Een wekelijks schoonmaakschema | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At home, two adults divide cleaning chores and put a weekly schedule where they can remember it..

NL → DE / Niveau: A2

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Een wekelijks schoonmaakschema oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Wir brauchen einen besseren Putzplan für die Wohnung.

Wier braugən ainen besseren poetsplaan fuur die voonong. We hebben een beter schoonmaakschema voor het appartement nodig.
B

Wir teilen die Aufgaben nicht gleichmäßig auf.

Wier taajlen die aufgaaben nigt glaajsmeesig auf. We verdelen de huishoudelijke taken niet eerlijk.
A

Ich kann am Samstagmorgen die Regale abstauben.

Isj kan am tsámstaakmorgen die regaale apsjtauben. Ik kan zaterdagochtend de planken afstoffen.
B

Dann wische ich nach dem Mittagessen die Küche.

Dan visje isj naak deem mittaakessen die kuusje. Dan dweil ik de keuken na de lunch.
A

Sollen wir jeden Sonntag das Bad putzen?

Zollen wier yeeden zontáák das baat poetsen? Zullen we de badkamer elke zondag schoonmaken?
B

Sonntag passt gut, weil das Bad schnell schmutzig wird.

Zontáák past goet, vail das baat sjnel sjmoetsig virt. Zondag is logisch, omdat de badkamer snel vies wordt.
A

Ich hänge den Plan an den Kühlschrank.

Isj henge deen plaan an deen kuulsjrank. Ik hang het schema aan de koelkast.
B

Das sollte uns helfen, uns an jede Aufgabe zu erinnern.

Das zolte oens helpen, oens an yeede aufgaabe tsoe herinneren. Dat zou ons moeten helpen om ons elke taak te herinneren.

Uitleg van de zinnen

  1. Wir brauchen einen besseren Putzplan für die Wohnung.

    We hebben een beter schoonmaakschema voor het appartement nodig.

    Wir
    wij
    brauchen
    nodig hebben
    besseren
    beter
    Putzplan
    schoonmaakschema
    Wohnung
    appartement
    Uitgebreide uitleg

    Wir betekent hier “wij”: de spreker hoort zelf bij de groep. Het is de nominatieve vorm van het persoonlijke voornaamwoord in het meervoud; vergelijk ich (“ik”) voor één spreker. Voorbeeld: Wir lernen Deutsch. — “Wij leren Duits.” brauchen betekent hier “nodig hebben”. Dit is de tegenwoordige tijd bij wir; de infinitief is ook brauchen. Het onderwerp staat vóór het werkwoord in deze gewone hoofdzin: Wir brauchen ... — “Wij hebben ... nodig.” Voorbeeld: Wir brauchen mehr Zeit. — “Wij hebben meer tijd nodig.” besseren is de vergrotende trap van gut (“goed”): gut → besser → am besten. In deze zin krijgt de vorm de uitgang -en, omdat besser vóór het zelfstandig naamwoord staat in de combinatie einen besseren Putzplan. besseren beschrijft dus Putzplan, niet Wohnung. Voorbeeld: Das ist ein besserer Plan. — “Dat is een beter plan.” Putzplan betekent “schoonmaakschema”. Het is een samengesteld zelfstandig naamwoord: Putz- verwijst naar schoonmaken en Plan naar een plan of schema. Duitse samenstellingen worden als één woord geschreven en het laatste deel bepaalt het grammaticale geslacht; daarom is der Putzplan mannelijk. In einen besseren Putzplan staat het woord in de accusatief, als datgene wat nodig is. Wohnung betekent hier “appartement” of “woning”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Wohnung. Na für staat hier de accusatief: für die Wohnung; bij een vrouwelijk woord ziet het lidwoord die in nominatief en accusatief hetzelfde uit. Voorbeeld: Der Plan ist für die Wohnung. — “Het plan is voor het appartement.” Samen vormen Wir brauchen het patroon “Wij hebben ... nodig”. einen besseren Putzplan is het benodigde voorwerp: “een beter schoonmaakschema”. für die Wohnung geeft aan waarvoor het schema bedoeld is: “voor het appartement”. De hele zin betekent daarom: “We hebben een beter schoonmaakschema voor het appartement nodig.”

  2. Wir teilen die Aufgaben nicht gleichmäßig auf.

    We verdelen de huishoudelijke taken niet eerlijk.

