Een grammaticapatroon begrijpen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults discuss a grammar pattern, why a verb form changes, and how to make another example..

NL → DE / Niveau: A2

Over deze les

Met Een grammaticapatroon begrijpen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Kannst du dieses Grammatikmuster noch einmal erklären?

kanst doe die-zus gramaatiek-moester nog aynmaal er-kleren? Kun je dit grammaticapatroon nog een keer uitleggen?
B

Es zeigt, dass eine Handlung schon abgeschlossen ist.

es tsijkt, das aynuh hand-loeng sjoon ap-guh-sjloosun is(t). Het laat zien dat een handeling al is voltooid.
A

Warum ändert sich das Verb in diesem Satz?

va-roem en-dut zich das verp in die-zum tsats? Waarom verandert het werkwoord in deze zin?
B

Die Form ändert sich, weil das Ereignis vorbei ist.

die form en-dut zich, vail das er-ain-g-nis foor-bai is(t). De vorm verandert omdat de gebeurtenis voorbij is.
A

Kannst du mir noch ein Beispiel geben?

kanst doe mie-uh nog ain bay-sjpiel gee-bun? Kun je me nog een voorbeeld geven?
B

Jemand hat das Buch vor dem Unterricht geöffnet.

jee-mant hat das boech foor deem oen-ter-richt guh-euf-nut. Iemand heeft het boek voor de les geopend.
A

Dadurch ist das Muster leichter zu verstehen.

da-doerch is(t) das moester laich-tuh tsoe fer-sjtee-un. Daardoor is het patroon gemakkelijker te begrijpen.
B

Versuche jetzt, deinen eigenen Satz zu bilden.

fer-tsoe-guh yetst, dai-nun ai-guh-nun tsats tsoe bil-dun. Probeer nu zelf een zin te maken.

