Een treinkaartje kopen met een overstap | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At a train ticket machine, one adult helps another choose a destination, check the transfer point, and keep the ticket..

NL → DE / Niveau: A2

Over deze les

Met Een treinkaartje kopen met een overstap oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich brauche Hilfe, um für diese Reise ein Ticket zu kaufen.

iech brau-chun hil-fuh, oem fuur die-zuh rai-zuh ain ti-kut tsoe kau-fun. Ik heb hulp nodig bij het kopen van een kaartje voor deze reis.
B

Du kannst es an diesem Automaten kaufen.

doe kanst es an die-zum au-to-maa-tun kau-fun. Je kunt het bij deze automaat kopen.
A

Welche Option soll ich zuerst wählen?

vel-sjuh op-tsie-oon zol iech tsoe-erst vee-lun? Welke optie moet ik eerst kiezen?
B

Wähle dein Reiseziel auf dem Bildschirm aus.

vee-luh dain rai-zuh-tsiel auf deem bilt-sjirm aus. Kies je bestemming op het scherm.
A

Wie kann ich sehen, wo ich umsteigen muss?

wie kan iech zee-un, voo iech oem-sjtai-gun moes? Hoe kan ik zien waar ik moet overstappen?
B

Die Streckendetails erscheinen vor der Zahlung.

die sjtrek-un-die-tails er-sjai-nun foor de-er tsaa-loeng. De details van de route verschijnen vóór de betaling.
A

Ich kann jetzt den Umsteigepunkt sehen.

iech kan jetsst deen oem-sjtai-guh-poengkt zee-un. Ik kan het overstappunt nu zien.
B

Behalte die Fahrkarte bei dir, bis die Reise vorbei ist.

buh-hal-tuh die faar-kar-tuh bai dier, bis die rai-zuh foor-bai ist. Houd het kaartje bij je tot de reis voorbij is.