    Wir
    wij
    teilen … auf
    verdelen
    Aufgaben
    taken
    nicht
    niet
    gleichmäßig
    gelijkmatig
    Uitgebreide uitleg

    Wir betekent hier “wij”: de spreker rekent zichzelf tot de groep. De vorm is gelijk voor mannelijk en vrouwelijk; het is de eerste persoon meervoud. Vergelijk ich = “ik” en sie = “zij” wanneer de spreker niet tot de groep behoort. teilen ... auf komt van het scheidbare werkwoord aufteilen: iets in delen verdelen of de verdeling van iets maken. In een hoofdzin staat teilen op de tweede plaats en komt het voorvoegsel auf aan het einde: Wir teilen die Arbeit auf. — “We verdelen het werk.” In de infinitief blijft het één woord: die Arbeit aufteilen. Aufgaben is het meervoud van Aufgabe, “taak”. Het meervoud maakt duidelijk dat het om meerdere taken gaat; het zegt op zichzelf niet hoeveel taken het zijn. eine Aufgabe = “één taak/een taak”, mehrere Aufgaben = “meerdere taken”. In deze context gaat het volgens de vertaling en het gesprek om huishoudelijke taken. nicht ontkent hier de manier waarop de taken worden verdeeld. Het betekent dus niet dat de taken helemaal niet worden verdeeld; de bewering is dat ze niet gelijkmatig worden verdeeld. Een vergelijkbaar patroon is Wir arbeiten nicht gemeinsam. — “We werken niet samen.” gleichmäßig betekent “gelijkmatig” of, bij een verdeling, “eerlijk verdeeld”. Het is een bijwoord bij aufteilen en beschrijft hoe de verdeling gebeurt. Het bijbehorende bijvoeglijke naamwoord is ook gleichmäßig: eine gleichmäßige Verteilung — “een gelijkmatige verdeling”. Het tegenovergestelde is ungleichmäßig — “ongelijkmatig”. Samen vormen de delen Wir teilen die Aufgaben nicht gleichmäßig auf. de betekenis: “Wij verdelen de taken niet gelijkmatig.” Wir is degene die verdeelt, die Aufgaben zijn wat verdeeld wordt, nicht gleichmäßig ontkent een gelijkmatige verdeling, en auf voltooit het scheidbare werkwoord aufteilen. De eerdere verwijzing naar een schoonmaakschema en het volgende voorbeeld over afstoffen passen bij deze huishoudelijke context, maar de Duitse zin zelf noemt alleen Aufgaben en specificeert niet afzonderlijk welke taken bij wie terechtkomen.

  3. Ich kann am Samstagmorgen die Regale abstauben.

    Ik kan zaterdagochtend de planken afstoffen.

    Ich kann
    ik kan
    Samstagmorgen
    zaterdagochtend
    Regale
    planken
    abstauben
    afstoffen
    Uitgebreide uitleg

    Ich kann betekent hier dat de spreker iets kan doen. kann is de tegenwoordige tijd van können bij ich. Na een modaal werkwoord staat het andere werkwoord in de infinitief: Ich kann ... abstauben = “Ik kan ... afstoffen”. Samstagmorgen betekent “zaterdagochtend”. Het is een samenstelling van Samstag (“zaterdag”) en Morgen (“ochtend”). Samen met am vormt het de tijdsbepaling am Samstagmorgen (“zaterdagochtend”). Die kan bijvoorbeeld ook achter het lijdend voorwerp staan: Ich kann die Regale am Samstagmorgen abstauben. = “Ik kan de planken zaterdagochtend afstoffen.” Regale betekent hier “planken” en is het meervoud van das Regal. In deze zin is Regale het lijdend voorwerp. Het meervoud verandert in de accusatief niet van vorm; die markeert hier het bepaalde meervoudige lijdend voorwerp. abstauben betekent “afstoffen”. Het is een scheidbaar werkwoord. In een gewone hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede positie en komt het voorvoegsel aan het einde: Ich staube die Regale ab. = “Ik stof de planken af.” Na kann blijft de infinitief abstauben bij elkaar en staat die achteraan. Samen vormen Ich kann, am Samstagmorgen, die Regale en abstauben de betekenis: “Ik kan zaterdagochtend de planken afstoffen.”

  4. Dann wische ich nach dem Mittagessen die Küche.

    Dan dweil ik de keuken na de lunch.

