Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Uitchecken en hulp bij de balie oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.
Dialoog
Ich möchte bitte auschecken.
iech meurgtuh bitte aus-tsjekken. Ik wil graag uitchecken, alstublieft.Haben Sie Ihren Zimmerschlüssel dabei?
haaben zie ieren tsimmer-sluusel da-bai? Hebt u uw kamersleutel bij u?Ja, hier ist er.
jaa, hie-uh ist ee-uh. Ja, hier is hij.Ich checke Sie jetzt aus.
iech tsjekku zie jetst aus. Ik check u nu uit.Kann mir jemand mit meiner Tasche helfen?
kan mie-uh jeemand mit mai-nuh tasje helfuh(n)? Kan iemand me met mijn tas helpen?Ich kann jemanden bitten, Sie an der Rezeption zu treffen.
iech kan jeemanden bittuh(n), zie an de-uh retseptsie-oon tsuu treffuh(n). Ik kan iemand vragen u bij de balie te ontmoeten.Das Zimmer war sehr komfortabel.
das tsimmer vaar zee-uh komfor-taabel. De kamer was erg comfortabel.Das freut mich zu hören.
das froit mieg tsuu heuren. Dat hoor ik graag.Gute Reise.
guute rai-zuh. Een goede reis.Uitleg van de zinnen
Ich möchte bitte auschecken.
Ik wil graag uitchecken, alstublieft.
- Ich möchte
- ik wil graag
- bitte
- alstublieft
- auschecken
- uitchecken
Uitgebreide uitleg
Ich möchte betekent hier dat de spreker beleefd aangeeft iets te willen doen. Ich is de eerste persoon enkelvoud: de spreker zelf. möchte is de vorm die in zulke beleefde wensen wordt gebruikt bij mögen; in deze zin functioneert zij als een beleefde manier om “willen” uit te drukken. Bijvoorbeeld: Ich möchte einen Kaffee. — “Ik wil graag een koffie.” bitte voegt een beleefde formulering toe, ongeveer “alstublieft” of “graag”, afhankelijk van de zin. Het woord op zichzelf geeft hier geen extra handeling of hoeveelheid aan; het verzacht het verzoek. auschecken is het werkwoord “uitchecken”, in de infinitief. Na möchte staat het volgende werkwoord in deze vorm: Ich möchte auschecken. — “Ik wil uitchecken.” Het is een scheidbaar Duits werkwoord: in een hoofdzin zonder möchte kan men bijvoorbeeld zeggen Ich checke aus. — “Ik check uit.” Na möchte blijft de infinitief auschecken bij elkaar staan. Samen vormen de delen Ich möchte bitte auschecken. een beleefd verzoek: “Ik wil graag uitchecken, alstublieft.” De spreker vraagt daarmee in de gegeven situatie om het uitchecken te regelen; möchte maakt de wens beleefd en bitte versterkt die beleefdheid.
Haben Sie Ihren Zimmerschlüssel dabei?
Hebt u uw kamersleutel bij u?
