Zonnig weer en wandelen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: Outside, two adults talk about taking sunglasses and water before going for a sunny walk..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Zonnig weer en wandelen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Draußen ist es sonnig.

Drau-sen is es zonnich. Het is zonnig buiten.
B

Bring deine Sonnenbrille mit.

Bring daine zonnenbrille mit. Neem je zonnebril mee.
A

Ist es zu heiß für einen Spaziergang?

Ist es tsoe hais fuur ainen sjpaatsierang? Is het te heet voor een wandeling?
B

Es ist warm, aber wir können trotzdem gehen.

Es is varm, aa-ber vier keunnen trotsdeem gee-en. Het is warm, maar we kunnen toch gaan.
A

Wir können im Schatten bleiben.

Vier keunnen im sjatten blaiben. We kunnen in de schaduw blijven.
B

Die Bäume sollten uns kühl halten.

Die boime zollten oens kuul halten. De bomen zouden ons koel moeten houden.
A

Ich bringe eine Flasche Wasser mit.

Ich bringe aine flasje vassa mit. Ik neem een fles water mee.
B

Die wird beim Spaziergang nützlich sein.

Die virt baim sjpaatsierang nutslich zain. Die zal tijdens de wandeling goed van pas komen.

Uitleg van de zinnen

  1. Draußen ist es sonnig.

    Het is zonnig buiten.

    Draußen
    buiten
    ist es
    het is
    sonnig
    zonnig
    Uitgebreide uitleg

    Draußen betekent hier “buiten” en geeft de plaats aan. Een bruikbaar contrast is drinnen (“binnen”). Voorbeeld: Draußen ist es kalt. — “Buiten is het koud.” ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd: sein → ist. In deze zin hoort ist bij het onpersoonlijke es; es is hier een grammaticaal onderwerp en verwijst niet naar een specifiek genoemd persoon of voorwerp. Voorbeeld: Es ist warm. — “Het is warm.” sonnig is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis “zonnig”. Na sein staat het hier als gezegde en krijgt het geen uitgang: Es ist sonnig. Voor vergelijking kun je zeggen sonniger (“zonniger”), bijvoorbeeld: Heute ist es sonniger. — “Vandaag is het zonniger.” Samen vormen de delen Draußen ist es sonnig.: Draußen plaatst de situatie buiten, ist es vormt de onpersoonlijke constructie “het is”, en sonnig beschrijft de toestand. De volledige betekenis is: “Het is zonnig buiten.”

  2. Bring deine Sonnenbrille mit.

    Neem je zonnebril mee.

    Bring
    neem mee / breng
    deine
    jouw
    Sonnenbrille
    zonnebril
    mit
    mee; onderdeel van mitbringen
    Uitgebreide uitleg

    Bring is hier de informele gebiedende wijs van mitbringen (“meenemen”). Dit werkwoord is scheidbaar: in een hoofdzin staat het vervoegde deel vooraan en komt mit aan het einde. De vorm Bring richt zich tot één persoon met du; bij een beleefde aanspreking gebruik je bijvoorbeeld Bringen Sie ... mit. deine betekent hier “je/jouw” en hoort bij de aangesprokene. Het woord past zich aan het zelfstandig naamwoord aan. Voor het vrouwelijke zelfstandig naamwoord Sonnenbrille in de accusatief staat de vorm deine; vergelijk bijvoorbeeld deinen Rucksack bij het mannelijke Rucksack. Sonnenbrille is het vrouwelijke zelfstandig naamwoord voor “zonnebril”. Het meervoud is Sonnenbrillen. In deze zin verwijst het bezittelijke woord naar één zonnebril, maar deine zelf drukt niet op zichzelf het aantal uit. mit betekent hier “mee” en vormt samen met Bring het scheidbare werkwoord mitbringen. Het staat daarom niet naast Bring, maar op de laatste plaats van deze hoofdzin. Het is dus niet zomaar een los voorzetsel in deze constructie. Samen vormen de delen Bring ... mit de herbruikbare gebiedende structuur “Neem ... mee”. deine Sonnenbrille is het voorwerp: de aangesprokene moet zijn of haar zonnebril meenemen. De volledige betekenis is daarom: “Neem je zonnebril mee.”

  3. Ist es zu heiß für einen Spaziergang?

    Is het te heet voor een wandeling?

