De lijst controleren | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At home, two adults check a list for setting a table and notice that one spoon is still needed..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met De lijst controleren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Schauen wir uns die Liste an.

sjauwen wier oens die liss-tuh an Laten we naar de lijst kijken.
B

Ich habe sie hier.

iech haabuh zie hier Ik heb hem hier.
A

Sind die Tassen schon bereit?

zint die tassuh(n) sjohn buh-rait Zijn de kopjes klaar?
B

Ich habe sie alle gespült.

iech haabuh zie alluh guh-sjpuult Ik heb ze allemaal afgewassen.
A

Fehlt etwas?

feelt et-vas Ontbreekt er iets?
B

Wir brauchen noch einen Löffel.

wier braaugen nog ainuh(n) leuful We hebben nog één lepel nodig.
A

Ich kann noch einen holen.

iech kan nog ainuh(n) hooluh(n) Ik kan er nog een halen.
B

Dann ist der Tisch gedeckt.

dan ist dehr tisj guh-dekt Dan is de tafel gedekt.

Woord voor woord

Schauen Schauen betekent hier “laten we kijken” in het voorstel om de lijst te bekijken. De infinitiefvorm is schauen; Schauen staat aan het begin van de zin en is daarom met een hoofdletter geschreven. Je gebruikt deze vorm wanneer je samen met iemand iets wilt bekijken.
wir wir betekent hier “we” en is degene die samen met iemand de handeling uitvoert. In Schauen wir ... an maakt wir duidelijk dat het om een gezamenlijk voorstel gaat. Je gebruikt wir als onderwerp wanneer jij en minstens één andere persoon iets doen.
uns uns betekent hier “ons” en verwijst naar de mensen die de lijst bekijken. In Schauen wir uns die Liste an staat uns als object bij de handeling van het bekijken. Je gebruikt dit soort patroon wanneer je samen naar iets kijkt of iets onderzoekt.
die die betekent hier “de” in die Liste en hoort bij het bekende voorwerp waarnaar gekeken wordt. Het staat direct voor Liste. Je gebruikt die om in deze context naar een specifieke, bekende lijst te verwijzen.
Liste Liste betekent “lijst” en is het voorwerp dat de twee personen bekijken. In die Liste verwijst het naar de lijst met benodigdheden. Je gebruikt Liste bijvoorbeeld voor een boodschappenlijst of een controlelijst.
an an is hier het scheidbare deel van de uitdrukking Schauen wir uns die Liste an en draagt bij aan de betekenis “bekijken”. In deze zin staat an aan het einde. Je gebruikt dit deel wanneer je naar een concreet voorwerp kijkt.
Ich Ich betekent “ik” en is de persoon die de lijst bij zich heeft. In Ich habe sie hier geeft Ich aan wie iets heeft. Je gebruikt Ich wanneer je over jezelf spreekt als onderwerp van de zin.
habe habe betekent hier “heb” in Ich habe sie hier en drukt bezit of beschikbaarheid uit. De infinitiefvorm is haben; habe is de vorm die hier bij Ich staat. Je gebruikt Ich habe ... om te zeggen dat je iets hebt of bij je hebt.
sie sie verwijst in Ich habe sie hier naar de eerder genoemde lijst en betekent daar “die”. In Ich habe sie alle gespült verwijst dezelfde vorm naar de kopjes en betekent ze “ze”. De betekenis hangt hier af van het zelfstandig naamwoord waarnaar sie terugverwijst.
hier hier betekent “hier” en geeft de plaats aan waar de lijst zich bevindt. In Ich habe sie hier zegt de spreker dat hij de lijst op deze plek heeft. Je gebruikt hier om naar de huidige plaats te verwijzen.
Sind Sind betekent hier “zijn” in de vraag Sind die Tassen schon bereit? en vraagt naar de toestand van de kopjes. De infinitiefvorm is sein; Sind is de vorm die vooraan in deze vraag staat. Je gebruikt deze woordvolgorde om een ja-neevraag over een toestand te stellen.
Tassen Tassen betekent “kopjes” en verwijst naar de kopjes die voor de tafel nodig zijn. De enkelvoudige vorm is Tasse; Tassen is hier de meervoudsvorm. Je gebruikt Tassen voor meerdere kopjes, bijvoorbeeld bij het dekken van een tafel.
schon schon betekent hier “al” in Sind die Tassen schon bereit? en vraagt of de kopjes inmiddels klaar zijn. Het staat vóór bereit en geeft aan dat je naar een verwachte of al mogelijke toestand vraagt. Je gebruikt schon wanneer je controleert of iets inmiddels gebeurd of klaar is.
bereit bereit betekent “klaar” en beschrijft in Sind die Tassen schon bereit? de toestand van de kopjes. Het staat na Sind en verwijst naar hun gereedheid. Je gebruikt bereit om te zeggen dat iets voorbereid is voor het volgende doel.
alle alle betekent hier “allemaal” en verwijst naar alle kopjes. In Ich habe sie alle gespült maakt alle duidelijk dat geen van de genoemde kopjes is overgeslagen. Je gebruikt alle wanneer je naar de volledige groep van eerder genoemde dingen verwijst.
gespült gespült betekent hier “afgewassen” of “gespoeld” in Ich habe sie alle gespült. De infinitiefvorm is spülen; gespült is de vorm die de afgeronde handeling van het wassen van de kopjes beschrijft. Je gebruikt dit bij vaat of andere dingen die met water worden schoongemaakt.
Fehlt Fehlt betekent hier “ontbreekt” in de vraag Fehlt etwas? en controleert of er iets niet aanwezig is. De infinitiefvorm is fehlen; Fehlt staat vooraan omdat het een vraag is. Je gebruikt deze vorm wanneer je een lijst, verzameling of voorbereiding op ontbrekende dingen controleert.
etwas etwas betekent hier “iets” en maakt de vraag Fehlt etwas? algemeen: de spreker vraagt of er überhaupt iets ontbreekt. Het verwijst niet naar één specifiek genoemd voorwerp. Je gebruikt etwas wanneer je naar een onbepaald ding verwijst.
brauchen brauchen betekent “nodig hebben” in Wir brauchen noch einen Löffel. Het krijgt hier het voorwerp einen Löffel: dat is wat nog nodig is. Je gebruikt brauchen met het voorwerp of de hulpbron die iemand nodig heeft.
noch noch betekent in Wir brauchen noch einen Löffel “nog” en geeft aan dat er aanvullend een lepel nodig is. In Ich kann noch einen holen betekent het “nog een” of “een extra exemplaar”. Je gebruikt noch wanneer iets blijft ontbreken of wanneer je iets extra’s toevoegt.
einen einen verwijst in Wir brauchen noch einen Löffel naar één lepel. In Ich kann noch einen holen staat het zelfstandig en verwijst het naar nog een lepel zonder het zelfstandig naamwoord te herhalen. De basisvorm van het lidwoord is ein; in de dialoog staat de vorm einen.
Löffel Löffel betekent “lepel” en is het voorwerp dat nog nodig is om de tafel compleet te maken. In einen Löffel verwijst het naar één exemplaar van dit bestek. Je gebruikt Löffel voor een lepel bij eten of het dekken van een tafel.
kann kann betekent hier “kan” in Ich kann noch einen holen en drukt de mogelijkheid of bereidheid uit om nog een lepel te halen. De infinitiefvorm is können; kann is de vorm die hier bij Ich staat. Je gebruikt kann met een handeling aan het einde van de zin wanneer je zegt wat je kunt doen.
holen holen betekent hier “halen” of “gaan halen” in Ich kann noch einen holen. Het beschrijft dat de spreker een extra lepel gaat pakken en meebrengen. Je gebruikt holen wanneer je iets ergens gaat ophalen of pakken.
Dann Dann betekent “dan” en verbindt het halen van de lepel met het gevolg dat de tafel klaar is. In Dann ist der Tisch gedeckt verwijst het naar het moment na die handeling. Je gebruikt dann om een volgende stap of een gevolg in de tijd aan te geven.
ist ist betekent hier “is” en beschrijft de toestand van de tafel in Dann ist der Tisch gedeckt. De infinitiefvorm is sein; ist is de vorm die hier bij der Tisch staat. Je gebruikt ist om een huidige toestand of situatie te beschrijven.
Tisch Tisch betekent “tafel” en is hier de tafel die voor de maaltijd wordt klaargemaakt. In der Tisch is het onderwerp van de beschrijving van de eindtoestand. Je gebruikt Tisch voor een tafel waaraan mensen zitten of waarop iets wordt klaargezet.
gedeckt gedeckt betekent hier “gedekt” of “klaargezet” in Dann ist der Tisch gedeckt. De infinitiefvorm is decken; gedeckt beschrijft hier het resultaat van het plaatsen van de benodigde tafelspullen. Je gebruikt deze vorm om te zeggen dat een tafel klaar is voor een maaltijd.

