Draußen
“Draußen” betekent hier “buiten” en verwijst naar de plek buiten het huis. Het staat aan het begin van de zin en krijgt daarom een hoofdletter. Een veelgebruikt patroon is “Draußen ist es ...” om het weer buiten te beschrijven.
ist
“Ist” betekent hier “is” en verbindt “es” met de beschrijving “bewölkt”. Het is een vorm van “sein”. Je gebruikt “ist” bijvoorbeeld in “Es ist kalt” om een toestand te beschrijven.
es
“Es” is hier een onpersoonlijk voornaamwoord in de weerbeschrijving “Draußen ist es bewölkt”. Het verwijst niet naar een concreet voorwerp. Hetzelfde patroon zie je in “Es ist kalt” als nieuw voorbeeld.
bewölkt
“Bewölkt” betekent hier dat de lucht met wolken bedekt is. Het beschrijft de toestand in “Draußen ist es bewölkt”. Je kunt het opnieuw gebruiken in “Heute ist es bewölkt” als nieuw voorbeeld.
Nimm
“Nimm” betekent hier “neem” en is een directe aansporing aan één persoon. Het is de gebiedende vorm van “nehmen”. Een praktisch patroon is “Nimm ... mit” wanneer iemand iets moet meenemen.
einen
“Einen” betekent hier “een” bij “Mantel”. Deze vorm hoort bij het mannelijke woord “Mantel” in de uitdrukking “einen warmen Mantel”. Je gebruikt hetzelfde patroon bijvoorbeeld in “Ich kaufe einen Mantel” als nieuw voorbeeld.
warmen
“Warmen” betekent hier “warme” en beschrijft de mantel die meegenomen moet worden. De vorm staat in “einen warmen Mantel”. Je kunt “warmen” opnieuw voor een mannelijk voorwerp gebruiken, zoals in “einen warmen Schal” als nieuw voorbeeld.
Mantel
“Mantel” betekent hier “jas”, meer bepaald een jas of mantel die je buiten aantrekt. In deze zin is het het voorwerp dat meegenomen moet worden. Een bruikbaar patroon is “einen Mantel mitnehmen”.
mit
“Mit” draagt hier de betekenis “mee” in de uitdrukking “Nimm einen warmen Mantel mit”. Het is het scheidbare deel van “mitnehmen” en staat in deze zin achteraan. Gebruik bijvoorbeeld “Ich nehme meinen Schirm mit” als nieuw voorbeeld.
Fühlt
“Fühlt” betekent hier “voelt” in de vraag naar de ervaring van de wind. Samen met “sich” en “an” vormt het de uitdrukking “Fühlt sich der Wind kalt an?”. Het is een vorm van “fühlen”; met deze vraag informeer je of iets koud aanvoelt.
sich
“Sich” hoort hier bij de uitdrukking “sich kalt anfühlen” en verwijst naar de wind die op een bepaalde manier aanvoelt. Het heeft in deze vraag geen zelfstandige betekenis als los woord. Een bruikbaar patroon is “Das fühlt sich ... an” als nieuw voorbeeld.
der
“Der” betekent hier “de” en staat bij “Wind”. Het markeert “der Wind” als het onderwerp van de vraag “Fühlt sich der Wind kalt an?”. Je gebruikt “der” ook in “der Mantel” als nieuw voorbeeld.
Wind
“Wind” betekent hier “wind” en is datgene waarvan gevraagd wordt hoe het aanvoelt. In “der Wind” staat het als onderwerp. Je kunt bijvoorbeeld zeggen “Der Wind ist stark” als nieuw voorbeeld.
kalt
“Kalt” betekent hier “koud” en beschrijft hoe de wind aanvoelt. In “Fühlt sich der Wind kalt an?” maakt het deel uit van de uitdrukking “sich kalt anfühlen”. Je gebruikt “kalt” ook in “Es ist kalt” als nieuw voorbeeld.
an
“An” is hier het scheidbare deel van “sich anfühlen” en staat aan het einde van de vraag “Fühlt sich der Wind kalt an?”. Samen met “fühlt sich” geeft de uitdrukking de betekenis “aanvoelen”. Een bruikbaar patroon is “Wie fühlt sich das an?” als nieuw voorbeeld.
Heute
“Heute” betekent hier “vandaag” en geeft aan wanneer het koud en winderig is. Het staat vooraan in “Heute ist es kalt und windig”. Je kunt het gebruiken in “Heute gehe ich spazieren” als nieuw voorbeeld.
und
“Und” betekent hier “en” en verbindt de twee beschrijvingen “kalt” en “windig”. Het voegt beide eigenschappen van het weer samen. Je gebruikt “und” vaak tussen twee gelijkwaardige beschrijvingen of handelingen.
windig
“Windig” betekent hier “winderig” en beschrijft het weer van vandaag. Het staat naast “kalt” in “Heute ist es kalt und windig”. Je kunt zeggen “Draußen ist es windig” als nieuw voorbeeld.