Woord voor woord

Ich „Ich“ betekent hier „ik“ en is degene die hulp nodig heeft in „Ich brauche Hilfe“. Gebruik deze vorm als je zelf het onderwerp van een zin bent, bijvoorbeeld bij het uitleggen van een behoefte aan een medewerker.
brauche „brauche“ betekent hier „heb nodig“ in „Ich brauche Hilfe“. Dit is de vorm die bij „Ich“ hoort en wordt vaak gebruikt voor iets wat je nodig hebt, zoals hulp of informatie. Je kunt dit gebruiken wanneer je in een station of winkel om iets noodzakelijks vraagt.
Hilfe „Hilfe“ betekent hier „hulp“ in „Ich brauche Hilfe“. Het woord staat in deze zin bij „brauche“ om aan te geven wat je nodig hebt. Gebruik het bijvoorbeeld wanneer je iemand om ondersteuning vraagt.
um „um“ maakt in „um für diese Reise ein Ticket zu kaufen“ deel uit van de constructie voor een doel: om een ticket te kopen. Samen met „zu“ en het werkwoord geeft het aan waarom de hulp nodig is. Deze constructie is bruikbaar wanneer je het doel van een handeling uitlegt.
für „für“ betekent hier „voor“ in „für diese Reise“. Het verbindt het ticket met de reis waarvoor je het koopt. Gebruik dit voorzetsel om het doel of de bestemming van iets aan te geven.
diese „diese“ betekent hier „deze“ en verwijst in „für diese Reise“ naar de reis waarover de sprekers het hebben. De vorm staat vóór het zelfstandig naamwoord „Reise“ en past bij die specifieke reis. Gebruik deze vorm wanneer je naar iets concreets en dichtbij de gesprekssituatie verwijst.
Reise „Reise“ betekent hier „reis“ in „für diese Reise“. Het gaat om de volledige verplaatsing waarvoor het ticket wordt gekocht. Gebruik het woord bij het bespreken van een geplande of gemaakte tocht.
ein „ein“ betekent hier „een“ in „ein Ticket“ en introduceert één ticket zonder het als eerder bekend te presenteren. Het staat direct vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik deze vorm bij een enkelvoudig ticket of ander mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord in een vergelijkbare zin.
Ticket „Ticket“ betekent hier „ticket“ in „ein Ticket zu kaufen“. Het is het vervoersbewijs dat de reiziger wil kopen. Gebruik het woord wanneer je bij een automaat of loket over een ticket spreekt.
zu „zu“ is hier de infinitiefmarkeerder in „zu kaufen“. Samen met „um“ en „kaufen“ vormt het de doelconstructie „um ... zu kaufen“. Gebruik deze combinatie wanneer je zegt dat iets wordt gedaan om een bepaalde handeling uit te voeren.
kaufen „kaufen“ betekent hier „kopen“ in „ein Ticket zu kaufen“. Het is de infinitief na „zu“ en beschrijft de handeling waarvoor hulp nodig is. Gebruik het bij het aanschaffen van een ticket, product of dienst.
Du „Du“ betekent hier „jij“ in „Du kannst es ... kaufen“ en spreekt één andere persoon informeel aan. Het is het onderwerp van de zin. Gebruik deze vorm in een rechtstreeks informeel gesprek, bijvoorbeeld wanneer je iemand bij de automaat helpt.
kannst „kannst“ betekent hier „kunt“ in „Du kannst es ... kaufen“. Deze vorm hoort bij „Du“ en drukt hier uit dat de ander de mogelijkheid heeft om het ticket te kopen. Het modale werkwoord staat samen met het hele werkwoord aan het einde van de zin, zoals in „kaufen“.
es „es“ betekent hier „het“ en verwijst terug naar het ticket in „Du kannst es ... kaufen“. Het korte voornaamwoord voorkomt dat „Ticket“ opnieuw wordt herhaald. Gebruik het om naar een eerder genoemd onzijdig zelfstandig naamwoord of ding te verwijzen.
an „an“ betekent hier „bij“ of „aan“ in „an diesem Automaten“ en geeft de plaats van de handeling aan. Het voorzetsel staat hier samen met „diesem Automaten“. Gebruik het bij een handeling die plaatsvindt bij een automaat, loket of ander vast punt.
diesem „diesem“ betekent hier „deze“ in „an diesem Automaten“ en verwijst naar de automaat waar de reiziger staat. De vorm staat bij het voorzetsel „an“ en het zelfstandig naamwoord „Automaten“. Gebruik deze vorm wanneer je naar één concrete automaat of vergelijkbaar mannelijk woord verwijst in deze constructie.
Automaten „Automaten“ betekent hier „automaat“ in „an diesem Automaten“. Het verwijst naar de machine waarmee je het ticket koopt. Deze vorm staat na „an diesem“; gebruik het woord bij een ticketautomaat of andere zelfbedieningsmachine.
Welche „Welche“ betekent hier „welke“ in „Welche Option soll ich zuerst wählen?“. Het vraagt om één keuze uit meerdere mogelijkheden en staat vóór „Option“. Gebruik deze vraagvorm wanneer je iemand laat aangeven welke mogelijkheid je moet selecteren.
Option „Option“ betekent hier „optie“ in „Welche Option ... wählen?“. Het is één van de keuzemogelijkheden op de automaat. Gebruik het woord bij een menu, instelling of keuze tussen verschillende mogelijkheden.
soll „soll“ betekent hier „moet“ of „zal ... moeten“ in „Welche Option soll ich zuerst wählen?“. Het drukt uit welke keuze de spreker volgens de situatie hoort te maken en staat samen met „wählen“. Gebruik deze vorm om naar de aanbevolen of vereiste volgende stap te vragen.
zuerst „zuerst“ betekent hier „eerst“ in „zuerst wählen“ en geeft de volgorde van de handelingen aan. Het zegt dat deze keuze vóór de andere stappen komt. Gebruik het wanneer je wilt aangeven wat als eerste moet gebeuren.
wählen „wählen“ betekent hier „kiezen“ in „soll ich zuerst wählen?“. Het is het hele werkwoord dat volgt op het modale werkwoord „soll“. Gebruik het bij het selecteren van een optie, bestemming of ander item op een scherm.
Wähle „Wähle“ betekent hier „kies“ in de opdracht „Wähle dein Reiseziel auf dem Bildschirm aus“. Het is de directe opdracht aan één informeel aangesproken persoon. Samen met „aus“ vormt het de handeling van selecteren; gebruik dit bijvoorbeeld wanneer je iemand bij een automaat stap voor stap instrueert.
dein „dein“ betekent hier „jouw“ in „dein Reiseziel“. Het geeft aan dat de bestemming bij de aangesproken persoon hoort of door die persoon wordt gekozen. Gebruik deze vorm vóór een enkelvoudig onzijdig zelfstandig naamwoord, zoals „Reiseziel“.
Reiseziel „Reiseziel“ betekent hier „bestemming“ in „dein Reiseziel“. Het is de plaats waar de reiziger naartoe wil. Gebruik het woord bij het kiezen of controleren van een reisbestemming.
auf „auf“ betekent hier „op“ in „auf dem Bildschirm“ en geeft aan waar de bestemming zichtbaar is. Het staat samen met „dem Bildschirm“ om een plaats op een oppervlak aan te duiden. Gebruik deze combinatie wanneer je naar informatie op een scherm verwijst.