    Dann
    dan
    wische
    dweil
    nach dem Mittagessen
    na de lunch
    Küche
    keuken
    Uitgebreide uitleg

    Dann betekent hier “dan”: het verwijst naar een volgende handeling in de volgorde. Als een tijds- of volgorde-adverbiaal vooraan staat, blijft het vervoegde werkwoord in het Duits op de tweede zinsplaats: Dann wische ich .... Daardoor komt ich na wische, zonder dat de betekenis verandert. wische is de ik-vorm in de tegenwoordige tijd van wischen (“vegen”, en in deze huishoudelijke context “dweilen”). De vorm hoort bij het onderwerp ich: ich wische. Andere nuttige vormen zijn du wischst en wir wischen. Voorbeeld: Ich wische den Boden. — “Ik dweil de vloer.” nach dem Mittagessen betekent “na de lunch”. nach krijgt hier een zelfstandig naamwoordgroep in de datief. das Mittagessen wordt daarom dem Mittagessen; dem markeert hier niet een mannelijk woord, maar de datiefvorm van het onzijdige das. Voorbeeld: Nach dem Essen lese ich. — “Na het eten lees ik.” Küche is “keuken”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Küche. In deze zin is de keuken het directe object van wischen, dus staat de volledige groep in de accusatief: die Küche. Bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden zien die in de nominatief en accusatief er hetzelfde uit. Voorbeeld: Ich putze die Küche. — “Ik maak de keuken schoon.” Samen vormen de delen Dann + wische ich + nach dem Mittagessen + die Küche: “Dan dweil ik de keuken na de lunch.” De zin beschrijft een handeling die na de lunch plaatsvindt; ich voert de handeling uit en die Küche is wat wordt gedweild.

  5. Sollen wir jeden Sonntag das Bad putzen?

    Zullen we de badkamer elke zondag schoonmaken?

    Sollen wir
    zullen we…?
    jeden Sonntag
    elke zondag
    Bad
    badkamer
    putzen
    schoonmaken
    Uitgebreide uitleg

    Sollen wir is hier een voorstel: “zullen we …?” sollen is de tegenwoordige tijd van sollen in de eerste persoon meervoud; wir betekent “wij”. Bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord aan het einde in de infinitief. Vergelijk: Sollen wir warten? — “Zullen we wachten?” Dit is niet hetzelfde als Wollen wir warten?, dat eerder “Willen we wachten?” betekent. jeden Sonntag betekent “elke zondag”. Sonntag is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Sonntag. In deze terugkerende tijdsaanduiding krijgt het bijvoeglijke woord de vorm jeden, omdat de uitdrukking in de accusatief staat: jeden Sonntag. Een vergelijkbaar voorbeeld is jeden Montag — “elke maandag”. Bad betekent hier “badkamer”, zoals ook uit de vaste vertaling en de context blijkt. Het zelfstandig naamwoord is onzijdig: das Bad. In een andere context kan Bad ook “bad” betekenen, maar hier gaat het om de ruimte die schoongemaakt wordt. Voorbeeld: Das Bad ist klein. — “De badkamer is klein.” putzen betekent “schoonmaken” of “poetsen”. Dit is de infinitief die na sollen staat; de vorm van sollen draagt de persoonsinformatie, terwijl putzen zelf hier niet vervoegd is. Buiten deze constructie krijgt het werkwoord wel een vervoegde vorm, bijvoorbeeld Wir putzen das Bad. — “Wij maken de badkamer schoon.” Samen vormen de delen de vraag Sollen wir + jeden Sonntag + das Bad + putzen?: “Zullen we de badkamer elke zondag schoonmaken?” De vraag stelt dus een gezamenlijke, terugkerende schoonmaakafspraak voor.

  6. Sonntag passt gut, weil das Bad schnell schmutzig wird.

    Zondag is logisch, omdat de badkamer snel vies wordt.

    Sonntag
    zondag
    passt gut
    past goed
    weil
    omdat
    das Bad
    de badkamer
    schnell
    snel
    schmutzig
    vies
    wird
    wordt
    Uitgebreide uitleg

