Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Een kleine vlek schoonmaken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.
Dialoog
Auf dem Tisch ist ein Fleck.
Aauf deem tisj ist aain flek. Er zit een vlek op de tafel.Ich sehe ihn neben der Tasse.
Iesj zee-uh ien neebun deer tasse. Ik zie hem bij de kop.Haben wir einen sauberen Schwamm?
Haa-bun wier aainen zau-buh-run sjvam? Hebben we een schone spons?Der Schwamm liegt am Waschbecken.
Deer sjvam liekt am vasj-bekun. De spons ligt bij de gootsteen.Soll ich etwas Seife benutzen?
Zol iesj et-vas zai-fuh buh-noetsun? Zal ik wat zeep gebruiken?Tu ein bisschen Seife auf den Schwamm.
Toe aain bissjun zai-fuh aauf deen sjvam. Doe een beetje zeep op de spons.Der Fleck ist fast weg.
Deer flek ist fast vek. De vlek is bijna weg.Der Tisch sieht sauber aus.
Deer tisj ziet zau-buh aaus. De tafel ziet er schoon uit.Uitleg van de zinnen
Auf dem Tisch ist ein Fleck.
Er zit een vlek op de tafel.
- Auf dem Tisch
- op de tafel
- ist
- is
- Fleck
- vlek
Uitgebreide uitleg
Auf dem Tisch betekent hier dat iets zich op het tafeloppervlak bevindt. auf krijgt bij een vaste plaats de datief; daarom staat der Tisch hier als dem Tisch. Vergelijk: auf den Tisch betekent doorgaans “op de tafel” met beweging ernaartoe, terwijl auf dem Tisch een plaats aanduidt. Voorbeeld: Das Buch liegt auf dem Tisch. — “Het boek ligt op de tafel.” ist is de derde persoon enkelvoud van sein in de tegenwoordige tijd: sein – ist. Hier verbindt het de plaatsaanduiding met wat daar aanwezig is. Voorbeeld: Hier ist ein Schlüssel. — “Hier is een sleutel.” Fleck betekent hier “vlek”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Fleck; na het onbepaalde lidwoord staat het onderwerp hier als ein Fleck. Het meervoud is die Flecken. Voorbeeld: Ein Fleck ist auf dem Hemd. — “Er zit een vlek op het overhemd.” Samen staat de plaatsbepaling vooraan: Auf dem Tisch ist ein Fleck. Letterlijk wordt eerst de locatie genoemd, daarna ist en vervolgens het aanwezige onderwerp ein Fleck. De vaste betekenis is: “Er zit een vlek op de tafel.”
Ich sehe ihn neben der Tasse.
Ik zie hem bij de kop.
- sehe
- zie
- ihn
- hem
- neben
- naast
- Tasse
- kopje
Uitgebreide uitleg
sehe hoort bij het werkwoord sehen (zien). In Ich sehe is het de tegenwoordige tijd, eerste persoon enkelvoud: ich sehe. De klinkerwisseling verschijnt bij sommige andere vormen: du siehst, er/sie sieht. Voorbeeld: Ich sehe den Fleck. — Ik zie de vlek. ihn betekent hier hem en is de accusatiefvorm van het persoonlijke voornaamwoord voor een mannelijk enkelvoudig antecedent: er → ihn wanneer die persoon of zaak het lijdend voorwerp is. Vergelijk: Er sieht mich. — Hij ziet mij. De vorm ihm is daarentegen de datiefvorm, bijvoorbeeld bij een ontvanger of andere datiefrol. neben geeft hier een plaats naast of bij iets aan. Bij een vaste plaats gebruikt het Duits na neben de datief; bij die Tasse wordt dat der Tasse. Bij een beweging naar een positie naast iets kan neben ook de accusatief krijgen. Voorbeeld: Ich stelle den Schwamm neben die Tasse. — Ik zet de spons naast de kop. Tasse is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent hier kop of kopje. Het lidwoord laat de naamval zien: die Tasse (nominatief/accusatief) en der Tasse (datief). Het meervoud is Tassen: zwei Tassen — twee koppen. Samen vormen de delen Ich sehe ihn neben der Tasse.: de spreker ziet een mannelijk enkelvoudig lijdend voorwerp, en dat voorwerp bevindt zich naast of bij de kop. De vaste vertaling is: Ik zie hem bij de kop.
Haben wir einen sauberen Schwamm?
Hebben we een schone spons?