dem „dem“ betekent hier „de“ in „dem Bildschirm“. Het is de vorm van het bepaalde lidwoord die na „auf“ in deze plaatsaanduiding staat. Gebruik de volledige combinatie wanneer iets zich op het scherm bevindt of daar wordt geselecteerd.
Bildschirm „Bildschirm“ betekent hier „scherm“ in „auf dem Bildschirm“. Het verwijst naar het display van de ticketautomaat waarop de opties verschijnen. Gebruik het woord bij informatie of keuzes die op een scherm worden getoond.
aus „aus“ is hier het gescheiden deel van het werkwoord in „Wähle dein Reiseziel auf dem Bildschirm aus“. Samen betekent „Wähle ... aus“ dat je de bestemming selecteert. Gebruik dit deel altijd als onderdeel van die selectiehandeling; in de zin staat het achteraan.
Wie „Wie“ betekent hier „hoe“ in „Wie kann ich sehen ...?“. Het vraagt naar de manier waarop de spreker iets kan controleren. Gebruik deze vraagvorm wanneer je uitleg wilt over de uitvoering van een handeling.
kann „kann“ betekent hier „kan“ in „Wie kann ich sehen ...?“. Deze vorm hoort bij „ich“ en drukt uit dat de spreker vraagt welke mogelijkheid of manier er is. Het modale werkwoord staat samen met het hele werkwoord „sehen“.
sehen „sehen“ betekent hier „zien“ of „controleren“ in „kann ich sehen, wo ich umsteigen muss?“. Het verwijst naar het bekijken van de reisinformatie op de automaat. Gebruik het na een modaal werkwoord wanneer je wilt vragen of zeggen dat je iets kunt bekijken.
wo „wo“ betekent hier „waar“ in „wo ich umsteigen muss“. Het leidt de bijzin in die de plaats van het overstappen beschrijft. Gebruik het om naar een locatie te vragen, ook binnen een langere zin.
umsteigen „umsteigen“ betekent hier „overstappen“ in „wo ich umsteigen muss“. Het gaat om het verlaten van één trein en verder reizen met een andere. Gebruik het bij trein- of andere openbaarvervoerreizen wanneer een wissel van voertuig nodig is.
muss „muss“ betekent hier „moet“ in „wo ich umsteigen muss“. Deze vorm hoort bij „ich“ en geeft aan dat de overstap noodzakelijk is. In de bijzin staat het werkwoord aan het einde; gebruik deze vorm om een verplichting of noodzakelijke stap te beschrijven.
Die „Die“ betekent hier „de“ in „Die Streckendetails erscheinen ...“ en verwijst naar de routegegevens die op het scherm verschijnen. Het staat aan het begin van de zin vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord „Streckendetails“. Gebruik dit bepaalde lidwoord wanneer je naar bekende of specifieke gegevens verwijst.
Streckendetails „Streckendetails“ betekent hier „routegegevens“ of „details van de route“. In „Die Streckendetails erscheinen vor der Zahlung“ gaat het om informatie over het traject vóór het betalen. Gebruik het woord bij vertrektijden, overstappen of andere informatie over een route.
erscheinen „erscheinen“ betekent hier „verschijnen“ in „Die Streckendetails erscheinen ...“. De routegegevens worden op het scherm zichtbaar vóór de betaling. Gebruik dit werkwoord wanneer informatie, tekst of een melding zichtbaar wordt.
vor „vor“ betekent hier „vóór“ in „vor der Zahlung“ en geeft aan dat de routegegevens eerder verschijnen dan de betaling. Het staat vóór de naam van de handeling die daarna komt. Gebruik het bij een duidelijke tijdsvolgorde tussen twee gebeurtenissen.
der „der“ betekent hier „de“ in „der Zahlung“. Het hoort bij „Zahlung“ en staat na het voorzetsel „vor“ in deze tijdsaanduiding. Gebruik de volledige combinatie om te zeggen dat iets vóór een specifieke betaling gebeurt.
Zahlung „Zahlung“ betekent hier „betaling“ in „vor der Zahlung“. Het verwijst naar het moment waarop de reiziger voor het ticket betaalt. Gebruik het woord bij betaalstappen in een automaat, winkel of andere aankoop.
jetzt „jetzt“ betekent hier „nu“ in „Ich kann jetzt den Umsteigepunkt sehen“. Het geeft aan dat de informatie op dit moment zichtbaar is. Gebruik het om een verandering of waarneming in de huidige situatie te markeren.
den „den“ betekent hier „de“ in „den Umsteigepunkt sehen“. Het verwijst naar het concrete overstappunt dat de spreker kan zien. De vorm staat vóór het mannelijke zelfstandig naamwoord als voorwerp van „sehen“; gebruik de volledige woordgroep bij het bekijken van een specifiek punt.
Umsteigepunkt „Umsteigepunkt“ betekent hier „overstappunt“ in „den Umsteigepunkt sehen“. Het is de plaats waar de reiziger van trein moet wisselen. Gebruik het bij het controleren van een reisroute met een overstap.
Behalte „Behalte“ betekent hier „houd“ of „bewaar“ in de opdracht „Behalte die Fahrkarte bei dir“. Het is een directe instructie aan één informeel aangesproken persoon om het ticket niet weg te doen. Gebruik deze vorm wanneer je iemand adviseert iets bij zich te houden.
Fahrkarte „Fahrkarte“ betekent hier „treinkaartje“ of „vervoerbewijs“ in „Behalte die Fahrkarte bei dir“. Het is het ticket dat tijdens de hele reis bewaard moet worden. Gebruik het woord bij een vervoersbewijs voor een treinreis of andere rit.
bei „bei“ betekent hier „bij“ in „bei dir“ en draagt bij aan de betekenis „bij je hebben“ of „op je persoon houden“. Het staat samen met het voornaamwoord „dir“ en beschrijft waar de Fahrkarte moet blijven. Gebruik deze combinatie wanneer iemand iets tijdens een reis bij zich moet houden.
dir „dir“ betekent hier „jou“ of „bij jou“ in „bei dir“. Het is de vorm voor de aangesproken persoon na „bei“ en geeft aan dat die persoon het ticket bij zich houdt. Gebruik deze vorm in een directe informele instructie over iets dat iemand bij zich heeft.
bis „bis“ betekent hier „totdat“ in „bis die Reise vorbei ist“. Het markeert de grens tot wanneer de Fahrkarte bewaard moet worden. Gebruik het om aan te geven dat een handeling doorgaat tot een bepaald moment of een gebeurtenis.
vorbei „vorbei“ betekent hier „voorbij“ of „afgelopen“ in „bis die Reise vorbei ist“. Het beschrijft dat de reis beëindigd is. Gebruik het in deze constructie om het einde van een gebeurtenis aan te geven.
ist „ist“ betekent hier „is“ in „die Reise vorbei ist“. Deze vorm verbindt „die Reise“ met de toestand „vorbei“ en staat aan het einde van de bijzin na „bis“. Gebruik het om een toestand van één persoon, zaak of gebeurtenis te beschrijven.

