Kiezen tussen twee tassen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: During a daily errand, two adults compare two bags and choose the stronger one for work papers..

NL → DE / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Kiezen tussen twee tassen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Welche Tasche soll ich wählen?

Vèlche Tasje zol isj veelen? Welke tas moet ik kiezen?
B

Diese ist leicht.

Dieze ist laisjt. Deze is licht.
A

Die andere Tasche sieht stabiler aus.

Die andere Tasje ziet sjtabila aus. De andere tas ziet er steviger uit.
B

Sie hat auch zwei Fächer.

Zie hat auch tsvai fèsja. Die heeft ook twee vakken.
A

Ich brauche eine Tasche für die Arbeit.

Isj brauche aine Tasje fuur die Arbait. Ik heb een tas nodig voor het werk.
B

Dann ist die stabilere Tasche eine gute Wahl.

Dan ist die sjtabilere Tasje aine goede Vaal. Dan is de stevigere tas een goede keuze.
A

Ich kann meine Papiere in die Fächer legen.

Isj kan maine papiera in die fèsja leegen. Ik kan mijn papieren in de vakken doen.
B

Das sollte gut für dich funktionieren.

Das zolte goet fuur disj foengtsjoneeren. Dat zou goed voor je moeten werken.

Uitleg van de zinnen

  1. Welche Tasche soll ich wählen?

    Welke tas moet ik kiezen?

    Welche
    welke
    Tasche
    tas
    soll ich
    moet ik
    wählen
    kiezen
    Uitgebreide uitleg

    Welche betekent hier “welke” en hoort bij Tasche, een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud. In deze zin staat de naamwoordgroep als lijdend voorwerp, dus in de accusatief; bij het vrouwelijke enkelvoud is de vorm hier toch welche. Duitse vraagwoorden veranderen afhankelijk van onder meer geslacht, getal en naamval. Vergelijk bijvoorbeeld welcher bij een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord en welches bij een onzijdig enkelvoudig zelfstandig naamwoord. Tasche is het basiswoord voor “tas”. Het is vrouwelijk: die Tasche; in deze zin staat het in het enkelvoud. Het meervoud is die Taschen. De combinatie van het vrouwelijke geslacht, het enkelvoud en de naamval helpt verklaren waarom hier Welche staat. Soll ich bestaat uit soll, de vorm van sollen, en het persoonlijk voornaamwoord ich. Volgens de vaste vertaling drukt sollen hier uit wat de spreker moet doen: “moeten”. Soll is de tegenwoordige tijd bij de eerste persoon enkelvoud: ich soll betekent “ik moet”. In een vraag met een vraagwoord staat het vervoegde werkwoord vóór het onderwerp: Welche Tasche soll ich ...?. wählen betekent “kiezen”. Dit is de infinitief, de basisvorm. Na een modaal werkwoord zoals sollen blijft het andere werkwoord in het Duits als infinitief staan en komt het aan het einde. Voorbeeld: Welche Farbe soll ich wählen? — “Welke kleur moet ik kiezen?” Samen vormt Welche Tasche soll ich wählen? de vraag “Welke tas moet ik kiezen?”. Welche Tasche vraagt welke tas gekozen moet worden, soll ich geeft “moet ik” weer, en wählen benoemt de handeling van kiezen. Het is een gewone vraag naar een keuze.

  2. Diese ist leicht.

    Deze is licht.