- Haben
- hebben
- Sie
- u (formeel)
- Ihren
- uw
- Zimmerschlüssel
- kamersleutel
- dabei
- bij u
Uitgebreide uitleg
Haben is de vorm van haben (hebben) voor Sie in de tegenwoordige tijd. In deze ja-neevraag staat het vervoegde werkwoord vooraan: Haben Sie ...? = “Hebt u ...?” Hetzelfde patroon is herbruikbaar, bijvoorbeeld: Haben Sie Zeit? — “Hebt u tijd?” Sie betekent hier “u” als formele aanspreekvorm. Deze vorm wordt voor één persoon en voor meerdere personen gebruikt; de context bepaalt niet dat het om meer dan één persoon gaat. De formele vorm wordt met een hoofdletter geschreven. Vergelijk in een informele aanspreking: Hast du Zeit? — “Heb je tijd?” Ihren hoort bij Ihr (“uw”) en stemt hier af op Zimmerschlüssel. Het is niet het zelfstandig naamwoord dat een vorm van Ihren veroorzaakt door nabijheid, maar de grammaticale rol: Zimmerschlüssel is hier het lijdend voorwerp van haben, dus staat het in de accusatief. Omdat Schlüssel mannelijk enkelvoud is, krijgt het bezittelijk woord de vorm Ihren: Ihren Schlüssel. Vergelijk: Ich habe Ihren Pass. — “Ik heb uw paspoort.” Bij een vrouwelijk enkelvoudig lijdend voorwerp staat bijvoorbeeld Ihre: Ich habe Ihre Karte. — “Ik heb uw kaart.” Zimmerschlüssel is een samenstelling van Zimmer (“kamer”) en Schlüssel (“sleutel”): “kamersleutel”. Het meervoud is Zimmerschlüssel; de vorm blijft daarbij hetzelfde. Een bruikbaar ander voorbeeld is Der Zimmerschlüssel ist hier. — “De kamersleutel is hier.” dabei betekent hier dat iets bij iemand is of door iemand wordt meegedragen: “bij u”. In combinatie met de vraag gaat het dus om het bij zich hebben van de kamersleutel. Het is een bijwoord en niet hetzelfde als alleen de plaatsaanduiding hier (“hier”). Bijvoorbeeld: Haben Sie Ihren Ausweis dabei? — “Hebt u uw identiteitsbewijs bij u?” Samen vormen de delen de vraag Haben Sie Ihren Zimmerschlüssel dabei?: “Hebt u uw kamersleutel bij u?” De vraag gebruikt de volgorde van een Duitse ja-neevraag (werkwoord + formeel onderwerp + voorwerp + overige bepaling) en vraagt of de aangesprokene de kamersleutel op dat moment bij zich heeft.
Ja, hier ist er.
Ja, hier is hij.
- Ja
- ja
- hier
- hier
- ist
- is
- er
- hij
Uitgebreide uitleg
Ja bevestigt wat eraan voorafgaat. Het is een algemeen bevestigend woord; het zegt op zichzelf niet hoeveel of welke dingen bedoeld zijn. hier betekent ‘op deze plaats’ of ‘op de plaats waar de spreker het aanwijst’. Het verwijst naar de locatie van het bedoelde onderwerp. Voor een andere plaats gebruik je bijvoorbeeld dort (‘daar’): Dort ist er. betekent ‘Daar is hij.’ ist is de derde persoon enkelvoud van sein (‘zijn’) in de tegenwoordige tijd. De nuttige vormreeks is: sein — ist — sind; ist hoort bij een enkelvoudig onderwerp, terwijl sind onder meer bij een meervoudig onderwerp hoort. Bijvoorbeeld: Hier ist der Schlüssel. — ‘Hier is de sleutel.’ er is een persoonlijk voornaamwoord voor een mannelijk enkelvoudig onderwerp. De vorm zelf noemt in deze zin niet welk concreet mannelijk referent bedoeld wordt; de vaste vertaling geeft het weer als hij. De Duitse vorm past grammaticaal bij het geslacht en getal van het bedoelde zelfstandig naamwoord, niet noodzakelijk bij een persoon. Een contrast is sie voor een vrouwelijk enkelvoudig onderwerp of, afhankelijk van de context, voor meervoud. Samen vormen de delen de bevestiging Ja, hier ist er.: ‘Ja, hier is hij.’ Ja bevestigt, hier geeft de plaats aan, en ist er zegt dat het bedoelde onderwerp zich daar bevindt. De zin is geschikt wanneer de gesprekspartners al weten waarnaar er verwijst; die verwijzing wordt in deze ene zin niet opnieuw als zelfstandig naamwoord uitgesproken.
Ich checke Sie jetzt aus.
Ik check u nu uit.
