Een activiteit kiezen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a shared space, two adults choose between walking outside and reading inside in a quiet room..

NL → DE / Niveau: A1

Over deze les

Met Een activiteit kiezen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Welche Aktivität sollen wir machen?

Vel-che akti-vie-TEET ZOL-lun vie-uh MA-khun? Welke activiteit zullen we doen?
B

Wir könnten draußen spazieren gehen.

Vie-uh KEUN-tun DRAU-sun sjpa-TSIE-run GEE-un. We zouden buiten kunnen wandelen.
A

Dort kann es kalt sein.

Dort kan es kalt zain. Het kan daar koud zijn.
B

Dann können wir drinnen lesen.

Dan KEUN-un vie-uh DRIN-un LEE-zun. Dan kunnen we binnen lezen.
A

Heute klingt Lesen besser.

HOI-tuh klinkt LEE-zun BE-suh. Vandaag klinkt lezen beter.
B

Lass uns ein ruhiges Zimmer wählen.

Las oens ain ROE-ie-gus TSIM-muh VEE-lun. Laten we een rustige kamer kiezen.
A

Ich bringe mein Buch mit.

Ich BRIN-guh main BOE-ch mit. Ik neem mijn boek mee.
B

Ich finde einen Platz für uns.

Ich FIN-duh ain PLATS fuu-uh oens. Ik vind een plek voor ons.

