Draußen
Draußen betekent hier ‘buiten’ en plaatst de situatie buiten. In Draußen ist es windig. staat de buitenlocatie vooraan. Nieuw voorbeeld: Draußen ist es kalt.
ist
ist betekent hier ‘is’ en verbindt de situatie met de beschrijving windig. Het is de vorm van sein die in Draußen ist es windig. wordt gebruikt. Nieuw voorbeeld: Das ist gut.
es
es betekent hier ‘het’ en is het onpersoonlijke onderwerp in de weersbeschrijving. In Draußen ist es windig. verwijst es niet naar een specifiek voorwerp. Nieuw voorbeeld: Heute ist es warm.
windig
windig betekent hier ‘winderig’ en beschrijft het weer buiten. Het woord staat in Draußen ist es windig. na ist. Nieuw voorbeeld: Am Meer ist es oft windig.
Halte
Halte betekent hier ‘houd vast’ en geeft een directe instructie om de hoed vast te houden. In Halte deinen Hut mit einer Hand fest. hoort Halte bij fest; samen drukken ze het vasthouden uit. Nieuw voorbeeld: Halte die Tür fest.
deinen
deinen betekent hier ‘je’ of ‘jouw’ en geeft aan dat de hoed van de aangesprokene is. In Halte deinen Hut met een hand staat deinen direct voor Hut. Nieuw voorbeeld: Nimm deinen Schlüssel.
Hut
Hut betekent ‘hoed’ en is het voorwerp dat met één hand wordt vastgehouden. In Halte deinen Hut mit einer Hand fest. staat het na deinen. Nieuw voorbeeld: Mein Hut ist neu.
mit
mit betekent hier ‘met’ en geeft aan waarmee de handeling wordt uitgevoerd. In mit einer Hand volgt na mit de groep einer Hand. Nieuw voorbeeld: Ich schreibe mit einem Stift.
einer
einer betekent hier ‘één’ in de woordgroep einer Hand. Na mit staat deze vorm vóór Hand en vormt hij samen de betekenis ‘met één hand’. Nieuw voorbeeld: Ich komme mit einer Freundin.
Hand
Hand betekent ‘hand’ en noemt het lichaamsdeel waarmee de hoed wordt vastgehouden. In mit einer Hand staat Hand na einer. Nieuw voorbeeld: Meine Hand ist kalt.
fest
fest betekent hier ‘vast’ of ‘stevig’ en maakt met Halte de instructie om de hoed vast te houden compleet. In Halte deinen Hut mit einer Hand fest. staat fest aan het einde. Nieuw voorbeeld: Halte dich fest.
Die
Die betekent hier ‘de’ en hoort bij het meervoudige onderwerp Die Bäume. Het staat aan het begin van Die Bäume bewegen sich stark. Nieuw voorbeeld: Die Kinder spielen draußen.
Bäume
Bäume betekent ‘bomen’ en zijn in de dialoog zichtbaar in de wind. Het is het onderwerp in Die Bäume bewegen sich stark. Nieuw voorbeeld: Die Bäume sind groß.
bewegen
bewegen betekent hier ‘bewegen’ of ‘in beweging zijn’. In Die Bäume bewegen sich stark. beschrijft het samen met sich dat de bomen zelf bewegen. Nieuw voorbeeld: Die Blätter bewegen sich im Wind.
sich
sich hoort hier bij bewegen en laat zien dat de bomen zelf in beweging zijn. In Die Bäume bewegen sich stark. staat sich direct na bewegen. Nieuw voorbeeld: Die Tür bewegt sich langsam.
stark
stark betekent hier ‘sterk’ en versterkt de beschrijving van hoe sterk de bomen bewegen. In Die Bäume bewegen sich stark. staat het na sich. Nieuw voorbeeld: Der Wind weht stark.
Der
Der betekent hier ‘de’ en hoort bij Wind in de zin over de wind bij de straat. In Der Wind ist an der Straße stärker. staat Der voor het zelfstandig naamwoord. Nieuw voorbeeld: Der Regen ist stark.
Wind
Wind betekent ‘wind’ en is het onderwerp waarvan de sterkte wordt beschreven. In Der Wind ist an der Straße stärker. wordt de wind vergeleken met de situatie elders. Nieuw voorbeeld: Der Wind ist kalt.
an
an betekent hier ‘aan’ of ‘bij’ en geeft de locatie bij de straat aan. In an der Straße staat an samen met der Straße als plaatsaanduiding. Nieuw voorbeeld: Wir warten an der Tür.
Straße
Straße betekent ‘straat’ en noemt de plaats waar de wind sterker is. In Der Wind ist an der Straße stärker. staat het na der. Nieuw voorbeeld: Die Straße ist nass.
stärker
stärker betekent ‘sterker’ en geeft aan dat de wind bij de straat sterker is dan op een andere plek. Het is de vorm die in Der Wind ist an der Straße stärker. wordt gebruikt. Nieuw voorbeeld: Heute ist der Wind stärker.