    Diese
    deze
    ist
    is
    leicht
    licht
    Uitgebreide uitleg

    Diese verwijst hier naar de eerder genoemde Tasche en staat zelfstandig: het is dus een aanwijzend voornaamwoord, niet een los bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord. De vorm is vrouwelijk enkelvoud in de nominatief, omdat die Tasche vrouwelijk enkelvoud is en hier onderwerp is. Vergelijk: Diese ist neu. = “Deze is nieuw.” Bij een mannelijk zelfstandig naamwoord krijg je bijvoorbeeld Dieser ist neu; bij een onzijdig zelfstandig naamwoord Dieses ist neu. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”) in de tegenwoordige tijd. De basisvorm is sein; vergelijk ich bin, du bist, er/sie/es ist. In dit patroon verbindt ist het onderwerp met een eigenschap: Die Tasche ist leicht. = “De tas is licht.” leicht betekent hier “licht” in de betekenis van een gering gewicht. Het is een bijvoeglijk naamwoord en staat na ist als gezegde; daarom krijgt het hier geen uitgang. De vergrotende trap is leichter (“lichter”), zoals in Diese Tasche ist leichter. = “Deze tas is lichter.” Dat is een vergelijking van gewicht; stabiler in de context betekent daarentegen “steviger”, dus een andere eigenschap. Samen vormen de delen Diese + ist + leicht de betekenis “Deze is licht.” In de gegeven context is “deze” de eerder besproken tas, en de zin beoordeelt haar gewicht.

  3. Die andere Tasche sieht stabiler aus.

    De andere tas ziet er steviger uit.

    andere
    andere
    Tasche
    tas
    sieht … aus
    ziet eruit
    stabiler
    steviger
    Uitgebreide uitleg

    andere betekent hier “andere” en verwijst naar een tas die van een andere, al bekende tas wordt onderscheiden. De basisvorm is ander. In die andere Tasche staat het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord; na het bepaalde lidwoord die krijgt het hier de uitgang -e. Voorbeeld: die andere Tür — “de andere deur”. Tasche betekent “tas”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Tasche; het meervoud is die Taschen. In deze zin is Tasche het onderwerp van de waarneming. Voorbeeld: Die Tasche ist groß. — “De tas is groot.” sieht ... aus komt van het scheidbare werkwoord aussehen, “eruitzien”. sieht is de derde persoon enkelvoud van sehen in deze werkwoordsvorm, en aus staat aan het einde van de hoofdzin. Samen betekent sieht ... aus hier “ziet eruit”, niet simpelweg “kijkt”. Voorbeeld: Die Tasche sieht neu aus. — “De tas ziet er nieuw uit.” stabiler is de vergrotende trap van stabil: stabil — “stevig”, stabiler — “steviger”, am stabilsten — “het stevigst”. Omdat het hier na sieht ... aus als naamwoordelijk deel staat, beschrijft het de tas en krijgt het geen adjectiefuitgang die door een zelfstandig naamwoord wordt bepaald. Voorbeeld: Diese Tasche ist stabiler. — “Deze tas is steviger.” Samen vormen de delen: die andere Tasche — “de andere tas”, sieht ... aus — “ziet eruit”, en stabiler — “steviger”. De volledige zin betekent daarom: “De andere tas ziet er steviger uit.”

  4. Sie hat auch zwei Fächer.

    Die heeft ook twee vakken.

    Sie
    die (dat ene)
    hat
    heeft
    auch
    ook
    zwei
    twee
    Fächer
    vakken
    Uitgebreide uitleg

    Sie is hier het onderwerp en betekent volgens de vaste vertaling “die” of “dat ene”. In de gegeven context verwijst het naar de eerder genoemde andere tas. Als voornaamwoord staat deze vorm in de eerste naamval; bij een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord verschijnt de vorm als sie, maar aan het begin van deze zin wordt zij met een hoofdletter geschreven. De hoofdletter maakt dit hier dus niet automatisch de formele aanspreekvorm “u”. hat is de tegenwoordige-tijdsvorm van haben (“hebben”) bij de derde persoon enkelvoud: ich habe, du hast, sie hat. Hier betekent het “heeft”. Voorbeeld: Sie hat Zeit. = “Zij heeft tijd.” auch betekent “ook”. Het voegt deze mededeling toe aan iets anders dat al relevant is. Voorbeeld: Ich habe auch Zeit. = “Ik heb ook tijd.” zwei is het telwoord “twee”. Het geeft hier het aantal aan van het volgende meervoudige zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: zwei Taschen = “twee tassen”. Fächer is het meervoud van Fach en betekent hier “vakken”. De klinkerwisseling hoort bij deze meervoudsvorm: ein Fach = “een vak”, zwei Fächer = “twee vakken”. In andere contexten kan Fach ook “compartiment” of “afdeling” betekenen, maar de vaste vertaling kiest hier voor “vakken”. Samen vormen Sie hat auch zwei Fächer de betekenis “Die heeft ook twee vakken.” De structuur is onderwerp + vorm van haben + auch + aantal + meervoudig zelfstandig naamwoord. Auch verbindt deze mededeling met iets anders dat al relevant is; de zin zelf benoemt dat andere niet opnieuw.