Grammatica

scheidbaar werkwoord: anschauen → ... anschauen

Wir schauen die Liste an.

wier sjauwen die liss-tuh an

We bekijken de lijst.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel in een hoofdzin achteraan: schauen ... an.

Duits woordenschat

alle voornaamwoord
alluh allemaal

Ich habe sie alle gespült.

anschauen werkwoord
an-sjauwen bekijken Schauen ... an

Schauen wir uns die Liste an.

bereit bijvoeglijk naamwoord
buh-rait klaar

Sind die Tassen schon bereit?

brauchen werkwoord
braaugen nodig hebben

Wir brauchen noch einen Löffel.

etwas voornaamwoord
et-vas iets

Fehlt etwas?

fehlen werkwoord
feeluh(n) ontbreken Fehlt

Fehlt etwas?

haben werkwoord
haa-buh(n) hebben habe

Ich habe sie hier.

hier bijwoord
hier hier

Ich habe sie hier.

Liste zelfstandig naamwoord
liss-tuh lijst die Liste

Schauen wir uns die Liste an.

schon bijwoord
sjohn al

Sind die Tassen schon bereit?

spülen werkwoord
sjpuuluh(n) afwassen gespült

Ich habe sie alle gespült.

Tasse zelfstandig naamwoord
tassuh kopje Tassen

Sind die Tassen schon bereit?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Laten we naar de lijst kijken.

Antwoord tonenSchauen wir uns die Liste an.

Ik heb hem hier.

Antwoord tonenIch habe sie hier.

Zijn de kopjes klaar?

Antwoord tonenSind die Tassen schon bereit?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

hebben

Antwoord tonenhabe

klaar

Antwoord tonenbereit

afwassen

Antwoord tonengespült

allemaal

Antwoord tonenalle