    Ist es
    Is het…?
    heiß
    heet
    Spaziergang
    wandeling
    Uitgebreide uitleg

    Ist es vormt hier de ja-neevraag met het onpersoonlijke onderwerp es: letterlijk is de structuur “is het …?”. In een vraag staat het vervoegde werkwoord ist vooraan. es verwijst hier niet noodzakelijk naar een genoemd zelfstandig naamwoord; het draagt de onpersoonlijke structuur van de beoordeling. heiß betekent hier “heet”. Het is de basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord; na ist staat het als naamwoordelijk deel zonder verbuiging. De combinatie zu heiß betekent “te heet”: zu geeft aan dat de mate boven een relevante grens ligt. Vergelijk als oefenvoorbeeld: Der Kaffee ist zu heiß. — “De koffie is te heet.” für einen Spaziergang geeft aan waarvoor de temperatuur te hoog is: “voor een wandeling”. für wordt in het Duits met de accusatief gebruikt. Daarom staat het mannelijke zelfstandig naamwoord Spaziergang hier met het onbepaalde lidwoord einen; dat lidwoord drukt op zichzelf geen expliciet aantal uit. Spaziergang is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent “wandeling”. Een herbruikbaar patroon is zu heiß für + accusatief, bijvoorbeeld: Das Wasser ist zu heiß für ein Bad. — “Het water is te heet voor een bad.” Samen betekent Ist es zu heiß für einen Spaziergang?: “Is het te heet voor een wandeling?” De vraag toetst of de hitte een wandeling ongeschikt of niet haalbaar maakt; ze beweert niet zelf dat er wel of niet gewandeld zal worden.

  4. Es ist warm, aber wir können trotzdem gehen.

    Het is warm, maar we kunnen toch gaan.

    Es ist
    Het is
    warm
    warm
    aber
    maar
    wir können
    wij kunnen
    trotzdem
    toch
    gehen
    gaan
    Uitgebreide uitleg

    Es ist vormt hier een onpersoonlijke weerszin: es is het formele onderwerp en ist is de tegenwoordige tijd van sein in de derde persoon enkelvoud. In deze zin verwijst es niet naar een genoemd zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: Es ist kalt. — ‘Het is koud.’ warm is een bijvoeglijk naamwoord dat na sein als gezegde staat; het beschrijft de temperatuur. De vorm verandert hier niet door es. Voorbeeld: Das Wasser ist warm. — ‘Het water is warm.’ Daar beschrijft hetzelfde woord de temperatuur van het water. aber is een nevenschikkend voegwoord met de betekenis ‘maar’. Het verbindt hier de warme omstandigheid met een mededeling die daartegenover wordt geplaatst. wir können bestaat uit het persoonlijk voornaamwoord wir (‘wij’) en können, de tegenwoordige tijd van het modale werkwoord können bij de eerste persoon meervoud. können drukt hier mogelijkheid uit: ‘kunnen’. Bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord in de infinitief aan het einde van de hoofdzin. Voorbeeld: Wir können warten. — ‘Wij kunnen wachten.’ trotzdem is een bijwoord met de betekenis ‘toch’ of ‘desondanks’. Het geeft aan dat de mogelijkheid uit wir können ... blijft gelden ondanks de eerder genoemde warmte. Het is dus geen deel van de betekenis van können zelf. gehen is de infinitief van het werkwoord gehen, ‘gaan’. Na können blijft deze vorm onvervoegd en staat hij aan het einde: wir können gehen. Voorbeeld: Sie können kommen. — ‘Zij kunnen komen.’ Samen betekent Es ist warm, aber wir können trotzdem gehen.: ‘Het is warm, maar wij kunnen toch gaan.’ De eerste hoofdzin noemt de omstandigheid, aber introduceert het contrast, en wir können ... gehen zegt dat gaan ondanks die omstandigheid mogelijk blijft; trotzdem maakt dat ‘toch’ expliciet.

  5. Wir können im Schatten bleiben.

    We kunnen in de schaduw blijven.

    Wir können
    wij kunnen
    im
    in het
    Schatten
    schaduw
    bleiben
    blijven
    Uitgebreide uitleg

