Sterke wind buiten | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: Outside, two adults talk about strong wind and walking more slowly near the street..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Sterke wind buiten oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Draußen ist es windig.

Drau-sun ist es vindich. Het waait buiten.
B

Halte deinen Hut mit einer Hand fest.

Haltuh daainun hoet mit aainuh hant fest. Houd je hoed met één hand vast.
A

Die Bäume bewegen sich stark.

Die boi-muh beh-vee-gun zich sjtaark. De bomen bewegen veel.
B

Der Wind ist an der Straße stärker.

Dea vint ist an dea sjtraasuh sjterkur. De wind is sterker bij de straat.
A

Sollen wir langsamer gehen?

Zollun vie-uh langzaamu gee-un? Zullen we langzamer lopen?
B

Lass uns an der Straße langsamer gehen.

Las oens an dea sjtraasuh langzaamu gee-un. Laten we bij de straat langzamer lopen.
A

Ich halte meine Tasche auch nah bei mir.

Iesj haltuh maainuh tasjuh auch naa baai mie-uh. Ik houd mijn tas ook dicht bij me.
B

Das sollte verhindern, dass meine Tasche aufgeht.

Das zolltuh fea-hindun, das maainuh tasjuh auf-geet. Dat zou moeten voorkomen dat mijn tas openwaait.