  5. Ich brauche eine Tasche für die Arbeit.

    Ik heb een tas nodig voor het werk.

    Ich
    ik
    brauche
    heb nodig
    Tasche
    tas
    für
    voor
    Arbeit
    werk
    Uitgebreide uitleg

    Ich is de eerste persoon enkelvoud in de onderwerpsvorm: “ik”. Het verwijst hier naar de spreker. Vergelijk in een eigen voorbeeld: Ich brauche einen Stift. = “Ik heb een pen nodig.” brauche is de vorm van brauchen bij ich in de tegenwoordige tijd: ich brauche. In deze zin betekent het “nodig hebben”, niet alleen “gebruiken”. De persoon zit in de werkwoordsvorm: ich brauche, maar bijvoorbeeld sie braucht. Het lijdend voorwerp staat hier na het werkwoord: eine Tasche. Tasche is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord met de betekenis “tas”. De enkelvoudsvorm is die Tasche; het meervoud is die Taschen. In eine Tasche staat het woord in het enkelvoud. Het onbepaalde lidwoord eine past bij het vrouwelijke geslacht; in deze vorm valt het bij vrouwelijk enkelvoud samen in de naamvalsvormen voor onderwerp en lijdend voorwerp. Voorbeeld: Die Tasche ist schwer. = “De tas is zwaar.” für betekent “voor” en leidt in het Duits een bepaling met de accusatief in. Daarom staat hier die Arbeit: bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord ziet het bepaalde lidwoord in deze vorm hetzelfde uit als in de onderwerpsvorm. für geeft hier het doel of de bestemming aan: de tas is bedoeld voor het werk. Arbeit betekent “werk”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Arbeit. In deze zin gaat het met die om het werk als activiteit of werkdoel, niet om een nader genoemde persoon. Voorbeeld: Ich habe viel Arbeit. = “Ik heb veel werk.” Samen vormen Ich brauche en eine Tasche de kern “ik heb een tas nodig”. für die Arbeit specificeert waarvoor de tas bedoeld is. De volledige betekenis is dus: “Ik heb een tas nodig voor het werk.”

  6. Dann ist die stabilere Tasche eine gute Wahl.

    Dan is de stevigere tas een goede keuze.

    Dann
    dan
    ist
    is
    stabilere
    stevigere
    Tasche
    tas
    gute
    goede
    Wahl
    keuze
    Uitgebreide uitleg