Woord voor woord

Welche Welke activiteit wordt bedoeld; „Welche“ opent hier de vraag „Welche Aktivität“. Het gebruik je wanneer je iemand om een keuze uit mogelijkheden vraagt, bijvoorbeeld bij het plannen van een gezamenlijke activiteit.
Aktivität „Aktivität“ betekent activiteit en is hier datgene wat de twee personen samen willen doen. In „Welche Aktivität“ wordt naar één mogelijke bezigheid gevraagd; je gebruikt het woord dus bij het bespreken of kiezen van een bezigheid.
sollen „sollen“ drukt hier geen verplichting uit, maar vraagt welk plan of voorstel de twee personen zullen volgen. In „Welche Aktivität sollen wir machen?“ gebruikt de spreker het om samen een activiteit te beslissen.
wir „wir“ verwijst naar de spreker en de andere persoon samen. Dezelfde vorm verschijnt als „Wir“ aan het begin van een zin; je gebruikt hem als onderwerp wanneer je over een gezamenlijke handeling spreekt.
machen „machen“ betekent hier doen: de activiteit uitvoeren die gekozen wordt. In „Aktivität sollen wir machen“ staat het bij de activiteit die de gesprekspartners samen willen kiezen; je gebruikt het bij het bespreken van wat je gaat doen.
könnten „könnten“ biedt wandelen aan als een mogelijke optie: we zouden kunnen gaan wandelen. Het is de vorm die in „Wir könnten draußen spazieren gehen“ een voorzichtige suggestie uitdrukt, bijvoorbeeld wanneer je een activiteit voorstelt.
draußen „draußen“ betekent buiten en geeft de plaats van het wandelen aan. In „draußen spazieren gehen“ gebruik je het om te zeggen dat de activiteit zich buiten afspeelt, bijvoorbeeld in een park of op straat.
spazieren „spazieren“ verwijst hier naar wandelen als ontspannende activiteit. Samen met „gehen“ vormt het de uitdrukking „spazieren gehen“; die gebruik je wanneer je iemand voorstelt om buiten te gaan wandelen.
gehen „gehen“ betekent gaan en vormt hier samen met „spazieren“ de uitdrukking „spazieren gehen“, dus gaan wandelen. Het woord krijgt in deze combinatie niet zelfstandig de volledige betekenis van de activiteit; je gebruikt de hele uitdrukking voor een wandelvoorstel.
Dort „Dort“ betekent daar en verwijst naar de eerder genoemde plek buiten. In „Dort kann es kalt sein“ gebruik je het om naar een bepaalde plaats te verwijzen wanneer je iets over de omstandigheden daar zegt.
kann „kann“ drukt hier een mogelijkheid uit: op die plek kan het koud zijn. In „Dort kann es kalt sein“ wordt het gebruikt om iemand voor een mogelijke weersomstandigheid te waarschuwen.
es „es“ is hier het onpersoonlijke onderwerp in de uitspraak over het weer; het verwijst niet naar een concreet voorwerp. In „Dort kann es kalt sein“ gebruik je het in een algemene mededeling over de temperatuur.
kalt „kalt“ betekent koud en beschrijft hier de mogelijke temperatuur buiten. In „kalt sein“ staat het bij „sein“; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je iemand vertelt hoe het ergens kan aanvoelen.
sein „sein“ betekent zijn en verbindt hier de weerssituatie met de eigenschap „kalt“. In „Dort kann es kalt sein“ staat het na „kann“; deze combinatie gebruik je om een mogelijke toestand te beschrijven.
Dann „Dann“ betekent dan en kondigt hier een gevolg of alternatief aan: als het buiten koud kan zijn, lezen de twee personen binnen. Je gebruikt het om de volgende stap in een gesprek of plan in te leiden.
können „können“ betekent kunnen en geeft hier de mogelijkheid aan om binnen te lezen. In „Dann können wir drinnen lesen“ gebruik je het om na een eerdere overweging een haalbaar alternatief voor te stellen.
drinnen „drinnen“ betekent binnen en geeft aan waar het lezen plaatsvindt. In „drinnen lesen“ gebruik je het om een activiteit binnen te situeren, tegenover de eerdere optie buiten wandelen.
lesen „lesen“ betekent lezen in „Dann können wir drinnen lesen“ en benoemt de activiteit. In „Heute klingt Lesen besser“ verschijnt „Lesen“ met een hoofdletter als de activiteit „het lezen“; beide vormen verwijzen hier naar lezen als keuze.
Heute „Heute“ betekent vandaag en beperkt de beoordeling tot deze dag. In „Heute klingt Lesen besser“ gebruik je het wanneer je zegt dat een activiteit op dit moment aantrekkelijker lijkt.
klingt „klingt“ betekent hier klinkt of lijkt, als beoordeling van een voorgestelde activiteit. In „Heute klingt Lesen besser“ gebruik je het om te zeggen dat lezen op basis van de huidige situatie de betere keuze lijkt.
besser „besser“ betekent beter en vergelijkt de optie lezen met de andere voorgestelde activiteit. In „Heute klingt Lesen besser“ gebruik je het om een voorkeur of keuze uit te drukken.
Lass „Lass“ leidt hier een uitnodiging of aansporing aan de andere persoon in: laten we iets doen. In „Lass uns ein ruhiges Zimmer wählen“ gebruik je het om samen een plan voor te stellen.
uns „uns“ verwijst in „Lass uns“ naar de groep die de handeling samen uitvoert: laten we. In „für uns“ betekent het ons als degenen voor wie de plek bedoeld is; je gebruikt het dus zowel bij een gezamenlijke actie als bij iets dat voor de groep bestemd is.
ein „ein“ betekent een en introduceert in „ein ruhiges Zimmer“ één nog niet bepaalde kamer. Je gebruikt het vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer nog niet bekend is welke kamer bedoeld wordt.
ruhiges „ruhiges“ betekent rustig en beschrijft hier het gewenste Zimmer. In „ruhiges Zimmer“ gebruik je het om een kamer te kiezen waar weinig lawaai of afleiding is.
Zimmer „Zimmer“ betekent kamer en is hier de ruimte die de twee personen willen kiezen om te lezen. In „ein ruhiges Zimmer“ gebruik je het wanneer je een specifieke soort kamer zoekt.
wählen „wählen“ betekent kiezen en benoemt de gezamenlijke beslissing over de kamer. In „Lass uns ein ruhiges Zimmer wählen“ gebruik je het om iemand uit te nodigen samen een optie te selecteren.
Ich „Ich“ betekent ik en maakt duidelijk dat de spreker zelf de volgende handeling op zich neemt. Het staat in „Ich bringe mein Buch mit“ en „Ich finde einen Platz für uns“ als onderwerp; je gebruikt het om je eigen bijdrage aan een plan te beschrijven.
bringe „bringe“ betekent hier breng mee: de spreker neemt het boek mee naar de gekozen plek. In „Ich bringe mein Buch mit“ gebruik je het voor iets dat je voor een gezamenlijke activiteit meeneemt.
mein „mein“ betekent mijn en geeft aan dat het boek bij de spreker hoort. In „mein Buch“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord; je gebruikt het om een persoonlijk voorwerp aan te duiden.
Buch „Buch“ betekent boek en is hier het voorwerp dat de spreker meeneemt om te lezen. In „mein Buch“ gebruik je het wanneer je naar een boek verwijst dat van jou is of door jou wordt gebruikt.
mit „mit“ draagt hier de betekenis mee en maakt samen met „bringe“ de uitdrukking „bringe ... mit“. In „Ich bringe mein Buch mit“ staat het aan het einde, terwijl het voorwerp ertussen staat; je gebruikt deze constructie wanneer je iets naar een plek meeneemt.
finde „finde“ betekent hier vind en verwijst naar het lokaliseren van een geschikte plek. In „Ich finde einen Platz für uns“ gebruikt de spreker het om zijn bijdrage aan het gezamenlijke plan te beschrijven.
einen „einen“ betekent een en introduceert in „einen Platz“ een nog niet bepaalde plek. Je gebruikt het vóór „Platz“ wanneer de precieze plek nog gevonden moet worden.
Platz „Platz“ betekent hier plek of plaats waar de twee personen kunnen lezen. In „einen Platz für uns“ gebruik je het voor een beschikbare plek die voor de groep geschikt is.
für „für“ betekent voor en geeft in „für uns“ aan voor wie de plek bedoeld is. Je gebruikt het om de persoon of groep aan te wijzen die iets krijgt, gebruikt of waarvoor iets geregeld wordt.