Woord voor woord

Draußen Draußen betekent hier ‘buiten’ en plaatst de situatie buiten. In Draußen ist es windig. staat de buitenlocatie vooraan. Nieuw voorbeeld: Draußen ist es kalt.
ist ist betekent hier ‘is’ en verbindt de situatie met de beschrijving windig. Het is de vorm van sein die in Draußen ist es windig. wordt gebruikt. Nieuw voorbeeld: Das ist gut.
es es betekent hier ‘het’ en is het onpersoonlijke onderwerp in de weersbeschrijving. In Draußen ist es windig. verwijst es niet naar een specifiek voorwerp. Nieuw voorbeeld: Heute ist es warm.
windig windig betekent hier ‘winderig’ en beschrijft het weer buiten. Het woord staat in Draußen ist es windig. na ist. Nieuw voorbeeld: Am Meer ist es oft windig.
Halte Halte betekent hier ‘houd vast’ en geeft een directe instructie om de hoed vast te houden. In Halte deinen Hut mit einer Hand fest. hoort Halte bij fest; samen drukken ze het vasthouden uit. Nieuw voorbeeld: Halte die Tür fest.
deinen deinen betekent hier ‘je’ of ‘jouw’ en geeft aan dat de hoed van de aangesprokene is. In Halte deinen Hut met een hand staat deinen direct voor Hut. Nieuw voorbeeld: Nimm deinen Schlüssel.
Hut Hut betekent ‘hoed’ en is het voorwerp dat met één hand wordt vastgehouden. In Halte deinen Hut mit einer Hand fest. staat het na deinen. Nieuw voorbeeld: Mein Hut ist neu.
mit mit betekent hier ‘met’ en geeft aan waarmee de handeling wordt uitgevoerd. In mit einer Hand volgt na mit de groep einer Hand. Nieuw voorbeeld: Ich schreibe mit einem Stift.
einer einer betekent hier ‘één’ in de woordgroep einer Hand. Na mit staat deze vorm vóór Hand en vormt hij samen de betekenis ‘met één hand’. Nieuw voorbeeld: Ich komme mit einer Freundin.
Hand Hand betekent ‘hand’ en noemt het lichaamsdeel waarmee de hoed wordt vastgehouden. In mit einer Hand staat Hand na einer. Nieuw voorbeeld: Meine Hand ist kalt.
fest fest betekent hier ‘vast’ of ‘stevig’ en maakt met Halte de instructie om de hoed vast te houden compleet. In Halte deinen Hut mit einer Hand fest. staat fest aan het einde. Nieuw voorbeeld: Halte dich fest.
Die Die betekent hier ‘de’ en hoort bij het meervoudige onderwerp Die Bäume. Het staat aan het begin van Die Bäume bewegen sich stark. Nieuw voorbeeld: Die Kinder spielen draußen.
Bäume Bäume betekent ‘bomen’ en zijn in de dialoog zichtbaar in de wind. Het is het onderwerp in Die Bäume bewegen sich stark. Nieuw voorbeeld: Die Bäume sind groß.
bewegen bewegen betekent hier ‘bewegen’ of ‘in beweging zijn’. In Die Bäume bewegen sich stark. beschrijft het samen met sich dat de bomen zelf bewegen. Nieuw voorbeeld: Die Blätter bewegen sich im Wind.
sich sich hoort hier bij bewegen en laat zien dat de bomen zelf in beweging zijn. In Die Bäume bewegen sich stark. staat sich direct na bewegen. Nieuw voorbeeld: Die Tür bewegt sich langsam.
stark stark betekent hier ‘sterk’ en versterkt de beschrijving van hoe sterk de bomen bewegen. In Die Bäume bewegen sich stark. staat het na sich. Nieuw voorbeeld: Der Wind weht stark.
Der Der betekent hier ‘de’ en hoort bij Wind in de zin over de wind bij de straat. In Der Wind ist an der Straße stärker. staat Der voor het zelfstandig naamwoord. Nieuw voorbeeld: Der Regen ist stark.
Wind Wind betekent ‘wind’ en is het onderwerp waarvan de sterkte wordt beschreven. In Der Wind ist an der Straße stärker. wordt de wind vergeleken met de situatie elders. Nieuw voorbeeld: Der Wind ist kalt.
an an betekent hier ‘aan’ of ‘bij’ en geeft de locatie bij de straat aan. In an der Straße staat an samen met der Straße als plaatsaanduiding. Nieuw voorbeeld: Wir warten an der Tür.
Straße Straße betekent ‘straat’ en noemt de plaats waar de wind sterker is. In Der Wind ist an der Straße stärker. staat het na der. Nieuw voorbeeld: Die Straße ist nass.
stärker stärker betekent ‘sterker’ en geeft aan dat de wind bij de straat sterker is dan op een andere plek. Het is de vorm die in Der Wind ist an der Straße stärker. wordt gebruikt. Nieuw voorbeeld: Heute ist der Wind stärker.
Sollen Sollen betekent hier ‘zullen we’ of ‘zouden we moeten’ en maakt van de zin een voorstel om langzamer te lopen. In Sollen wir langsamer gehen? staat Sollen aan het begin van de vraag. Nieuw voorbeeld: Sollen wir jetzt gehen?
wir wir betekent ‘we’ en verwijst in Sollen wir langsamer gehen? naar de spreker en de andere persoon samen. Het staat direct na Sollen. Nieuw voorbeeld: Wir gehen nach Hause.
langsamer langsamer betekent ‘langzamer’ en beschrijft hoe de twee personen willen lopen. In Sollen wir langsamer gehen? hoort het bij gehen. Nieuw voorbeeld: Bitte sprich langsamer.
gehen gehen betekent hier ‘gaan’ of ‘lopen’, omdat de personen buiten te voet zijn. In Sollen wir langsamer gehen? staat het na de andere werkwoordsvorm; in Lass uns an der Straße langsamer gehen. staat het ook als onderdeel van het voorstel. Nieuw voorbeeld: Wir gehen nach Hause.
Lass Lass betekent hier ‘laten we’ en leidt het voorstel in om langzamer te gaan. In Lass uns an der Straße langsamer gehen. vormt Lass uns samen een uitnodiging tot een gezamenlijke handeling. Nieuw voorbeeld: Lass uns anfangen.
uns uns betekent hier ‘ons’ en verwijst naar de spreker en de aangesprokene samen. In Lass uns an der Straße langsamer gehen. staat uns na Lass. Nieuw voorbeeld: Lass uns zusammen gehen.
Ich Ich betekent ‘ik’ en verwijst naar de spreker die haar of zijn tas zal vasthouden. In Ich halte meine Tasche auch nah bei mir. staat Ich aan het begin. Nieuw voorbeeld: Ich komme später.
meine meine betekent hier ‘mijn’ en geeft aan dat de tas van de spreker is. In meine Tasche staat meine direct voor Tasche. Nieuw voorbeeld: Das ist meine Jacke.
Tasche Tasche betekent ‘tas’ en is het voorwerp dat dicht bij de spreker wordt gehouden. In Ich halte meine Tasche auch nah bei mir. staat Tasche na meine. Nieuw voorbeeld: Meine Tasche ist schwer.
auch auch betekent ‘ook’ en voegt het vasthouden van de tas toe aan de eerdere handeling met de hoed. In Ich halte meine Tasche auch nah bei mir. staat het midden in de zin. Nieuw voorbeeld: Ich komme auch.
nah nah betekent hier ‘dichtbij’ en beschrijft dat de tas dicht bij de spreker blijft. In nah bei mir hoort nah bij de daaropvolgende plaatsaanduiding. Nieuw voorbeeld: Bleib nah bei mir.
bei bei betekent hier ‘bij’ en geeft in nah bei mir het referentiepunt aan: de tas blijft bij de spreker. In bei mir staat bei direct voor mir. Nieuw voorbeeld: Bleib bei mir.
mir mir betekent hier ‘mij’ en verwijst naar de spreker in de uitdrukking nah bei mir. De tas wordt dus dicht bij deze persoon gehouden. Nieuw voorbeeld: Komm zu mir.
Das Das betekent hier ‘dat’ en verwijst naar de vorige handeling: de tas dicht bij de spreker houden. In Das sollte verhindern, dass meine Tasche aufgeht. staat Das als onderwerp van de volgende uitspraak. Nieuw voorbeeld: Das ist eine gute Idee.
sollte sollte betekent hier ‘zou moeten’ en drukt een verwachte werking uit: het vasthouden zou moeten voorkomen dat de tas opengaat. In Das sollte verhindern, dass meine Tasche aufgeht. staat sollte vóór verhindern. Nieuw voorbeeld: Das sollte helfen.
verhindern verhindern betekent ‘voorkomen’ en beschrijft het doel van de handeling met de tas. In Das sollte verhindern, dass meine Tasche aufgeht. volgt daarna een dass-zin die benoemt wat voorkomen moet worden. Nieuw voorbeeld: Das kann Unfälle verhindern.
dass dass betekent hier ‘dat’ en leidt de bijzin in die uitlegt wat voorkomen moet worden. In dass meine Tasche aufgeht. staat dass aan het begin van deze bijzin. Nieuw voorbeeld: Ich hoffe, dass es klappt.
aufgeht aufgeht betekent hier ‘opengaat’ en beschrijft dat de tas door de wind open zou kunnen gaan. Het staat aan het einde van dass meine Tasche aufgeht. Nieuw voorbeeld: Die Tür geht auf.