- Ich
- ik
- checke … aus
- uitchecken
- Sie
- u
- jetzt
- nu
Uitgebreide uitleg
Ich betekent “ik” en is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud. Het verwijst hier naar de spreker. Een tegenovergestelde aanspreekvorm is bijvoorbeeld du, voor één informeel aangesproken persoon. checke is hier de tegenwoordige-tijdsvorm van auschecken voor de eerste persoon enkelvoud. Auschecken is scheidbaar: in deze hoofdzin staat de vervoegde vorm checke op de tweede positie en staat aus aan het einde. Voorbeeld: Wir checken das Angebot aus. — “We bekijken het aanbod.” Sie betekent hier “u” en is de formele aanspreekvorm in de accusatief als lijdend voorwerp. De hoofdletter hoort bij dit formele pronomen. Deze vorm kan zowel één als meerdere formeel aangesproken personen aanduiden; de vaste vertaling en de zin bepalen het aantal hier niet. jetzt betekent “nu” en plaatst de handeling in het huidige moment. Deze vorm verandert niet mee met persoon of getal. In de volledige zin staan Ich, checke, Sie en jetzt, met het gescheiden voorvoegsel aus achteraan. Samen geven ze de betekenis: “Ik check u nu uit.”
Kann mir jemand mit meiner Tasche helfen?
Kan iemand me met mijn tas helpen?
- Kann
- kan
- mir
- mij
- jemand
- iemand
- mit
- met
- meiner
- mijn
- Tasche
- tas
- helfen
- helpen
Uitgebreide uitleg
Kann is de vervoegde vorm van können in de tegenwoordige tijd voor ich of er/sie/es; hier hoort hij bij het niet uitgesproken onderwerp jemand en betekent hij “kan”. In een vraag staat de vervoegde vorm vooraan. können drukt hier mogelijkheid of bereidheid uit, niet simpelweg een vaststaand feit. Voorbeeld: Kannst du kommen? — “Kun je komen?” mir betekent hier “mij” als ontvanger van hulp. Het is de datiefvorm van ich; bij helfen staat de persoon die hulp krijgt in de datief: jemandem helfen. Voorbeeld: Kannst du mir helfen? — “Kun je me helpen?” jemand betekent “iemand” en is hier het onderwerp: die onbekende persoon zou de hulp geven. Het woord staat in deze zin in de nominatief. De datiefvorm is jemandem, bijvoorbeeld in Ich helfe jemandem. — “Ik help iemand.” mit betekent “met” en vormt hier de verbinding mit + datief. Het introduceert wat de hulp betreft; het maakt niet de tas tot degene die hulp ontvangt. meiner hoort bij meine en betekent hier “mijn”. De vorm is datief vrouwelijk enkelvoud, omdat Tasche vrouwelijk enkelvoud is en na mit de datief nodig is. Vergelijk: meine Tasche — “mijn tas” als onderwerp of lijdend voorwerp, maar mit meiner Tasche — “met mijn tas”. Tasche is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent “tas”. Het enkelvoud is die Tasche; het meervoud is die Taschen. In dit voorbeeld verwijst de vorm naar één tas, zonder dat het woord zelf een bepaald lidwoord bevat. Voorbeeld: Die Tasche ist schwer. — “De tas is zwaar.” helfen is de infinitief “helpen”. Na een vervoegde vorm van können blijft het andere werkwoord in de infinitief en staat het in deze hoofdzin achteraan: Kann jemand helfen? — “Kan iemand helpen?” Het werkwoord helfen gebruikt voor de geholpen persoon de datief, zoals in Sie hilft mir. — “Zij helpt mij.” De vraag begint met Kann, gevolgd door de datiefontvanger mir en het onderwerp jemand. Daarna geeft mit meiner Tasche aan waarmee de hulp verband houdt: mit vereist hier de datiefvorm meiner bij Tasche. Het modale werkwoord kann staat in deze ja-neevraag op de eerste zinsplaats, terwijl de infinitief helfen naar het einde gaat. Samen betekent de zin: “Kan iemand me met mijn tas helpen?” Dit is een gewone, beleefde manier om hulp te vragen. De vorm jemand laat de helper onbepaald; de zin zegt alleen dat een persoon hulp zou kunnen geven.
Ich kann jemanden bitten, Sie an der Rezeption zu treffen.
Ik kan iemand vragen u bij de balie te ontmoeten.