Grammatica

Lass uns + Infinitiv

Lass uns draußen spazieren gehen.

Las oens DRAU-sun sjpa-TSIE-run GEE-un.

Laten we buiten wandelen.

Gebruik ‘Lass uns’ met een werkwoord in de infinitief om een voorstel te doen: ‘laten we …’.

Duits woordenschat

Aktivität zelfstandig naamwoord
akti-vi-TEET activiteit

Welche Aktivität sollen wir machen?

besser bijvoeglijk naamwoord
BE-suh beter

Heute klingt Lesen besser.

Dann bijwoord
dan dan

Dann können wir drinnen lesen.

dort bijwoord
dort daar

Dort kann es kalt sein.

draußen bijwoord
DRAU-sun buiten

Wir könnten draußen spazieren gehen.

drinnen bijwoord
DRIN-un binnen

Dann können wir drinnen lesen.

Heute bijwoord
HOI-tuh vandaag

Heute klingt Lesen besser.

kalt bijvoeglijk naamwoord
kalt koud

Dort kann es kalt sein.

klingt werkwoord
klingt klinkt

Heute klingt Lesen besser.

lesen werkwoord
LEE-zun lezen

Dann können wir drinnen lesen.

machen werkwoord
MA-khun doen; maken

Welche Aktivität sollen wir machen?

spazieren gehen uitdrukking
sjpa-TSIE-run GEE-un wandelen

Wir könnten draußen spazieren gehen.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Welke activiteit zullen we doen?

Antwoord tonenWelche Aktivität sollen wir machen?

We zouden buiten kunnen wandelen.

Antwoord tonenWir könnten draußen spazieren gehen.

Het kan daar koud zijn.

Antwoord tonenDort kann es kalt sein.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

buiten

Antwoord tonendraußen

binnen

Antwoord tonendrinnen

doen; maken

Antwoord tonenmachen

activiteit

Antwoord tonenAktivität