- Haben wir
- hebben we
- sauberen
- schone
- Schwamm
- spons
Uitgebreide uitleg
Haben wir betekent hier dat de spreker vraagt of de groep toegang heeft tot of beschikt over iets. haben is de infinitief; in de tegenwoordige tijd is de vorm bij wir normaal wir haben. In een Duitse ja-neevraag staat de persoonsvorm vooraan: Haben wir Zeit? = “Hebben we tijd?” sauberen betekent hier “schone”. De basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord is sauber. De uitgang -en staat hier omdat sauberen een mannelijk zelfstandig naamwoord in de accusatief enkelvoud beschrijft na einen: einen sauberen Schwamm. De vorm wordt dus niet door Schwamm als zelfstandig naamwoord zelf gedragen; sauberen is de verbogen vorm van sauber. Schwamm betekent “spons”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Schwamm. In deze zin staat het in de accusatief, omdat het datgene is wat men heeft; daarom staat ervoor einen, niet de nominatiefvorm ein. Samen vormen de delen de vraag Haben wir einen sauberen Schwamm?: “Hebben we een schone spons?” De woordvolgorde maakt er een ja-neevraag van; einen sauberen Schwamm is het gevraagde voorwerp.
Der Schwamm liegt am Waschbecken.
De spons ligt bij de gootsteen.
- Schwamm
- spons
- liegt
- ligt
- am
- bij het
- Waschbecken
- gootsteen
Uitgebreide uitleg
Schwamm betekent hier “spons”. Het is een zelfstandig naamwoord: der Schwamm is mannelijk en het meervoud is die Schwämme. Voorbeeld: Der Schwamm ist nass. — “De spons is nat.” liegt komt van liegen. Dit is de vorm voor de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd: ich liege, du liegst, er/sie/es liegt. Liegen beschrijft hier de plaats van iets, niet het neerleggen ervan. Vergelijk legt: Sie legt den Schwamm hin. — “Zij legt de spons neer.” Daar gaat het om een handeling waarbij iemand iets ergens plaatst. am is de vaste samentrekking van an dem: an + het lidwoord dem. In deze zin geeft het een plaats aan, ongeveer “bij” of “aan het”. Na deze plaatsbepaling staat het zelfstandig naamwoord in de datief. Voorbeeld: Das Handtuch hängt am Haken. — “De handdoek hangt aan de haak.” Waschbecken betekent “gootsteen” of “wastafel”. Het is onzijdig: das Waschbecken; het meervoud heeft dezelfde vorm: die Waschbecken. In am Waschbecken is Waschbecken de datiefvorm na an dem; bij dit onzijdige woord zie je aan het zelfstandig naamwoord zelf geen aparte datiefuitgang. Samen vormen de delen Der Schwamm + liegt + am Waschbecken: “De spons ligt bij de gootsteen.” Der markeert hier een bepaalde, mannelijke enkelvoudige spons, liegt beschrijft de toestand of plaats, en am Waschbecken zegt waar die spons ligt.
Soll ich etwas Seife benutzen?
Zal ik wat zeep gebruiken?
- Soll ich
- zal ik …?
- etwas
- wat
- Seife
- zeep
- benutzen
- gebruiken
Uitgebreide uitleg
Soll ich vormt hier een vraag met de betekenis “zal ik …?”. soll is de vorm van sollen bij ich in de tegenwoordige tijd; ich is het onderwerp. In een Duitse vraag staat het vervoegde modale werkwoord vooraan en staat het andere werkwoord als infinitief achteraan. Vergelijk: Soll ich warten? — “Zal ik wachten?” etwas betekent hier “wat” in de zin van een onbepaalde hoeveelheid. Het specificeert geen exact aantal. Het kan vóór een stof- of massanomen staan, zoals in etwas Wasser — “wat water”. Seife betekent “zeep”. Het zelfstandige naamwoord heeft als basisvorm met lidwoord die Seife; in deze zin staat het zonder lidwoord na etwas, omdat een niet nader bepaalde hoeveelheid wordt bedoeld. Het meervoud Seifen kan naar meerdere stukken of soorten zeep verwijzen; dat is niet de onbepaalde hoeveelheid in deze zin. benutzen betekent “gebruiken”. Dit is de infinitief; de vorm blijft hier onveranderd omdat hij na het modale werkwoord soll staat. In een gewone tegenwoordige-tijdzin krijgt het werkwoord wel een persoonsvorm, bijvoorbeeld Ich benutze Seife. — “Ik gebruik zeep.” Samen bestaat de vraag uit Soll ich + etwas Seife + benutzen: de spreker vraagt of die persoon wat zeep zal gebruiken. De Duitse vraagvolgorde zet Soll vooraan, het onderwerp ich daarna en de infinitief benutzen aan het einde.
Tu ein bisschen Seife auf den Schwamm.
Doe een beetje zeep op de spons.