Sollen
Sollen betekent hier ‘zullen we’ of ‘zouden we moeten’ en maakt van de zin een voorstel om langzamer te lopen. In Sollen wir langsamer gehen? staat Sollen aan het begin van de vraag. Nieuw voorbeeld: Sollen wir jetzt gehen?
wir
wir betekent ‘we’ en verwijst in Sollen wir langsamer gehen? naar de spreker en de andere persoon samen. Het staat direct na Sollen. Nieuw voorbeeld: Wir gehen nach Hause.
langsamer
langsamer betekent ‘langzamer’ en beschrijft hoe de twee personen willen lopen. In Sollen wir langsamer gehen? hoort het bij gehen. Nieuw voorbeeld: Bitte sprich langsamer.
gehen
gehen betekent hier ‘gaan’ of ‘lopen’, omdat de personen buiten te voet zijn. In Sollen wir langsamer gehen? staat het na de andere werkwoordsvorm; in Lass uns an der Straße langsamer gehen. staat het ook als onderdeel van het voorstel. Nieuw voorbeeld: Wir gehen nach Hause.
Lass
Lass betekent hier ‘laten we’ en leidt het voorstel in om langzamer te gaan. In Lass uns an der Straße langsamer gehen. vormt Lass uns samen een uitnodiging tot een gezamenlijke handeling. Nieuw voorbeeld: Lass uns anfangen.
uns
uns betekent hier ‘ons’ en verwijst naar de spreker en de aangesprokene samen. In Lass uns an der Straße langsamer gehen. staat uns na Lass. Nieuw voorbeeld: Lass uns zusammen gehen.
Ich
Ich betekent ‘ik’ en verwijst naar de spreker die haar of zijn tas zal vasthouden. In Ich halte meine Tasche auch nah bei mir. staat Ich aan het begin. Nieuw voorbeeld: Ich komme später.
meine
meine betekent hier ‘mijn’ en geeft aan dat de tas van de spreker is. In meine Tasche staat meine direct voor Tasche. Nieuw voorbeeld: Das ist meine Jacke.
Tasche
Tasche betekent ‘tas’ en is het voorwerp dat dicht bij de spreker wordt gehouden. In Ich halte meine Tasche auch nah bei mir. staat Tasche na meine. Nieuw voorbeeld: Meine Tasche ist schwer.
auch
auch betekent ‘ook’ en voegt het vasthouden van de tas toe aan de eerdere handeling met de hoed. In Ich halte meine Tasche auch nah bei mir. staat het midden in de zin. Nieuw voorbeeld: Ich komme auch.
nah
nah betekent hier ‘dichtbij’ en beschrijft dat de tas dicht bij de spreker blijft. In nah bei mir hoort nah bij de daaropvolgende plaatsaanduiding. Nieuw voorbeeld: Bleib nah bei mir.
bei
bei betekent hier ‘bij’ en geeft in nah bei mir het referentiepunt aan: de tas blijft bij de spreker. In bei mir staat bei direct voor mir. Nieuw voorbeeld: Bleib bei mir.
mir
mir betekent hier ‘mij’ en verwijst naar de spreker in de uitdrukking nah bei mir. De tas wordt dus dicht bij deze persoon gehouden. Nieuw voorbeeld: Komm zu mir.
Das
Das betekent hier ‘dat’ en verwijst naar de vorige handeling: de tas dicht bij de spreker houden. In Das sollte verhindern, dass meine Tasche aufgeht. staat Das als onderwerp van de volgende uitspraak. Nieuw voorbeeld: Das ist eine gute Idee.
sollte
sollte betekent hier ‘zou moeten’ en drukt een verwachte werking uit: het vasthouden zou moeten voorkomen dat de tas opengaat. In Das sollte verhindern, dass meine Tasche aufgeht. staat sollte vóór verhindern. Nieuw voorbeeld: Das sollte helfen.
verhindern
verhindern betekent ‘voorkomen’ en beschrijft het doel van de handeling met de tas. In Das sollte verhindern, dass meine Tasche aufgeht. volgt daarna een dass-zin die benoemt wat voorkomen moet worden. Nieuw voorbeeld: Das kann Unfälle verhindern.
dass
dass betekent hier ‘dat’ en leidt de bijzin in die uitlegt wat voorkomen moet worden. In dass meine Tasche aufgeht. staat dass aan het begin van deze bijzin. Nieuw voorbeeld: Ich hoffe, dass es klappt.
aufgeht
aufgeht betekent hier ‘opengaat’ en beschrijft dat de tas door de wind open zou kunnen gaan. Het staat aan het einde van dass meine Tasche aufgeht. Nieuw voorbeeld: Die Tür geht auf.