    Dann betekent hier ‘dan’ en verbindt deze uitspraak met wat eraan voorafgaat. Het kan ook naar een later moment verwijzen, maar in deze zin past de aansluitende betekenis ‘dan’. Voorbeeld: „Dann gehen wir.“ — „Dan gaan we.“ ist is de vorm van sein (‘zijn’) voor de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd. De vorm past hier bij „die stabilere Tasche“, dat als geheel het onderwerp is. Voorbeeld: „Die Tasche ist praktisch.“ — „De tas is praktisch.“ stabilere is de vergrotende trap van stabil (‘stevig’ of ‘stabiel’): stabil – stabiler – am stabilsten. In deze zin staat de vergrotende trap vóór Tasche en betekent hij ‘stevigere’: deze tas wordt met een andere mogelijkheid vergeleken. De uitgang -e hoort bij de verbogen vorm in „die stabilere Tasche“; stabilere is dus de vorm van het bijvoeglijk naamwoord, niet van Tasche. Voorbeeld: „Die stabilere Tasche hält länger.“ — „De stevigere tas gaat langer mee.“ Tasche betekent ‘tas’. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; daarom staat het hier met die in „die stabilere Tasche“. Het meervoud is Taschen. Voorbeeld: „Die Tasche ist für die Arbeit.“ — „De tas is voor het werk.“ gute betekent hier ‘goede’. Het bijvoeglijk naamwoord is gut; in „eine gute Wahl“ krijgt het de uitgang -e. Die uitgang hoort bij gute en niet bij Wahl. Voorbeeld: „Das ist eine gute Idee.“ — „Dat is een goed idee.“ Wahl betekent ‘keuze’. In de vaste uitdrukking „eine gute Wahl“ beschrijft het een optie die geschikt of verstandig is. Het meervoud is Wahlen. Voorbeeld: „Diese Tasche ist eine gute Wahl.“ — „Deze tas is een goede keuze.“ Samen vormen „die stabilere Tasche“ en „ist eine gute Wahl“ de structuur „De stevigere tas is een goede keuze“. Dann plaatst die beoordeling in de gegeven aansluiting: „Dan is de stevigere tas een goede keuze.“

  7. Ich kann meine Papiere in die Fächer legen.

    Ik kan mijn papieren in de vakken doen.

    Ich kann
    ik kan
    meine
    mijn
    Papiere
    papieren
    in
    in
    Fächer
    vakken
    legen
    leggen; doen
    Uitgebreide uitleg

    Ich kann: ich is het persoonlijk voornaamwoord voor de eerste persoon enkelvoud: “ik”. kann is de tegenwoordige vorm van het modale werkwoord können bij ich; hier drukt het vermogen of de mogelijkheid uit: “kan”. Bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord gewoonlijk als infinitief aan het einde van de bijzin of hoofdzin. Voorbeeld: Ich kann warten. = “Ik kan wachten.” meine: Dit is het bezittelijke lidwoord of de bezittelijke bepaler met de betekenis “mijn”. De vorm sluit aan bij het zelfstandig naamwoord en de naamval, niet bij de bezitter; bij meine Papiere gaat het om een meervoud. De hele naamwoordgroep is hier het lijdend voorwerp van legen. Papiere: Dit meervoudige zelfstandig naamwoord betekent hier “papieren”. Het enkelvoud is Papier, het meervoud Papiere. De vorm is in het nominatief en accusatief meervoud hetzelfde; de rol als lijdend voorwerp blijkt hier vooral uit de constructie en de omliggende woorden. in: Bij een plaats kan in een naamval voor een statische locatie of een naamval voor beweging naar een bestemming combineren. Hier gaat het om papieren die in de vakken worden gelegd, dus in die Fächer gebruikt de accusatief. Voorbeeld: Ich lege das Buch in die Tasche. = “Ik leg het boek in de tas.” Fächer: Dit betekent in deze zin “vakken”: compartimenten of afdelingen waarin iets kan worden gelegd. Het is het meervoud van Fach. die is hier de vorm van het lidwoord bij het accusatief meervoud; dezelfde vorm komt ook voor bij het nominatief meervoud. De umlaut hoort bij deze meervoudsvorm. legen: Dit is de infinitief van legen, hier met de betekenis “leggen” of, in deze context, “doen”. Het werkwoord beschrijft dat iemand iets op een bepaalde plaats legt. De infinitief staat aan het einde omdat hij bij kann hoort. Vergelijk liegen: dat beschrijft dat iets ergens ligt, zonder de handeling van het neerleggen te benoemen. Samen drukt Ich kann uit dat de spreker de mogelijkheid of het vermogen heeft. meine Papiere benoemt wat er wordt verplaatst, in die Fächer geeft de bestemming aan en legen benoemt de handeling als infinitief. De volledige uiting betekent daarom: “Ik kan mijn papieren in de vakken doen.”

