Was
“Was” betekent hier “wat” en opent de vraag “Was sollen wir jetzt tun?”. Je gebruikt het om naar iets of een handeling te vragen, bijvoorbeeld in een patroon als “Was sollen wir ...?”. In deze scène vraagt een collega welke taak ze nu zullen doen.
sollen
“sollen” drukt hier uit wat ze zouden moeten of zullen doen: “Was sollen wir jetzt tun?”. Het staat met een ander werkwoord in de infinitief, hier “tun”, aan het einde van de vraag. Je gebruikt dit wanneer je samen een volgende stap wilt bepalen.
wir
“wir” betekent “wij” en is in “Was sollen wir jetzt tun?” de groep die de handeling uitvoert. Het verwijst hier naar de twee collega’s samen. Je gebruikt “wir” als je jezelf en minstens één andere persoon bedoelt.
jetzt
“jetzt” betekent “nu” en geeft aan dat de beslissing op dit moment nodig is. In “Was sollen wir jetzt tun?” staat het tussen het onderwerp en de handeling. Je gebruikt het om naar het huidige moment te verwijzen.
tun
“tun” betekent hier “doen” en vormt samen met “Was sollen wir jetzt” de vraag naar de volgende handeling. Het is de infinitief die na “sollen” aan het einde staat. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je nog niet hebt bepaald welke activiteit volgt.
Fangen
“Fangen” maakt in “Fangen wir mit der kurzen Liste an” deel uit van de oproep “laten we met de korte lijst beginnen”. Het hoort bij het werkwoord “anfangen”; het werkwoorddeeltje “an” staat verderop in de zin. Je gebruikt deze vorm om samen een activiteit te starten.
mit
“mit” betekent hier “met” in de combinatie “mit der kurzen Liste”, dus met de korte lijst als beginpunt. Het komt vaak voor bij “mit etwas anfangen” wanneer je zegt waarmee je begint. In deze werksituatie helpt het om de eerste taak aan te wijzen.
der
“der” betekent hier “de” in “mit der kurzen Liste”. Deze vorm hoort bij “Liste” na “mit” en vormt samen met het bijvoeglijk naamwoord de woordgroep “der kurzen Liste”. Je gebruikt de hele woordgroep om aan te geven waarmee je begint.
kurzen
“kurzen” betekent hier “korte” en beschrijft de lijst in “der kurzen Liste”. De vorm staat na “der” in deze woordgroep. Je gebruikt een dergelijk bijvoeglijk naamwoord om een object nader te omschrijven.
Liste
“Liste” betekent “lijst” en verwijst hier naar de korte lijst met taken. In “mit der kurzen Liste” is het de activiteit waarmee de collega’s willen beginnen. Je kunt “Liste” gebruiken voor een overzicht van taken, punten of namen.
an
“an” is hier het werkwoorddeeltje van “anfangen” in “Fangen wir mit der kurzen Liste an”. Samen met “Fangen” betekent de uitdrukking “laten we beginnen”; “an” staat aan het einde van de hoofdzin. Je gebruikt dit patroon om aan te geven waarmee een activiteit start.
sie
“sie” betekent hier “die” of “haar” en verwijst naar de eerder genoemde lijst in “Sollen wir sie fertig machen”. Het is het object dat de collega’s willen afmaken. Je gebruikt “sie” hier om niet opnieuw “die Liste” te hoeven herhalen.
fertig
“fertig” betekent hier “af” of “klaar” in “sie fertig machen”. Het geeft aan dat de lijst volledig afgerond moet worden; “machen” drukt de handeling uit die dat resultaat bereikt. Het patroon “etwas fertig machen” kun je ook bij andere af te ronden taken gebruiken.
machen
“machen” betekent hier niet alleen “maken”, maar draagt in “sie fertig machen” bij aan de betekenis “iets afmaken”. Het staat als infinitief na “sollen”. Je gebruikt “fertig machen” met een object voor een taak die je volledig wilt afronden.
bevor
“bevor” betekent “voordat” en verbindt de vraag naar het afmaken van de lijst met de latere handeling: “bevor wir die Datei durchsehen”. In de bijzin staat “durchsehen” aan het einde. Je gebruikt “bevor” om de volgorde van twee handelingen aan te geven.
die
“die” betekent hier “de” in “die Datei”. Het hoort bij het zelfstandig naamwoord “Datei” en vormt samen de woordgroep die bekeken wordt. Je gebruikt deze combinatie wanneer je naar het bestand verwijst.
Datei
“Datei” betekent “bestand” en verwijst hier naar het bestand dat ze later zullen doornemen. In “die Datei durchsehen” is het bestand het object van de handeling. Je gebruikt “Datei” bijvoorbeeld voor een digitaal document.
durchsehen
“durchsehen” betekent hier een bestand doornemen of bekijken: “die Datei durchsehen”. Het staat in “bevor wir die Datei durchsehen” als de handeling die na het afmaken van de lijst komt. Je gebruikt het voor het controleren of doornemen van een document of bestand.
können
“können” betekent hier “kunnen” en drukt uit dat ze daarna in staat zijn om alles te bekijken: “Danach können wir alles ansehen”. Het staat met de infinitief “ansehen” in dezelfde zin. Je gebruikt het om mogelijkheid of beschikbare tijd en capaciteit uit te drukken.