Woord voor woord

Kannst In „Kannst du dieses Grammatikmuster noch einmal erklären?“ bedeutet „Kannst“: kun je. „Kannst“ is de vorm van „können“ die hier met „du“ wordt gebruikt om naar de mogelijkheid of bereidheid te vragen; je gebruikt hetzelfde begin in „Kannst du mir noch ein Beispiel geben?“.
du „du“ betekent hier jij en verwijst naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. Het wordt gebruikt voor één persoon in een informele situatie, zoals in „Kannst du dieses Grammatikmuster noch einmal erklären?“.
dieses „dieses“ betekent hier dit en wijst naar „Grammatikmuster“. Het staat direct vóór het genoemde onderwerp in „dieses Grammatikmuster“, bijvoorbeeld wanneer je naar iets concreets in de les verwijst.
Grammatikmuster „Grammatikmuster“ betekent grammaticapatroon: de regelmatige vorm die in de les wordt besproken. Het is een samenstelling van „Grammatik“ en „Muster“; je gebruikt het in een klas wanneer je een taalregel wilt begrijpen.
noch In de uitdrukking „noch einmal“ draagt „noch“ bij aan de betekenis opnieuw of nog een keer. Samen met „einmal“ gebruik je het wanneer je iemand vraagt iets te herhalen, zoals in „Kannst du dieses Grammatikmuster noch einmal erklären?“.
einmal In „noch einmal“ betekent „einmal“ niet alleen één keer, maar maakt het samen met „noch“ de betekenis nog een keer of opnieuw. Deze uitdrukking is bruikbaar wanneer je om herhaling van een uitleg of handeling vraagt.
erklären „erklären“ betekent uitleggen in „Kannst du dieses Grammatikmuster noch einmal erklären?“. Het is de vorm die na „Kannst du“ staat; je gebruikt het wanneer je iemand vraagt iets begrijpelijk toe te lichten.
Es „Es“ betekent het of dit en verwijst hier naar het grammaticapatroon waarover net is gesproken. Als onderwerp staat het aan het begin van „Es zeigt, dass eine Handlung schon abgeschlossen ist.“.
zeigt „zeigt“ betekent laat zien of toont in „Es zeigt, dass eine Handlung schon abgeschlossen ist.“. Het is de vorm van „zeigen“ die hier bij „Es“ hoort; je gebruikt „Es zeigt, dass ...“ om uit te leggen wat iets aangeeft.
dass „dass“ betekent dat en leidt de inhoud in van wat iets laat zien. In „dass eine Handlung schon abgeschlossen ist“ staat het werkwoord „ist“ aan het einde van de bijzin; je gebruikt deze verbinding om een uitleg of bewering te formuleren.
eine „eine“ betekent hier een en staat vóór „Handlung“ in „eine Handlung“. Het introduceert een niet nader bepaalde handeling, bijvoorbeeld wanneer je uitlegt wat een patroon aanduidt.
Handlung „Handlung“ betekent handeling of actie in „eine Handlung“. Het woord benoemt wat er gebeurt en kan in een grammaticauitleg het onderwerp zijn waarvan je zegt dat het al voltooid is.
schon „schon“ betekent hier al en geeft aan dat de handeling op dat moment voltooid is. In „eine Handlung schon abgeschlossen ist“ staat het vóór de beschrijving van de voltooide toestand; je gebruikt het om een eerdere voltooiing te benadrukken.
abgeschlossen „abgeschlossen“ betekent voltooid of afgerond in „eine Handlung schon abgeschlossen ist“. Samen met „ist“ beschrijft het de toestand van de handeling; je gebruikt het wanneer iets helemaal klaar is.
ist „ist“ betekent is in „eine Handlung schon abgeschlossen ist“ en „das Ereignis vorbei ist“. Het verbindt het onderwerp met de toestand of beschrijving erna; je gebruikt het om te zeggen hoe iets is.
Warum „Warum“ betekent waarom en opent de vraag naar een reden in „Warum ändert sich das Verb in diesem Satz?“. Je gebruikt het aan het begin van een vraag wanneer je wilt weten wat de oorzaak of verklaring is.
ändert „ändert“ betekent verandert in „Warum ändert sich das Verb in diesem Satz?“. Samen met „sich“ beschrijft het dat het werkwoord zelf een verandering ondergaat; je gebruikt deze vorm om naar een verandering te vragen.
sich In „ändert sich“ laat „sich“ zien dat het onderwerp, „das Verb“, zelf verandert. De combinatie betekent hier verandert of ondergaat een verandering; je gebruikt haar wanneer iets van vorm of toestand verandert.
das „das“ betekent hier het en staat vóór „Verb“ in „das Verb“. Het verwijst naar een bepaald werkwoord dat in de besproken zin verandert; je gebruikt het om een specifiek grammaticaonderdeel aan te duiden.
Verb „Verb“ betekent werkwoord in „das Verb“. Het benoemt de grammaticale vorm die in de zin wordt onderzocht; je gebruikt het in een taalles wanneer je over werkwoorden en hun verandering praat.
in „in“ betekent hier in en verbindt „das Verb“ met „diesem Satz“ in „das Verb in diesem Satz“. Het geeft aan binnen welke zin de verandering wordt bekeken; je gebruikt het om iets in een zin, tekst of situatie te lokaliseren.
diesem „diesem“ betekent hier deze en verwijst samen met „Satz“ naar de zin die op dat moment wordt besproken. In „in diesem Satz“ staat het vóór „Satz“; je gebruikt de uitdrukking om een specifieke zin aan te wijzen.
Satz „Satz“ betekent zin in „in diesem Satz“. Het woord benoemt de taaleenheid waarin het werkwoord verandert; je gebruikt het wanneer je naar een concrete zin in een oefening of uitleg verwijst.
Die „Die“ betekent hier de en staat vóór „Form“ in „Die Form ändert sich“. Het verwijst naar een bepaalde vorm die al onderwerp van de uitleg is; je gebruikt het om dat specifieke element opnieuw te benoemen.