    Wir können betekent hier dat de spreker zichzelf samen met anderen als handelende groep noemt en aangeeft dat die groep iets kan doen. wir is de persoonlijke vorm voor “wij”. können is de vervoegde vorm van können (“kunnen”); bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord in de infinitief aan het einde: Wir können bleiben = “Wij kunnen blijven”. Vergelijk: Wir können gehen = “Wij kunnen gaan”. im is de vaste verkorting van in dem. Hier staat in met de datief, omdat het niet om een beweging naar een plaats gaat, maar om een verblijf op een plaats. in dem Schatten wordt dus im Schatten. Bij een beweging naar binnen kan bijvoorbeeld de accusatief staan: Wir gehen in den Schatten = “Wij gaan de schaduw in”. Schatten betekent hier “schaduw”. Het zelfstandig naamwoord is mannelijk: der Schatten; in deze vaste combinatie staat het in de datief: dem Schatten. Het meervoud heeft dezelfde vorm als het enkelvoud: die Schatten; het lidwoord maakt dan het verschil zichtbaar. bleiben betekent “blijven”: op dezelfde plaats of in dezelfde toestand blijven. Het is de infinitief die na können wordt gebruikt. De vervoegde vormen zijn bijvoorbeeld ich bleibe (“ik blijf”) en wir bleiben (“wij blijven”). Voor een verandering van plaats gebruikt het Duits eerder gehen: Wir bleiben hier = “Wij blijven hier”; Wir gehen dorthin = “Wij gaan daarheen”. Samen vormen de delen: Wir können + im Schatten + bleiben. De modale constructie drukt de mogelijkheid uit, im Schatten noemt de plaats, en bleiben benoemt de handeling. De volledige betekenis is daarom: “Wij kunnen in de schaduw blijven.”

  6. Die Bäume sollten uns kühl halten.

    De bomen zouden ons koel moeten houden.

    Bäume
    bomen
    sollten
    zouden moeten
    uns
    ons
    kühl
    koel
    halten
    houden
    Uitgebreide uitleg

    Bäume betekent hier “bomen”. Het is het meervoud van Baum (“boom”); de klinker verandert dus in het meervoud: Baum → Bäume. Het lidwoord Die staat ervoor en markeert hier het meervoud, maar zit niet in de geselecteerde quote. sollten komt van sollen. Hier drukt het samen met de infinitief halten uit dat de bomen ons koel zouden moeten houden. In deze betekenis is het de Konjunktiv-II-vorm van sollen voor het onderwerp Die Bäume (derde persoon meervoud). De vorm sollten kan ook de verleden tijd zijn van sollen; de vaste vertaling ondersteunt hier echter de betekenis “zouden moeten”. uns betekent hier “ons”. Het is de vorm van de eerste persoon meervoud en verwijst, volgens de vaste vertaling, naar de spreker plus minstens één andere persoon. Bij halten is uns het lijdend voorwerp: degenen die koel gehouden worden. uns heeft in het Duits dezelfde vorm voor accusatief en datief; hier bepaalt de constructie de functie. kühl betekent “koel”. Hier beschrijft het de toestand waarin uns gehouden wordt. Als predicatief bijvoeglijk naamwoord krijgt het in deze constructie geen uitgang: jemanden kühl halten = “iemand koel houden”. halten betekent hier “houden” in de betekenis “in een bepaalde toestand laten blijven”. Het is de infinitief die na het modale werkwoord sollten staat. Een bruikbaar patroon is jemanden/etwas + bijvoeglijk naamwoord + halten, bijvoorbeeld: Die Jacke hält mich warm. — “De jas houdt me warm.” Samen vormen de delen: Die Bäume (“de bomen”) + sollten (“zouden moeten”) + uns kühl halten (“ons koel houden”). De volledige betekenis is dus: “De bomen zouden ons koel moeten houden.”

  7. Ich bringe eine Flasche Wasser mit.

    Ik neem een fles water mee.

    Ich
    ik
    bringe … mit
    neem mee
    Flasche
    fles
    Wasser
    water
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier ik: de spreker is degene die iets meeneemt. Het is de eerste persoon enkelvoud; vergelijk in een ander voorbeeld Du bringst ... mit = Jij neemt ... mee, waar de vorm van het werkwoord bij du verandert. bringe ... mit komt van het scheidbare werkwoord mitbringen = meenemen. In deze hoofdzin staat het vervoegde deel bringe op de tweede zinsplaats en staat het deel mit aan het einde. bringe is de vorm voor ich in de tegenwoordige tijd. Voorbeeld: Ich bringe einen Regenschirm mit. — Ik neem een paraplu mee. Bij een bijzin kan de hele werkwoordsvorm samen aan het einde staan, bijvoorbeeld ..., weil ich einen Regenschirm mitbringe — ..., omdat ik een paraplu meeneem. eine Flasche betekent een fles. Flasche is een zelfstandig naamwoord en is vrouwelijk; daarom staat hier het onbepaalde lidwoord eine. Dat lidwoord markeert hier een niet nader bepaalde fles, niet noodzakelijk een expliciet aantal. De meervoudsvorm is Flaschen, bijvoorbeeld zwei Flaschen — twee flessen. Wasser betekent water. Het is een stofnaam die hier aangeeft wat er in de fles zit; Duits schrijft zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter. Voorbeeld: Ich trinke Wasser. — Ik drink water. Samen vormen de delen: Ich + bringe ... mit + eine Flasche Wasser. De volledige betekenis is: Ik neem een fles water mee. De scheidbare delen bringe en mit horen dus bij elkaar, terwijl eine Flasche Wasser het voorwerp benoemt dat wordt meegenomen.