es
“es” betekent hier “het” en verwijst naar de taak of het werk dat de collega’s snel voor elkaar willen krijgen in “Wir können es schnell schaffen”. Het is een kort verwijzend woord voor datgene wat eerder besproken is. Je gebruikt “es” om een al bekende taak niet opnieuw te benoemen.
schnell
“schnell” betekent “snel” en beschrijft in “es schnell schaffen” hoe vlot ze de taak kunnen afronden. Het staat direct bij de handeling “schaffen”. Je gebruikt het om de snelheid van een actie of resultaat aan te geven.
schaffen
“schaffen” betekent hier “voor elkaar krijgen” of “erdoor komen” in “Wir können es schnell schaffen”. Samen met “es” verwijst het naar het succesvol afronden van de besproken taak. Je gebruikt het vaak met een object wanneer je zegt dat iets lukt of op tijd afkomt.
wenn
“wenn” betekent hier “als” en introduceert de voorwaarde “wenn wir die Arbeit teilen”. De bijzin legt uit onder welke voorwaarde ze het snel kunnen redden. Je gebruikt “wenn” om een voorwaarde voor een resultaat te formuleren.
Arbeit
“Arbeit” betekent “werk” en verwijst hier naar de gezamenlijke taak die verdeeld kan worden. In “die Arbeit teilen” is het datgene wat de twee collega’s onder elkaar verdelen. Je gebruikt “Arbeit” voor werk in het algemeen of voor een concrete hoeveelheid werk.
teilen
“teilen” betekent hier “verdelen” in “die Arbeit teilen”. Het beschrijft dat de twee collega’s verschillende delen van het werk op zich nemen. Je gebruikt het met een object wanneer iets onder meerdere personen of delen wordt verdeeld.
Dann
“Dann” betekent “dan” en leidt hier de volgende beslissing in: “Dann übernehme ich den ersten Teil”. Het verwijst naar wat volgt nadat ze hebben afgesproken het werk te verdelen. Je gebruikt het om een gevolg of volgende stap aan te kondigen.
übernehme
“übernehme” betekent hier “op me nemen” of “aanpakken” in “Dann übernehme ich den ersten Teil”. Het is de vorm die de spreker gebruikt om zelf verantwoordelijkheid voor een deel van het werk te nemen. Je gebruikt “übernehmen” met een taak, deel of verantwoordelijkheid als object.
ich
“ich” betekent “ik” en is in “Dann übernehme ich den ersten Teil” degene die het eerste deel op zich neemt. Het maakt duidelijk welke spreker deze taak kiest. Je gebruikt “ich” wanneer je over jezelf spreekt.
den
“den” betekent hier “de” in “den ersten Teil”. Het hoort bij “Teil” en vormt samen met “ersten” het object dat de spreker overneemt. Je gebruikt de hele woordgroep om het gekozen deel van het werk te benoemen.
ersten
“ersten” betekent “eerste” en beschrijft welk deel de spreker overneemt in “den ersten Teil”. De vorm staat binnen de woordgroep “den ersten Teil”. Je gebruikt het om het eerste onderdeel in een volgorde aan te wijzen.
Teil
“Teil” betekent “deel” en verwijst hier naar het eerste gedeelte van de takenlijst. In “den ersten Teil übernehmen” is het het werk dat de spreker op zich neemt. Je gebruikt “Teil” voor een afgebakend gedeelte van een geheel.
Rest
“Rest” betekent “rest” en verwijst in “Ich übernehme den Rest” naar alles wat overblijft nadat de andere persoon het eerste deel heeft genomen. Het is het object van “übernehme”. Je gebruikt “den Rest” om het resterende deel van een taak of geheel aan te duiden.
Danach
“Danach” betekent “daarna” en verwijst naar het moment na het verdelen of uitvoeren van het werk. In “Danach können wir alles ansehen” kondigt het de volgende gezamenlijke stap aan. Je gebruikt het om een handeling in de tijd na een eerdere handeling te plaatsen.
alles
“alles” betekent “alles” en verwijst hier naar alle punten of onderdelen die niet duidelijk zijn: “alles, was nicht klar ist”. Het is in “alles ansehen” datgene wat ze later bekijken. Je gebruikt “alles” wanneer je naar een volledige hoeveelheid of verzameling verwijst.
ansehen
“ansehen” betekent hier “bekijken” of “nader bekijken” in “alles ansehen”. Het staat als infinitief na “können”. Je gebruikt “ansehen” met een object wanneer je iets visueel of inhoudelijk wilt controleren.
nicht
“nicht” betekent “niet” en ontkent in “was nicht klar ist” dat iets duidelijk is. Het staat vlak voor “klar”, het woord dat ontkend wordt. Je gebruikt “nicht” om een eigenschap of handeling te ontkennen.
klar
“klar” betekent hier “duidelijk” in “was nicht klar ist”. Het beschrijft welke punten ze na afloop opnieuw willen bekijken. Je gebruikt “klar” wanneer informatie begrijpelijk of ondubbelzinnig is.
ist
“ist” betekent “is” in “was nicht klar ist”. Het is de vorm van “sein” die de toestand van de besproken punten beschrijft en staat aan het einde van de bijzin. Je gebruikt “ist” om een toestand of eigenschap te verbinden met iets waarover je spreekt.
öffne
“öffne” betekent “open” in “Ich öffne die Datei”. De spreker zegt dat hij of zij het bestand zal openen zodra de lijst klaar is. Je gebruikt “öffnen” met een object, zoals “die Datei”, wanneer je toegang tot een bestand, deur of ander object maakt.