    Sonntag is het zelfstandig naamwoord voor “zondag”. Weekdagen worden in het Duits met een hoofdletter geschreven. Zonder voorzetsel staat het hier als onderwerp: “Zondag past goed”. Voor “op zondag” gebruik je bijvoorbeeld am Sonntag. passt gut komt van passen; passt is de tegenwoordige tijd voor de derde persoon enkelvoud. Samen betekent dit hier dat iets goed uitkomt of geschikt is. Patroon: X passt gut = “X komt goed uit”. Voorbeeld: Der Termin passt gut. — “De afspraak komt goed uit.” weil betekent “omdat” en leidt een bijzin in. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan: weil das Bad schnell schmutzig wird. Voorbeeld: Ich bleibe zu Hause, weil ich krank bin. — “Ik blijf thuis omdat ik ziek ben.” das Bad is hier “de badkamer”. Bad is een onzijdig zelfstandig naamwoord; das markeert hier het grammaticale geslacht en drukt op zichzelf geen aantal uit. In een andere context kan Bad ook “bad” betekenen. Het meervoud is Bäder. schnell betekent hier “snel” en beschrijft hoe snel de verandering plaatsvindt. Het kan ook een bijvoeglijk naamwoord zijn, bijvoorbeeld in ein schnelles Auto — “een snelle auto”. Het bruikbare contrast is langsam — “langzaam”. schmutzig betekent “vies” of “ vuil”. Na werden staat het als een niet-verbuigde beschrijving: schmutzig werden betekent “vies worden”. Het tegenovergestelde is sauber — “schoon”. Voorbeeld: Die Schuhe werden schmutzig. — “De schoenen worden vies.” wird is de derde persoon enkelvoud van werden in de tegenwoordige tijd. Hier vormt het samen met schmutzig een verandering van toestand: de badkamer wordt vies. In deze zin is wird dus niet de toekomende tijd en ook geen passief; die functies vereisen een andere combinatie, zoals wird kommen (“zal komen”) of wird geputzt (“wordt schoongemaakt”). De hele zin bouwt zo op: Sonntag passt gut zegt dat zondag goed uitkomt, en weil das Bad schnell schmutzig wird geeft de reden daarvoor. De vaste betekenis is: “Zondag is logisch, omdat de badkamer snel vies wordt.”

  7. Ich hänge den Plan an den Kühlschrank.

    Ik hang het schema aan de koelkast.

    Ich
    ik
    hänge
    hang (hier)
    Plan
    schema; plan
    an
    aan
    Kühlschrank
    koelkast
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik” en is het onderwerp: de persoon die de handeling uitvoert. Het is de eerste persoon enkelvoud van het Duitse persoonlijke voornaamwoord; vergelijk bijvoorbeeld du voor “jij”. hänge komt van het werkwoord hängen en betekent hier “ophangen”. In deze zin is het de tegenwoordige tijd, eerste persoon enkelvoud: ich hänge. Het werkwoord kan zowel “hangen” als “ophangen” betekenen; de richting naar een nieuwe plaats blijkt hier uit an den Kühlschrank. Voorbeeld: Ich hänge das Bild an die Wand. — “Ik hang het schilderij aan de muur.” Plan is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Plan. Hier staat het als lijdend voorwerp in de vierde naamval: den Plan. Het kan afhankelijk van de context “plan” of “schema” betekenen; in deze zin past “schema”. an is hier een voorzetsel met de betekenis “aan”. Bij hängen beschrijft het een beweging waarbij iets aan een oppervlak of plaats wordt gehangen. Het voorzetsel kan zowel de vierde als de derde naamval nemen: richting naar een plaats gebruikt hier de vierde naamval (an den Kühlschrank), terwijl een vaste locatie de derde naamval gebruikt, bijvoorbeeld Der Plan hängt am Kühlschrank — “Het schema hangt aan de koelkast.” am is de samengevoegde vorm van an dem. Kühlschrank is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Kühlschrank, “koelkast”. Na an staat hier de vierde naamval, waardoor der verandert in den: an den Kühlschrank. Samen betekent Ich hänge den Plan an den Kühlschrank: “Ik hang het schema aan de koelkast.” De volgorde bouwt op als onderwerp (Ich) + werkwoord (hänge) + lijdend voorwerp (den Plan) + bestemming (an den Kühlschrank). De context erna maakt duidelijk dat het schema bedoeld is om te helpen bij het onthouden van taken, maar verandert de betekenis van deze zin niet.

  8. Das sollte uns helfen, uns an jede Aufgabe zu erinnern.

    Dat zou ons moeten helpen om ons elke taak te herinneren.