- Ich kann
- ik kan
- jemanden
- iemand
- bitten
- vragen
- Sie
- u
- Rezeption
- balie; receptie
- treffen
- ontmoeten
Uitgebreide uitleg
Ich kann drukt hier uit dat de spreker iets kan doen of daartoe in staat is. kann is de vorm van können bij ich; het infinitief können staat dus niet in deze zin. Bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord meestal als infinitief aan het einde van de bijzin of constructie: Ich kann kommen = “Ik kan komen.” jemanden betekent hier “iemand” als degene die door de handeling wordt getroffen. Het is de accusatiefvorm van jemand: jemand (nominatief), jemandem (datief), jemanden (accusatief). Het onbepaalde voornaamwoord verwijst hier naar een niet nader genoemde persoon; het geeft geen precieze identiteit. bitten betekent “vragen” in de betekenis iemand verzoeken iets te doen. Een belangrijk patroon is jemanden bitten, etwas zu tun: “iemand vragen om iets te doen.” Voorbeeld: Ich bitte ihn, zu warten. — “Ik vraag hem om te wachten.” bitten is een sterk werkwoord; de vorm in de ik-tegenwoordige tijd is ich bitte, terwijl de infinitief bitten blijft. Sie is de formele aanspreekvorm voor “u”. De hoofdletter onderscheidt deze vorm van het kleine sie, dat andere pronominale functies kan hebben. In deze zin is Sie het voorwerp van treffen; de formele vorm is voor één of meer aangesproken personen hetzelfde, zodat het aantal hier niet uit deze vorm alleen blijkt. Rezeption is het zelfstandig naamwoord voor een receptie of balie, bijvoorbeeld in een hotel. Het heeft het vrouwelijke geslacht: die Rezeption. In an der Rezeption staat het na de datiefvorm der, omdat an hier een plaats aanduidt, niet een beweging naar een plaats. Het woord zelf blijft Rezeption; het lidwoord en de vorm van het lidwoord dragen hier de relevante naamvalsinformatie. treffen betekent “ontmoeten”. Hier staat het als infinitief na zu: zu treffen. Het werkwoord neemt voor de ontmoete persoon de accusatief: jemanden treffen. Voorbeeld: Wir treffen unsere Freunde morgen. — “Wij ontmoeten onze vrienden morgen.” In de gegeven zin is Sie degene die ontmoet wordt. Samen vormt de zin het patroon Ich kann [iemand] bitten, [u] an [plaats] zu treffen: de spreker kan een niet nader genoemde persoon vragen om de formeel aangesproken persoon bij de receptie te ontmoeten. De mogelijkheid of bekwaamheid komt van kann; bitten introduceert het verzoek en Sie ... zu treffen benoemt wat die persoon gevraagd wordt te doen. De volledige betekenis is: “Ik kan iemand vragen u bij de balie te ontmoeten.”
Das Zimmer war sehr komfortabel.
De kamer was erg comfortabel.
- Das
- het
- Zimmer
- kamer
- war
- was
- sehr
- erg
- komfortabel
- comfortabel
Uitgebreide uitleg
Das staat hier vóór Zimmer als bepaald lidwoord. De vorm hoort bij een enkelvoudig onzijdig zelfstandig naamwoord in deze naamval: das Zimmer. Vergelijk in een andere grammaticale omgeving der Raum (mannelijk) en die Tür (vrouwelijk); het lidwoord wordt dus niet alleen door enkelvoud bepaald. Zimmer betekent hier een kamer, meestal een ruimte in een gebouw. Het meervoud heeft dezelfde vorm: das Zimmer — die Zimmer. Voorbeeld: Das Zimmer ist groß. — De kamer is groot. war is de verleden tijd van sein voor de derde persoon enkelvoud: sein — ist — war. Het beschrijft hier een toestand in het verleden. Voorbeeld: Das Hotel war ruhig. — Het hotel was rustig. sehr versterkt een bijvoeglijk naamwoord of ander bijwoord en betekent ‘erg’ of ‘zeer’. Het staat hier vóór komfortabel: sehr komfortabel. Voorbeeld: Das Bett ist sehr weich. — Het bed is erg zacht. komfortabel is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis ‘comfortabel’. Na sein staat het predicatief; daarom krijgt het hier geen uitgang: Das Zimmer ist komfortabel, niet een verbogen vorm achter het koppelwerkwoord. Voorbeeld: Der Sessel war komfortabel. — De fauteuil was comfortabel. Samen vormen de delen Das Zimmer (de kamer), war (was), sehr komfortabel (erg comfortabel). De volledige betekenis is dus: ‘De kamer was erg comfortabel.’