  8. Das sollte gut für dich funktionieren.

    Dat zou goed voor je moeten werken.

    Das
    dat; het
    sollte
    zou moeten
    gut
    goed
    für dich
    voor jou
    funktionieren
    werken; functioneren
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier dat en verwijst naar een situatie, plan of handeling die in de context wordt besproken. Als zelfstandig aanwijzend voornaamwoord staat het aan het begin van de hoofdzin; de vorm das is hier niet het lidwoord bij een zelfstandig naamwoord. sollte is de vorm van sollen voor de derde persoon enkelvoud in de Konjunktiv II. In deze zin geeft het samen met een infinitief de betekenis zou moeten: er wordt een verwachting of veronderstelde geschiktheid uitgedrukt, niet noodzakelijk een bevel. Vergelijk: Das soll funktionieren. = Dat hoort te werken.; Das sollte funktionieren. = Dat zou moeten werken. gut is hier een bijwoord bij funktionieren: het zegt hoe goed de werking verwacht wordt. Het is dus niet een bijvoeglijk naamwoord dat een zelfstandig naamwoord beschrijft. Een vergelijkbaar gebruik is: Das funktioniert gut. = Dat werkt goed. für dich betekent voor jou. Na het voorzetsel für staat in het Duits de accusatief; daarom is het de vorm dich en niet de datiefvorm dir. dich verwijst naar één informeel aangesproken persoon. Ter vergelijking: für mich = voor mij, für Sie = voor u of voor jullie in de formele aanspreekvorm. funktionieren is de infinitief van het werkwoord funktionieren, werken of functioneren. Het kan bijvoorbeeld over een apparaat, plan of werkwijze gaan: Der Plan funktioniert. = Het plan werkt. In deze zin staat de infinitief achteraan omdat hij afhankelijk is van het modale werkwoord sollte. De opbouw is Das + sollte + gut + für dich + funktionieren: Dat vormt het onderwerp, zou moeten drukt de verwachting uit, goed beschrijft de werking, en voor jou geeft aan voor wie die werking geschikt of nuttig is. Samen betekent de zin: Dat zou goed voor je moeten werken.

Grammatica

sieht ... aus

Diese Tasche sieht stabiler aus.

Dieze Tasje ziet sjtabila aus.

Deze tas ziet er steviger uit.

aussehen is een scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel aus staat aan het einde van de zin.

Adjektiv + -er

Diese Tasche sieht stabiler aus.

Dieze Tasje ziet sjtabila aus.

Deze tas ziet er steviger uit.

Met -er vergelijk je twee dingen: stabil wordt stabiler.

Duits woordenschat

andere bijvoeglijk naamwoord
andera andere
auch bijwoord
auch ook
aussehen werkwoord
auszeen eruitzien sieht ... aus
brauchen werkwoord
brauchen nodig hebben brauche
dieser voornaamwoord
dieza deze Diese
Fach zelfstandig naamwoord
faach vak Fächer
haben werkwoord
haaben hebben hat
leicht bijvoeglijk naamwoord
laisjt licht
stabil bijvoeglijk naamwoord
sjtabeel stevig stabiler
Tasche zelfstandig naamwoord
tasje tas
wählen werkwoord
veelen kiezen
welcher bepaler
vèlcha welke Welche

Welche Tasche

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Welke tas moet ik kiezen?

Antwoord tonenWelche Tasche soll ich wählen?

Deze is licht.

Antwoord tonenDiese ist leicht.

De andere tas ziet er steviger uit.

Antwoord tonenDie andere Tasche sieht stabiler aus.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

stevig

Antwoord tonenstabiler

licht

Antwoord tonenleicht

ook

Antwoord tonenauch

andere

Antwoord tonenandere