    Das
    dat
    sollte
    zou moeten
    uns
    ons
    helfen
    helpen
    uns … zu erinnern
    ons herinneren
    an
    aan
    jede
    elke
    Aufgabe
    taak
    Uitgebreide uitleg

    Das is hier het onderwerp en betekent volgens de vaste vertaling ‘dat’. Dit aanwijzend voornaamwoord legt niet zelfstandig vast naar welk concreet ding het verwijst. sollte hoort bij het werkwoord sollen. In deze zin is het niet gewoon de verleden tijd: de vorm is hier de Konjunktiv II en drukt een voorzichtige of niet als feit gepresenteerde verwachting uit: ‘zou moeten’. Dezelfde vorm kan in een andere context ook als verleden tijd worden gebruikt. Bijvoorbeeld: Er sollte gestern kommen. = ‘Hij zou gisteren komen’ of, afhankelijk van de context, ‘Hij hoorde gisteren te komen.’ uns na helfen betekent ‘ons’. helfen krijgt voor de geholpen persoon de datief: Das hilft mir. = ‘Dat helpt mij.’ Het latere uns heeft een andere functie: daar is het het wederkerende voornaamwoord bij erinnern. helfen is het infinitief van helfen en betekent ‘helpen’. Na een modaal werkwoord zoals sollen staat het hoofdwerkwoord in het infinitief zonder zu: Das sollte uns helfen. = ‘Dat zou ons moeten helpen.’ uns ... zu erinnern vormt samen met an de constructie sich an etwas erinnern, ‘zich iets herinneren’. Hier verwijst uns naar dezelfde groep als het begrepen onderwerp van zu erinnern, namelijk ‘wij/ons’. Het wederkerende voornaamwoord verandert met de persoon: Ich erinnere mich = ‘Ik herinner me’, tegenover Wir erinnern uns = ‘Wij herinneren ons’. an hoort hier bij sich an etwas erinnern. Bij dit werkwoord staat datgene waaraan men zich herinnert in de accusatief; an betekent daarom in deze constructie niet losweg alleen ‘aan’. Voorbeeld: Ich erinnere mich an den Termin. = ‘Ik herinner me de afspraak.’ jede betekent ‘elke’. Het is hier de vrouwelijke enkelvoudsvorm in de accusatief, omdat Aufgabe vrouwelijk is en sich an etwas erinnern na an de accusatief gebruikt. De vorm wordt dus niet alleen door enkelvoud bepaald: bij een onzijdig zelfstandig naamwoord staat bijvoorbeeld jedes, zoals in jedes Kind = ‘elk kind’. Aufgabe is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘taak’. Het meervoud is Aufgaben. In jede Aufgabe staat het zelfstandig naamwoord in het enkelvoud; de combinatie betekent ‘elke taak’. Samen betekent Das sollte uns helfen ‘Dat zou ons moeten helpen’. Het daaropvolgende uns an jede Aufgabe zu erinnern betekent ‘ons aan elke taak te herinneren’. De volledige zin betekent dus: ‘Dat zou ons moeten helpen om ons elke taak te herinneren.’

Grammatica

weil + werkwoord aan het einde

weil das Bad schnell schmutzig wird

vail das baat sjnel sjmoetsig virt

omdat de badkamer snel vies wordt

Na „weil” staat het vervoegde werkwoord in het Duits aan het einde van de bijzin.

einen besseren + zelfstandig naamwoord

einen besseren Putzplan

ainen besseren poetsplaan

een beter schoonmaakschema

„besseren” is de vergrotende trap van „besser” en krijgt hier de uitgang -en na „einen”.

Duits woordenschat

abstauben werkwoord
apsjtauben afstoffen

die Regale abstauben

Aufgaben zelfstandig naamwoord
aufgaaben taken

die Aufgaben

besseren bijvoeglijk naamwoord
besseren betere

einen besseren Putzplan

brauchen werkwoord
braugən nodig hebben

Wir brauchen einen besseren Putzplan.

Dann bijwoord
dan dan

Dann wische ich die Küche.

gleichmäßig bijwoord
glaajsmeesig gelijkmatig

nicht gleichmäßig aufteilen

Putzplan zelfstandig naamwoord
poetsplaan schoonmaakschema

einen besseren Putzplan

Regale zelfstandig naamwoord
regaale planken

die Regale

Samstagmorgen zelfstandig naamwoord
tsámstaakmorgen zaterdagochtend

am Samstagmorgen

teilen werkwoord
taajlen verdelen

Wir teilen die Aufgaben nicht gleichmäßig auf.

wische werkwoord
visje dweil

Dann wische ich die Küche.

Wohnung zelfstandig naamwoord
voonong appartement

für die Wohnung

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

nodig hebben

Antwoord tonenbrauchen

taken

Antwoord tonenAufgaben

betere

Antwoord tonenbesseren

schoonmaakschema

Antwoord tonenPutzplan