Das freut mich zu hören.
Dat hoor ik graag.
- Das
- dat
- freut
- verheugt; doet plezier
- mich
- mij
- zu hören
- te horen
Uitgebreide uitleg
Das verwijst hier naar de zojuist genoemde informatie of situatie; de vertaling maakt dat concreet als “dat”. Als zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord staat het in deze zin als onderwerp. Het kan ook vóór een zelfstandig naamwoord staan, bijvoorbeeld das Zimmer = “de kamer”, zoals in de vorige zin. freut komt van freuen. In deze vorm is het de derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd: er/sie/es freut. In de constructie Das freut mich is iets dat iemand plezier doet het onderwerp, terwijl de persoon die dat plezier ervaart in de accusatief staat. Een bruikbaar patroon is Das freut mich = “Dat doet me plezier”. Voorbeeld: Das freut mich sehr. = “Dat doet me veel plezier.” mich is de accusatiefvorm van het persoonlijke voornaamwoord ich (“ik”). Vergelijk ich als onderwerp met mich als betrokken persoon of lijdend voorwerp: Ich höre das. = “Ik hoor dat”; Das freut mich. = “Dat doet mij plezier.” zu hören bestaat uit zu plus het infinitief hören (“horen”). Na zu blijft hören in de infinitief staan; samen betekent dit hier “te horen”. Het patroon Es ist schön, dich zu sehen. betekent bijvoorbeeld “Het is fijn je te zien.” Samen vormt Das freut mich zu hören een vaste, beleefde manier om te zeggen dat je het prettig vindt om bepaalde informatie te vernemen. In overeenstemming met de vaste vertaling betekent de hele zin: “Dat hoor ik graag.”
Gute Reise.
Een goede reis.
- Gute
- goede
- Reise
- reis
Uitgebreide uitleg
Gute betekent hier “goede” en is de verbogen vorm van het bijvoeglijk naamwoord gut (“goed”). De uitgang -e past hier bij Reise, een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord, in de beknopte wens zonder lidwoord. Vergelijk: eine gute Reise = “een goede reis”. Reise betekent “reis”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Reise; het meervoud is die Reisen. Voorbeeld: Die Reise beginnt morgen. = “De reis begint morgen.” Samen vormen Gute Reise. een vaste, verkorte wens: letterlijk “goede reis”, met de bedoeling “Een goede reis.” De volledige zinsbouw is niet uitgeschreven; in deze context fungeert de woordgroep zelfstandig als afscheidwens. De voorafgaande zin Das freut mich zu hören. verandert de betekenis van deze wens niet.
Grammatica
auschecken: checke ... aus
Ich checke jetzt aus.
iech tsjekku jetst aus.Ik check nu uit.
Bij een scheidbaar werkwoord komt het voorvoegsel aus aan het einde van de zin.
freut mich
Freut mich, Sie zu treffen.
froit mieg, zie tsuu treffuh(n).Aangenaam u te ontmoeten.
Freut mich is een vaste uitdrukking om beleefd te zeggen dat je blij bent iemand te ontmoeten.
Duits woordenschat
Ich möchte bitte auschecken.
Ich checke Sie jetzt aus.
Haben Sie Ihren Zimmerschlüssel dabei?
Kann mir jemand mit meiner Tasche helfen?
Ja, hier ist er.
Kann mir jemand mit meiner Tasche helfen?
Ich checke Sie jetzt aus.
Kann mir jemand mit meiner Tasche helfen?
Ich möchte bitte auschecken.
Ich kann jemanden bitten, Sie an der Rezeption zu treffen.
Kann mir jemand mit meiner Tasche helfen?
Haben Sie Ihren Zimmerschlüssel dabei?
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Ik wil graag uitchecken, alstublieft.
Antwoord tonen
Ich möchte bitte auschecken.Hebt u uw kamersleutel bij u?
Antwoord tonen
Haben Sie Ihren Zimmerschlüssel dabei?Ja, hier is hij.
Antwoord tonen
Ja, hier ist er.Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
helpen
Antwoord tonen
helfenbij u
Antwoord tonen
dabeihier
Antwoord tonen
hiernu