Grammatica

Trennbares Verb: auswählen → Wähle ... aus

Wähle eine Option am Bildschirm aus.

vee-luh ai-nuh op-tsie-oon am bilt-sjirm aus.

Kies een optie op het scherm.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel aus aan het einde van de zin.

Duits woordenschat

auswählen werkwoord
aus-vee-lun selecteren aus

Wähle dein Reiseziel auf dem Bildschirm aus.

Automat zelfstandig naamwoord
au-to-maat automaat Automaten

Du kannst es an diesem Automaten kaufen.

Bildschirm zelfstandig naamwoord
bilt-sjirm scherm

Wähle dein Reiseziel auf dem Bildschirm aus.

brauchen werkwoord
brau-chun nodig hebben brauche

Ich brauche Hilfe, um für diese Reise ein Ticket zu kaufen.

Hilfe zelfstandig naamwoord
hil-fuh hulp

Ich brauche Hilfe, um für diese Reise ein Ticket zu kaufen.

kaufen werkwoord
kau-fun kopen

Ich brauche Hilfe, um für diese Reise ein Ticket zu kaufen.

Option zelfstandig naamwoord
op-tsie-oon optie

Welche Option soll ich zuerst wählen?

Reiseziel zelfstandig naamwoord
rai-zuh-tsiel bestemming

Wähle dein Reiseziel auf dem Bildschirm aus.

Streckendetail zelfstandig naamwoord
sjtrek-un-dee-tail detail van de route Streckendetails

Die Streckendetails erscheinen vor der Zahlung.

Ticket zelfstandig naamwoord
ti-kut kaartje

Du kannst es an diesem Automaten kaufen.

umsteigen werkwoord
oem-sjtai-gun overstappen

Wie kann ich sehen, wo ich umsteigen muss?

wählen werkwoord
vee-lun kiezen Wähle

Wähle dein Reiseziel auf dem Bildschirm aus.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Welke optie moet ik eerst kiezen?

Antwoord tonenWelche Option soll ich zuerst wählen?

De details van de route verschijnen vóór de betaling.

Antwoord tonenDie Streckendetails erscheinen vor der Zahlung.

Ik kan het overstappunt nu zien.

Antwoord tonenIch kann jetzt den Umsteigepunkt sehen.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

hulp

Antwoord tonenHilfe

kopen

Antwoord tonenkaufen

scherm

Antwoord tonenBildschirm

automaat

Antwoord tonenAutomaten