. In ‘Ich habe ihn geprüft’ vervangt ihn het eerder genoemde object, zodat Schalter niet opnieuw hoeft te worden gezegd. Je gebruikt ihn voor een mannelijk object dat rechtstreeks door de handeling wordt geraakt.
aber
aber betekent ‘maar’ en zet de uitgevoerde controle tegenover het feit dat het probleem blijft bestaan. In ‘Ich habe ihn geprüft, aber er funktioniert immer noch nicht’ leidt het aber het tweede deel in. Je gebruikt het om twee tegengestelde of onverwachte mededelingen te verbinden.
er
er betekent hier letterlijk ‘hij’ en verwijst in de zin naar de eerder genoemde Schalter. In ‘aber er funktioniert immer noch nicht’ is er het onderwerp van funktioniert. Je gebruikt er om een eerder genoemd mannelijk zelfstandig naamwoord opnieuw aan te duiden.
immer
immer draagt in ‘immer noch’ bij aan de betekenis dat iets blijft voortduren. Samen betekent ‘immer noch nicht’ hier ‘nog steeds niet’; die betekenis hoort bij de combinatie en niet alleen bij immer. Je kunt immer noch gebruiken wanneer een toestand tot nu toe voortduurt.
noch
noch betekent hier ‘nog’ in de combinatie ‘immer noch’. In ‘er funktioniert immer noch nicht’ maakt noch duidelijk dat het probleem nog altijd bestaat. Gebruik deze combinatie om aan te geven dat een verwachte verandering nog niet heeft plaatsgevonden.
Vielleicht
Vielleicht betekent ‘misschien’ en maakt de verklaring over de oude gloeilamp voorzichtig. In ‘Vielleicht ist die Glühbirne alt’ staat het aan het begin van de zin. Je gebruikt Vielleicht wanneer je een mogelijkheid noemt zonder zekerheid te beweren.
ist
ist betekent hier ‘is’ en verbindt de gloeilamp met de eigenschap alt. In ‘Vielleicht ist die Glühbirne alt’ hoort ist bij de gloeilamp. Het is een gebruikelijke vorm om een toestand of eigenschap te beschrijven.
die
die betekent hier ‘de’ in ‘die Glühbirne’ en verwijst naar de specifiek bedoelde gloeilamp. De vorm die hoort bij het vrouwelijke woord Glühbirne. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord dat in de zin onderwerp is.
Glühbirne
Glühbirne betekent ‘gloeilamp’, het onderdeel dat mogelijk oud is en later vervangen wordt. In ‘die Glühbirne’ gaat het om de gloeilamp van de kapotte verlichting. Je kunt het woord gebruiken wanneer je over een lampje in een armatuur spreekt.
alt
alt betekent hier ‘oud’ en beschrijft de toestand van de gloeilamp. In ‘Die Glühbirne ist alt’ staat het na ist als eigenschap van de gloeilamp. Je gebruikt alt om aan te geven dat iets niet nieuw is of al lang bestaat.
Zimmer
Zimmer betekent hier ‘kamer’, de ruimte die te donker is. In ‘Das Zimmer ist jetzt zu dunkel’ is Zimmer het onderwerp van de beschrijving. Je gebruikt het woord voor een afzonderlijke ruimte in een woning of gebouw.
jetzt
jetzt betekent ‘nu’ en geeft aan dat de kamer op dit moment te donker is. In ‘Das Zimmer ist jetzt zu dunkel’ staat het midden in de zin. Je gebruikt jetzt om een toestand aan het huidige moment te koppelen.
zu
zu betekent hier ‘te’ in ‘zu dunkel’ en geeft aan dat de kamer donkerder is dan gewenst. Het staat direct vóór het bijvoeglijk naamwoord dunkel. Je kunt zu vóór een bijvoeglijk naamwoord gebruiken om een ongewenst sterke mate aan te geven.
dunkel
dunkel betekent hier ‘donker’ en beschrijft de toestand van de kamer zonder goed licht. In ‘Das Zimmer ist jetzt zu dunkel’ wordt die toestand als te sterk beoordeeld. Je kunt dunkel gebruiken om de hoeveelheid licht in een ruimte te beschrijven.
kann
kann betekent hier ‘kan’ en drukt de mogelijkheid of bereidheid uit om een kleine lamp te brengen. In ‘Ich kann eine kleine Lampe bringen’ staat kann bij Ich en staat bringen aan het einde. Na kann volgt een andere werkwoordsvorm die de handeling noemt.
eine
eine betekent hier ‘een’ in ‘eine kleine Lampe’ en verwijst naar één nog niet nader bepaalde lamp. Het staat vóór kleine en Lampe. Je gebruikt eine wanneer je een enkelvoudig, vrouwelijk zelfstandig naamwoord niet als specifiek bekend introduceert.
kleine
kleine betekent hier ‘kleine’ en beschrijft de lamp die iemand kan brengen. In ‘eine kleine Lampe’ staat het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord. Je kunt een bijvoeglijk naamwoord op deze plaats gebruiken om een object nader te omschrijven.
Lampe
Lampe betekent hier ‘lamp’, de extra lichtbron die naar de kamer gebracht kan worden. In ‘eine kleine Lampe bringen’ is het de zaak die wordt gebracht. Je gebruikt het woord voor een lamp als lichtbron.
bringen
bringen betekent hier ‘brengen’ en noemt de handeling die mogelijk is met de kleine lamp. In ‘Ich kann eine kleine Lampe bringen’ staat bringen na kann aan het einde van de hoofdzin. Je gebruikt deze combinatie om aan te bieden iets naar een plaats of persoon te brengen.
Wir
Wir betekent ‘wij’ en verwijst naar de twee mensen die de gloeilamp later moeten vervangen. In ‘Wir sollten die Glühbirne später wechseln’ is Wir het onderwerp. Je gebruikt Wir wanneer de spreker zichzelf en minstens één andere persoon bedoelt.
sollten
sollten drukt hier een aanbeveling uit: de gloeilamp zou later vervangen moeten worden. In ‘Wir sollten die Glühbirne später wechseln’ staat sollten bij Wir en volgt wechseln aan het einde. Je gebruikt deze vorm om samen een verstandige volgende stap voor te stellen.
später
später betekent ‘later’ en geeft aan dat het vervangen niet meteen gebeurt. In ‘Wir sollten die Glühbirne später wechseln’ bepaalt het wanneer de handeling plaatsvindt. Je gebruikt später om naar een moment na nu te verwijzen.
wechseln
wechseln betekent hier ‘vervangen’ in ‘die Glühbirne wechseln’. Het gaat om het verwisselen van de oude gloeilamp voor een andere. Je gebruikt het met een object wanneer je aangeeft dat dat object wordt gewisseld of vervangen.
Benutze
Benutze betekent hier ‘gebruik’ en is een directe opdracht aan één persoon om de lamp te gebruiken. In ‘Benutze die Lampe’ staat de opdracht vooraan en volgt het object direct. Je gebruikt deze vorm wanneer je iemand informeel instructie geeft.
bis
bis betekent hier ‘totdat’ en geeft het moment aan waarop de tijdelijke oplossing eindigt. In ‘bis wir die Glühbirne ersetzen’ leidt bis een bijzin in. In die bijzin staat het werkwoord aan het einde.
ersetzen
ersetzen betekent hier ‘vervangen’ in ‘bis wir die Glühbirne ersetzen’. Het verwijst naar de handeling die de tijdelijke lamp overbodig maakt. In deze bijzin staat de vorm na het onderwerp en object aan het einde.