Grammatica

dass + Subjekt + ... + Verb am Satzende

Der Wind verhindert, dass die Tasche aufgeht.

Dea vint fea-hindut, das die tasjuh auf-geet.

De wind voorkomt dat de tas opengaat.

Na „dass“ staat het vervoegde werkwoord achteraan in de bijzin: „dass die Tasche aufgeht“.

Duits woordenschat

Baum zelfstandig naamwoord
baoum boom Bäume
bewegen werkwoord
beh-vee-gun bewegen bewegen sich
draußen bijwoord
drau-sun buiten
halten werkwoord
haltun vasthouden Halte
Hand zelfstandig naamwoord
hant hand
Hut zelfstandig naamwoord
hoet hoed
stark bijwoord
sjtaark sterk
stärker bijvoeglijk naamwoord
sjterkur sterker
Straße zelfstandig naamwoord
sjtraasuh straat
Wind zelfstandig naamwoord
vint wind
windig bijvoeglijk naamwoord
vindich winderig
wir voornaamwoord
vie-uh we

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Het waait buiten.

Antwoord tonenDraußen ist es windig.

De bomen bewegen veel.

Antwoord tonenDie Bäume bewegen sich stark.

Zullen we langzamer lopen?

Antwoord tonenSollen wir langsamer gehen?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

buiten

Antwoord tonendraußen

boom

Antwoord tonenBäume

wind

Antwoord tonenWind

sterk

Antwoord tonenstark