Form „Form“ betekent vorm in „Die Form ändert sich“. Het gaat hier om de vorm van een werkwoord die door de situatie wordt beïnvloed; je gebruikt het in een grammaticauitleg om een concrete taalvorm te benoemen.
weil „weil“ betekent omdat en leidt de reden in voor de verandering: „weil das Ereignis vorbei ist“. Het introduceert een bijzin met de verklaring; je gebruikt het wanneer je de oorzaak van iets wilt geven.
Ereignis „Ereignis“ betekent gebeurtenis in „das Ereignis“. Het benoemt wat er is gebeurd en waarvan wordt gezegd dat het voorbij is; je gebruikt het wanneer je naar een bepaalde gebeurtenis verwijst.
vorbei „vorbei“ betekent voorbij of afgelopen in „das Ereignis vorbei ist“. Samen met „ist“ beschrijft het dat de gebeurtenis geëindigd is; je gebruikt het om aan te geven dat iets niet meer bezig is.
mir „mir“ betekent hier aan mij in „Kannst du mir noch ein Beispiel geben?“. Het geeft aan wie het voorbeeld ontvangt; je gebruikt het in verzoeken wanneer je vraagt dat iemand iets aan jou geeft, uitlegt of toont.
ein „ein“ betekent hier een en staat vóór „Beispiel“ in „ein Beispiel“. Het introduceert één niet nader bepaald voorbeeld; je gebruikt het wanneer je om een voorbeeld vraagt zonder al te specificeren welk voorbeeld.
Beispiel „Beispiel“ betekent voorbeeld in „Kannst du mir noch ein Beispiel geben?“. Het benoemt een concreet geval dat de grammaticaregel verduidelijkt; je gebruikt het wanneer je om extra uitleg aan de hand van een geval vraagt.
geben „geben“ betekent geven in „Kannst du mir noch ein Beispiel geben?“. Het staat na „Kannst du mir“ en benoemt de gevraagde handeling; je gebruikt „jemandem ein Beispiel geben“ wanneer je iemand een voorbeeld aanreikt.
Jemand „Jemand“ betekent iemand en benoemt een niet-geïdentificeerde persoon in „Jemand hat das Buch vor dem Unterricht geöffnet.“. Je gebruikt het wanneer de identiteit van de persoon onbekend of niet belangrijk is.
hat „hat“ betekent heeft in „Jemand hat das Buch vor dem Unterricht geöffnet.“. Samen met „geöffnet“ geeft het aan dat iemand het boek heeft geopend; je gebruikt deze combinatie om een voltooide handeling te beschrijven.
Buch „Buch“ betekent boek in „das Buch“. Het is het voorwerp dat iemand heeft geopend; je gebruikt het in een zin wanneer je naar een boek als concreet object verwijst.
vor „vor“ betekent vóór in „vor dem Unterricht“ en geeft hier een tijdstip aan. Je gebruikt deze combinatie om te zeggen dat iets eerder gebeurde dan de les.
dem „dem“ betekent hier het in „vor dem Unterricht“. Het staat na „vor“ en vóór „Unterricht“ in deze tijdsaanduiding; je gebruikt de volledige uitdrukking om naar de les als bepaald moment te verwijzen.
Unterricht „Unterricht“ betekent les of onderwijs in „vor dem Unterricht“. De uitdrukking betekent vóór de les; je gebruikt haar om een handeling in de tijd ten opzichte van de les te plaatsen.
geöffnet „geöffnet“ betekent geopend in „Jemand hat das Buch vor dem Unterricht geöffnet.“. Samen met „hat“ beschrijft het de voltooide handeling van het boek openen; je gebruikt de combinatie om te zeggen dat iets geopend is.
Dadurch „Dadurch“ betekent daardoor of als gevolg daarvan en verwijst naar de eerder genoemde uitleg of het voorbeeld. In „Dadurch ist das Muster leichter zu verstehen“ verbindt het de oorzaak met het gevolg; je gebruikt het om een resultaat aan te geven.
Muster „Muster“ betekent patroon in „das Muster“. Hier verwijst het naar het grammaticapatroon dat door het voorbeeld begrijpelijker wordt; je gebruikt het om een terugkerende structuur of regel te benoemen.
leichter „leichter“ betekent gemakkelijker in „das Muster leichter zu verstehen“. Het geeft aan dat het begrijpen minder moeilijk wordt door het voorbeeld; je gebruikt het om een gunstiger of eenvoudiger manier van begrijpen te beschrijven.
zu In „leichter zu verstehen“ markeert „zu“ het werkwoord „verstehen“ als infinitief. De combinatie wordt gebruikt om aan te geven wat gemakkelijker wordt, hier het patroon begrijpen.
verstehen „verstehen“ betekent begrijpen in „das Muster leichter zu verstehen“. Het staat na „zu“ en benoemt wat gemakkelijker wordt; je gebruikt het wanneer je zegt dat je de betekenis of werking van iets vat.
Versuche „Versuche“ betekent probeer en is in „Versuche jetzt, deinen eigenen Satz zu bilden“ een directe aansporing. Je gebruikt het wanneer je iemand vraagt zelf een handeling te ondernemen, bijvoorbeeld tijdens een oefening.
jetzt „jetzt“ betekent nu en geeft aan dat de opdracht op dit moment moet worden uitgevoerd. In „Versuche jetzt ...“ staat het bij de aansporing; je gebruikt het om het moment van een handeling te markeren.
deinen „deinen“ betekent hier jouw en verwijst naar de zin van de aangesproken persoon in „deinen eigenen Satz“. Het staat vóór „eigenen Satz“; je gebruikt het om bezit of toebehoren aan de aangesproken persoon aan te geven.
eigenen „eigenen“ betekent eigen in „deinen eigenen Satz“ en benadrukt dat de leerling de zin zelf maakt. Je gebruikt het om te onderscheiden wat iemand zelf heeft gemaakt of gekozen.
bilden „bilden“ betekent vormen of maken in „deinen eigenen Satz zu bilden“. Samen met „Satz“ betekent deze uitdrukking een eigen zin maken; je gebruikt haar bij een oefening waarin iemand zelf een zin samenstelt.

