Welche
„Welche“ betekent hier „welke” en vraagt om een keuze uit de beschikbare tassen. In „Welche Tasche soll ich wählen?“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt deze vorm wanneer je naar één keuze uit meerdere mogelijkheden vraagt.
Tasche
„Tasche“ betekent hier „tas”, het voorwerp waaruit gekozen wordt. Het woord staat in „Welche Tasche“ en „eine Tasche“ telkens na een bepalend woord. Je kunt het gebruiken wanneer je een tas benoemt of naar een tas vraagt.
soll
„soll“ drukt hier uit wat de spreker volgens iemand of volgens de situatie zou moeten kiezen. In „Welche Tasche soll ich wählen?“ staat het vóór de persoon en de handeling; de vorm hoort bij „sollen“. Je gebruikt deze constructie om advies over een keuze te vragen.
Ich
„Ich“ betekent „ik” en verwijst in deze zin naar de persoon die de keuze maakt. In „Welche Tasche soll ich wählen?“ is „Ich“ degene die de handeling uitvoert. Je gebruikt het om naar jezelf te verwijzen.
wählen
„wählen“ betekent hier „kiezen” en benoemt de handeling waarover de spreker advies vraagt. In „Welche Tasche soll ich wählen?“ staat het als infinitief na „soll“. Je gebruikt het met een object wanneer je tussen mogelijkheden kiest.
Diese
„Diese“ betekent hier „deze” en verwijst naar de aangewezen tas. In „Diese ist leicht.“ staat het zelfstandig en vervangt het de herhaalde naam van het voorwerp. Je gebruikt het om één concreet aangewezen voorwerp te benoemen.
ist
„ist“ betekent hier „is” en verbindt de tas met de eigenschap „leicht“. In „Diese ist leicht.“ is het de vorm van „sein“ die bij de zin hoort. Je gebruikt de constructie om een eigenschap van iets te beschrijven.
leicht
„leicht“ betekent hier „licht” in gewicht: de ene tas weegt niet veel. In „Diese ist leicht.“ beschrijft het een eigenschap van de tas. Je kunt het gebruiken om het gewicht van een voorwerp te beschrijven.
Die
„Die“ heeft in deze dialoog twee functies: aan het begin van „Die andere Tasche“ verwijst het naar de andere tas, en in „die Fächer“ hoort het bij de genoemde vakken. De betekenis hangt dus af van het zelfstandig naamwoord of de eerdere verwijzing. Je gebruikt deze vorm om een bekend of aangewezen ding te benoemen.
andere
„andere“ betekent hier „andere” en onderscheidt de tweede tas van de tas die al besproken is. In „Die andere Tasche sieht stabiler aus.“ staat het vóór „Tasche“. Je gebruikt „andere“ wanneer je één optie tegenover een al genoemde optie plaatst.
sieht
„sieht“ draagt in „sieht stabiler aus“ samen met „aus“ de betekenis „ziet eruit”. Het zegt dat de tas de indruk wekt steviger te zijn. Je gebruikt deze uitdrukking om het zichtbare uiterlijk of de indruk van een voorwerp te beschrijven.
stabiler
„stabiler“ betekent hier „stabieler” of „steviger” en vergelijkt de andere tas met de eerste tas. In „sieht stabiler aus“ is dit de vergrotende vorm van „stabil“. Je gebruikt deze vorm wanneer iets steviger lijkt dan een andere optie.
aus
„aus“ vormt hier samen met „sieht“ de uitdrukking „sieht stabiler aus“: „ziet er steviger uit”. In deze zin staat „aus“ aan het einde van de uitdrukking. Je gebruikt dit patroon om te zeggen hoe iets eruitziet of welke indruk het maakt.
Sie
„Sie“ betekent hier „ze” of „die tas” en verwijst terug naar „Die andere Tasche“. In „Sie hat auch zwei Fächer.“ voorkomt het dat „Tasche“ opnieuw wordt herhaald. Je gebruikt zo’n voornaamwoord nadat het bedoelde voorwerp al genoemd is.
hat
„hat“ betekent hier „heeft” en vermeldt dat de tas twee vakken bezit. In „Sie hat auch zwei Fächer.“ is het de vorm van „haben“. Je gebruikt deze constructie om eigenschappen of onderdelen van een voorwerp te noemen.
auch
„auch“ betekent hier „ook” en voegt de twee vakken toe aan de andere genoemde eigenschappen van de tas. In „Sie hat auch zwei Fächer.“ staat het vóór wat erbij komt. Je gebruikt het om extra informatie aan een eerdere mededeling toe te voegen.