- Tu
- doe
- ein bisschen
- een beetje
- Seife
- zeep
- auf
- op
- Schwamm
- spons
Uitgebreide uitleg
Tu is hier de gebiedende wijs van tun voor één aangesproken persoon. Het betekent in deze zin “doe”. De gewone tegenwoordige tijd is bijvoorbeeld ich tue (“ik doe”); voor deze korte opdracht gebruik je Tu. ein bisschen betekent “een beetje”. Het geeft een kleine, niet exact getelde hoeveelheid aan; ein betekent hier dus niet automatisch “één”. Voorbeeld: Ich möchte ein bisschen Wasser. — “Ik wil een beetje water.” Seife betekent “zeep”. Het is een zelfstandig naamwoord en wordt in het Duits met een hoofdletter geschreven. In deze opdracht is het de stof die op de spons moet komen. Seife heeft in het nominatief en accusatief dezelfde zichtbare vorm; andere naamvallen kunnen wel een andere vorm van het lidwoord tonen, bijvoorbeeld mit der Seife (“met de zeep”). auf betekent hier “op” en beschrijft de bestemming van de handeling. Bij auf kan het Duits onderscheid maken tussen een plaats waar iets zich bevindt en een richting waar iets naartoe gaat. Hier gaat de zeep naar het oppervlak van de spons, daarom staat de daaropvolgende naamwoordgroep in de accusatief: der Schwamm wordt den Schwamm. Schwamm betekent “spons”. Het zelfstandig naamwoord is der Schwamm; na het mannelijke bepaalde lidwoord den zie je hier de accusatiefvorm. Voorbeeld: Ich lege das Tuch auf den Schwamm. — “Ik leg de doek op de spons.” Samen vormen de delen de opdracht Tu ein bisschen Seife auf den Schwamm.: doe een kleine hoeveelheid zeep op de spons.
Der Fleck ist fast weg.
De vlek is bijna weg.
- Der Fleck
- de vlek
- fast
- bijna
- weg
- weg
Uitgebreide uitleg
Der Fleck betekent hier “de vlek”. Fleck is een zelfstandig naamwoord met mannelijk grammaticaal geslacht; daarom staat het enkelvoudige onderwerp met der: der Fleck. De vorm Fleck blijft hier enkelvoud; een bruikbaar meervoud is Flecken: die Flecken = “de vlekken”. fast betekent “bijna”. Het is een bijwoord en verandert dus niet mee met Fleck. Het staat vóór weg en maakt de toestand minder dan volledig: de vlek is nog niet helemaal verdwenen. weg betekent hier “weg” of “verdwenen”. In ist ... weg beschrijft het een toestand met het werkwoord sein (“zijn”): Der Fleck ist weg. = “De vlek is weg.” In andere contexten kan weg ook een richting of verwijdering aangeven, maar hier gaat het om de toestand van de vlek. Samen vormen de delen Der Fleck ist fast weg.: “De vlek is bijna weg.” Der Fleck is het onderwerp, ist verbindt dat onderwerp met de toestand weg, en fast verzacht die toestand tot “bijna volledig weg”.
Der Tisch sieht sauber aus.
De tafel ziet er schoon uit.
- Tisch
- tafel
- sieht … aus
- ziet er ... uit
- sauber
- schoon
Uitgebreide uitleg
Tisch betekent hier “tafel”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Tisch in het enkelvoud, die Tische in het meervoud. Voorbeeld: Der Tisch ist groß. — “De tafel is groot.” sieht ... aus is hier de hoofdzinvolgorde van het scheidbare werkwoord aussehen, “eruitzien”. sieht is de vervoegde vorm van aussehen voor de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd; aus staat aan het einde van de hoofdzin. De infinitief is dus aussehen, niet alleen sehen. Voorbeeld: Das Zimmer sieht hell aus. — “De kamer ziet er licht uit.” sauber betekent hier “schoon”. Als bijvoeglijk naamwoord na aussehen krijgt het geen uitgang: sieht sauber aus. Vergelijk: Der Tisch ist sauber. — “De tafel is schoon.” Samen vormen de delen Der Tisch sieht sauber aus.: der Tisch is het onderwerp, sauber beschrijft hoe de tafel eruitziet, en sieht ... aus geeft die indruk weer. De hele zin betekent: “De tafel ziet er schoon uit.”
Grammatica
sieht ... aus
sieht sauber aus
ziet zau-buh aausziet er schoon uit
Het scheidbare werkwoord sieht ... aus splitst zich in de zin: sieht staat vooraan en aus aan het einde.
Duits woordenschat
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Er zit een vlek op de tafel.
Antwoord tonen
Auf dem Tisch ist ein Fleck.Ik zie hem bij de kop.
Antwoord tonen
Ich sehe ihn neben der Tasse.Hebben we een schone spons?
Antwoord tonen
Haben wir einen sauberen Schwamm?Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
gootsteen
Antwoord tonen
Waschbeckenzie
Antwoord tonen
sehetafel
Antwoord tonen
Tischschoon