Grammatica

weil + werkwoord aan het einde

weil sich die Form ändert

vail zich die form en-dut

omdat de vorm verandert

In een bijzin met weil staat het vervoegde werkwoord aan het einde: weil sich die Form ändert.

versuchen, ... zu + Infinitiv

Versuche jetzt, ein eigenes Muster zu bilden.

fer-tsoe-guh yetst, ain ai-guh-nus moester tsoe bil-dun

Probeer nu een eigen patroon te vormen.

Na versuchen gebruik je zu + infinitief voor wat je probeert te doen: zu bilden.

Duits woordenschat

abgeschlossen bijvoeglijk naamwoord
ap-guh-sjloosun voltooid
Ereignis zelfstandig naamwoord
er-ain-g-nis gebeurtenis
erklären werkwoord
er-kleren uitleggen
Form zelfstandig naamwoord
form vorm
Grammatikmuster zelfstandig naamwoord
gramaatiek-moester grammaticapatroon

dieses Grammatikmuster

Handlung zelfstandig naamwoord
hand-loeng handeling
noch einmal bijwoord
nog aynmaal nog een keer
Satz zelfstandig naamwoord
tsats zin

in diesem Satz

sich ändern werkwoord
zich en-dun veranderen ändert sich
Verb zelfstandig naamwoord
verp werkwoord
weil voegwoord
vail omdat
zeigen werkwoord
tsijken laten zien zeigt

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

zin

Antwoord tonenSatz

uitleggen

Antwoord tonenerklären

laten zien

Antwoord tonenzeigt

werkwoord

Antwoord tonenVerb