Fächer
„Fächer“ betekent hier „vakken” of „compartimenten” in een tas. In „zwei Fächer“ benoemt het de twee opbergvakken. Je gebruikt het wanneer je de afzonderlijke vakken van een tas beschrijft.
brauche
„brauche“ betekent hier „heb nodig” en drukt de behoefte van de spreker aan een tas uit. In „Ich brauche eine Tasche für die Arbeit.“ is het de vorm van „brauchen“ bij „Ich“. Je gebruikt „brauchen“ met datgene wat je nodig hebt.
eine
„eine“ betekent hier „een” en introduceert een nog niet specifiek gekozen tas. In „eine Tasche“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt deze combinatie wanneer je over één niet nader bepaalde tas spreekt.
für
„für“ betekent hier „voor” en geeft het doel van de tas aan: „für die Arbeit“. Het verbindt de tas met het gebruik waarvoor die nodig is. Je gebruikt „für“ om een doel of bestemming aan te geven.
Arbeit
„Arbeit“ betekent hier „werk” en benoemt het doel waarvoor de tas nodig is. In „für die Arbeit“ verwijst het naar de werkzaamheden van de spreker. Je gebruikt het in deze combinatie wanneer je zegt dat iets voor het werk bedoeld is.
Dann
„Dann“ betekent hier „dan” en leidt de conclusie uit de informatie over het werk in. In „Dann ist die stabilere Tasche eine gute Wahl.“ staat het aan het begin van de reactie. Je gebruikt het om een gevolgtrekking of beslissing in te leiden.
stabilere
„stabilere“ betekent hier „stabielere” of „stevigere” en verwijst naar de tas die in vergelijking sterker lijkt. In „die stabilere Tasche“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord; het is de vergrotende vorm van „stabil“. Je gebruikt deze vorm om de gekozen optie met een andere optie te vergelijken.
gute
„gute“ betekent hier „goede” en beschrijft „Wahl“ als een passende beslissing. In „eine gute Wahl“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt deze combinatie om een keuze positief te beoordelen.
Wahl
„Wahl“ betekent hier „keuze” en verwijst naar de beslissing om de stevigere tas te nemen. In „eine gute Wahl“ wordt de keuze als passend beoordeeld. Je gebruikt „Wahl“ wanneer je over een beslissing tussen mogelijkheden spreekt.
kann
„kann“ betekent hier „kan” en drukt uit dat de spreker de papieren in de vakken kan leggen. In „Ich kann meine Papiere in die Fächer legen.“ staat het vóór de andere zinsdelen en komt de handeling aan het einde. Het is de vorm van „können“ en wordt gebruikt om mogelijkheid of vermogen uit te drukken.
meine
„meine“ betekent hier „mijn” en maakt duidelijk dat de papieren van de spreker zijn. In „meine Papiere“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt het om eigen spullen of documenten aan te duiden.
Papiere
„Papiere“ betekent hier „papieren” of „documenten” die de spreker voor het werk bij zich heeft. In „meine Papiere“ wordt het gecombineerd met een bezittelijk woord. Je gebruikt het om documenten te benoemen die je ergens kunt opbergen of meenemen.
in
„in“ betekent hier „in” en geeft aan dat de papieren naar binnen, in de vakken, worden gelegd. In „in die Fächer legen“ benoemt het de bestemming van de handeling. Je gebruikt „in“ bij iets dat in een ruimte of vak wordt geplaatst.
legen
„legen“ betekent hier „leggen” of „plaatsen” en beschrijft wat de spreker met de papieren kan doen. In „Ich kann meine Papiere in die Fächer legen.“ staat het als infinitief na „kann“. Je gebruikt het met een voorwerp en de plek waar je dat voorwerp neerlegt.
Das
„Das“ betekent hier „dat” en verwijst naar de zojuist besproken oplossing: de papieren in de vakken leggen. In „Das sollte gut für dich funktionieren.“ verwijst het naar een eerdere situatie of handeling, niet naar één afzonderlijk woord. Je gebruikt het aan het begin van een reactie op iets dat al genoemd is.
sollte
„sollte“ drukt hier een voorzichtige verwachting uit: de oplossing zou goed moeten werken. In „Das sollte gut für dich funktionieren.“ staat het vóór de rest van de beoordeling; de vorm hoort bij „sollen“. Je gebruikt deze vorm om geruststellend maar niet absoluut te zeggen dat iets waarschijnlijk zal werken.
gut
„gut“ betekent hier „goed” en beschrijft hoe de oplossing voor de aangesproken persoon zal werken. In „gut funktionieren“ staat het bij de manier waarop iets functioneert. Je gebruikt het om aan te geven dat een plan, voorwerp of oplossing naar verwachting goed werkt.
dich
„dich“ betekent hier „jou” en verwijst naar de persoon tot wie de spreker spreekt. In „für dich“ geeft het aan voor wie de oplossing bedoeld is. Je gebruikt „für dich“ wanneer je het voordeel of de geschiktheid voor iemand benoemt.
funktionieren
„funktionieren“ betekent hier „werken” of „functioneren” en verwijst naar de praktische bruikbaarheid van de oplossing. In „Das sollte gut für dich funktionieren.“ staat het als infinitief na „sollte“. Je gebruikt het om te zeggen dat een plan, voorwerp of werkwijze in de praktijk werkt.