Ich
“Ich” betekent hier “ik” en geeft aan wie de hoed nodig heeft. Het is de spreker in “Ich brauche auch meinen Hut”. Je gebruikt “Ich” aan het begin van een zin wanneer je over jezelf spreekt.
brauche
“Brauche” betekent hier “heb nodig” in “Ich brauche auch meinen Hut”. Het is een vorm van “brauchen” bij “ich”. Een bruikbaar patroon is “Ich brauche ...” gevolgd door het voorwerp dat je nodig hebt.
auch
“Auch” betekent hier “ook” en voegt de hoed toe aan wat de spreker al nodig heeft. In “Ich brauche auch meinen Hut” staat het vóór het voorwerp. Je kunt bijvoorbeeld zeggen “Ich brauche auch einen Schal” als nieuw voorbeeld.
meinen
“Meinen” betekent hier “mijn” bij “Hut” in “meinen Hut”. Het verwijst naar de hoed van de spreker. Een bruikbaar patroon is “Ich brauche meinen ...” gevolgd door een persoonlijk voorwerp.
Hut
“Hut” betekent hier “hoed”, het voorwerp dat de spreker ook nodig heeft. In de volgende zin wordt naar dezelfde hoed verwezen met “Er” en “ihn”. Je kunt “mein Hut” gebruiken om over je eigen hoed te spreken.
Er
“Er” betekent hier “hij”, maar verwijst in deze dialoog naar de hoed als mannelijk woord. Het is het onderwerp van “Er liegt an der Tür”. Je gebruikt dit voornaamwoord hier om niet opnieuw “der Hut” te herhalen.
liegt
“Liegt” betekent hier “ligt” en beschrijft waar de hoed zich bevindt. Het is een vorm van “liegen” in “Er liegt an der Tür”. Een bruikbaar patroon is “Etwas liegt ...” om de plaats van een voorwerp te beschrijven.
Tür
“Tür” betekent hier “deur” in de plaatsaanduiding “an der Tür”. De hoed ligt bij of aan de deur. Je kunt bijvoorbeeld zeggen “Der Schlüssel liegt an der Tür” als nieuw voorbeeld.
setze
“Setze” betekent hier “zet” in “Ich setze ihn auf” en beschrijft dat de spreker de hoed op het hoofd doet. Samen met “auf” vormt het de scheidbare uitdrukking “aufsetzen”. Een bruikbaar patroon is “Ich setze ... auf” voor iets dat je aantrekt of opzet.
ihn
“Ihn” betekent hier “hem” en verwijst naar “den Hut”. Het is het voorwerp van “setze ... auf”. Je gebruikt “ihn” hier omdat “Hut” in het Duits mannelijk is.
auf
“Auf” is hier het scheidbare deel van “aufsetzen” en staat achteraan in “Ich setze ihn auf”. Samen met “setze” betekent de uitdrukking dat je de hoed opzet. Een nieuw voorbeeld is “Ich setze meine Mütze auf”.
bevor
“Bevor” betekent hier “voordat” en verbindt het opzetten van de hoed met het weggaan. In “bevor ich gehe” leidt het een bijzin in waarin “gehe” achteraan staat. Je gebruikt “bevor” om twee handelingen in de tijd te ordenen.
gehe
“Gehe” betekent hier “ga” of “vertrek” in “bevor ich gehe”. Het is een vorm van “gehen” bij “ich”. In de bijzin na “bevor” staat het aan het einde: “bevor ich gehe”.
Dann
“Dann” betekent hier “dan” en verwijst naar het gevolg van het meenemen en opzetten van de kleding. Het staat aan het begin van “Dann bist du bereit ...”. Een bruikbaar patroon is “Dann bist du ...” om een gevolg of volgende toestand te beschrijven.
bist
“Bist” betekent hier “bent” in “Dann bist du bereit”. Het is een vorm van “sein” bij “du”. Je gebruikt “bist” bijvoorbeeld in “Du bist bereit” als nieuw voorbeeld.
du
“Du” betekent hier “je” en verwijst naar de persoon die de jas en hoed moet meenemen. Het is degene die daarna klaar is voor de wandeling. Je gebruikt “du” wanneer je één persoon rechtstreeks aanspreekt.
bereit
“Bereit” betekent hier “klaar” of “gereed” voor de wandeling. In “bist du bereit für den Spaziergang” beschrijft het de toestand van de aangesproken persoon. Een bruikbaar patroon is “bereit für ... sein”.
für
“Für” betekent hier “voor” in de uitdrukking “bereit für den Spaziergang”. Het geeft aan waarvoor iemand klaar is. Je kunt bijvoorbeeld zeggen “Ich bin bereit für den Tag” als nieuw voorbeeld.
den
“Den” betekent hier “de” bij “Spaziergang” in “für den Spaziergang”. Deze vorm hoort bij de vaste combinatie met “für”. Een bruikbaar patroon is “bereit für den ...” gevolgd door een mannelijk zelfstandig naamwoord.
Spaziergang
“Spaziergang” betekent hier “wandeling”. In “bereit für den Spaziergang” gaat het om de wandeling waarvoor de persoon zich buiten klaarmaakt. Je kunt bijvoorbeeld zeggen “Wir machen einen Spaziergang” als nieuw voorbeeld.