  8. Die wird beim Spaziergang nützlich sein.

    Die zal tijdens de wandeling goed van pas komen.

    Die
    die (de fles)
    wird … sein
    zal ... zijn
    beim
    tijdens de
    Spaziergang
    wandeling
    nützlich
    nuttig
    Uitgebreide uitleg

    Die verwijst hier naar eine Flasche uit de vorige zin. Als zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord neemt het de grammaticale vorm van het bedoelde vrouwelijke enkelvoudige zelfstandig naamwoord over. Het betekent hier dus “die” en niet een algemene verwijzing naar een willekeurig eerder genoemd woord. wird ... sein vormt hier de toekomst: werden staat in de persoonsvorm en sein staat aan het einde als infinitief. wird is de vorm van werden voor de derde persoon enkelvoud; sein betekent “zijn”. Voorbeeld: Das wird hilfreich sein. — “Dat zal nuttig zijn.” In een bijzin kan de woordvolgorde anders worden, maar in deze hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede positie en de infinitief achteraan. beim is de vaste samentrekking van bei dem. bei geeft hier de situatie of gelegenheid aan; met een activiteit kan beim in het Nederlands vaak met “tijdens het” worden weergegeven. Voorbeeld: Beim Lernen höre ich Musik. — “Tijdens het leren luister ik naar muziek.” Spaziergang is een zelfstandig naamwoord voor een wandeling. Het is mannelijk: der Spaziergang; na bei staat hier de datief, waardoor dem in de samentrekking beim verschijnt. Een bruikbare vorm is spazieren gehen — “een wandeling maken” of letterlijk “gaan wandelen” — maar Spaziergang zelf is het zelfstandig naamwoord. nützlich is een bijvoeglijk naamwoord en betekent “nuttig” of “bruikbaar”. Het verandert hier niet van vorm, omdat het na sein als naamwoordelijk deel van het gezegde staat. Voorbeeld: Diese Tasche ist nützlich. — “Deze tas is nuttig.” Het tegenovergestelde is unnützlich, “onnuttig”, hoewel nicht nützlich ook gewoon mogelijk is. Samen betekent de zin: “Die zal tijdens de wandeling goed van pas komen.” Die is het onderwerp, wird ... sein plaatst de nuttigheid in de toekomst, beim Spaziergang geeft aan wanneer of bij welke gelegenheid, en nützlich beschrijft de verwachte eigenschap van dat voorwerp.

Grammatica

Imperativ: Bring + Objekt

Bring Wasser!

Bring vassa!

Breng water!

Bij een bevel staat het werkwoord vooraan; het onderwerp du wordt weggelaten.

aber trotzdem

aber trotzdem

aa-ber trotsdeem

maar toch

aber en trotzdem drukken samen een tegenstelling uit: iets geldt ondanks een eerder genoemd bezwaar.

Duits woordenschat

aber voegwoord
aa-ber maar
bleiben werkwoord
blaiben blijven
bringen werkwoord
bringen brengen Bring
draußen bijwoord
drau-sen buiten
gehen werkwoord
gee-en gaan
heiß bijvoeglijk naamwoord
hais heet
Schatten zelfstandig naamwoord
sjatten schaduw
Sonnenbrille zelfstandig naamwoord
zonnenbrille zonnebril
sonnig bijvoeglijk naamwoord
zonnich zonnig
Spaziergang zelfstandig naamwoord
sjpaatsierang wandeling
trotzdem bijwoord
trotsdeem toch
warm bijvoeglijk naamwoord
varm warm

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Het is zonnig buiten.

Antwoord tonenDraußen ist es sonnig.

Neem je zonnebril mee.

Antwoord tonenBring deine Sonnenbrille mit.

We kunnen in de schaduw blijven.

Antwoord tonenWir können im Schatten bleiben.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

zonnebril

Antwoord tonenSonnenbrille

toch

Antwoord tonentrotzdem

buiten

Antwoord tonendraußen

warm

Antwoord tonenwarm