Huiswerkfouten nakijken | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a language classroom, two adults review homework sentence errors and rewrite a corrected line..

NL → DE / Niveau: A2

Over deze les

Met Huiswerkfouten nakijken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Können wir meine Fehler bei den Hausaufgaben durchgehen?

Keu-nen vir mai-ne fee-ler bai deen haus-auf-gaa-ben doerch-gee-en? Kunnen we mijn fouten in het huiswerk nakijken?
B

Ich habe ein paar kleine Fehler in den Sätzen markiert.

Ich haa-be ain paar klajne fee-ler in deen tset-sen mar-kee-ert. Ik heb een paar kleine fouten in de zinnen gemarkeerd.
A

Warum hast du diese Korrektur gemacht?

Vaa-roem hast doe dee-ze kor-rek-toer ge-maacht? Waarom heb je deze correctie gemaakt?
B

Das Nomen braucht hier einen Artikel.

Das noo-men brau-cht hier ai-nen ar-tee-kel. Het zelfstandig naamwoord heeft hier een lidwoord nodig.
A

Das habe ich in ein paar Antworten übersehen.

Das haa-be ich in ain paar ant-vort-en uu-ber-zee-en. Dat heb ik in een paar antwoorden gemist.
B

Wenn du ihn hier hinzufügst, ist der Satz vollständig.

Ven doe ien hier hin-tsoe-foe-gst, is dehr zats fol-sjten-dich. Als je het hier toevoegt, is de zin compleet.
A

Ich werde diesen Teil jetzt neu schreiben.

Ich veer-de dee-zen taijl jetst noi sjrai-ben. Ik zal dat deel nu herschrijven.
B

Das wird dir helfen, dir die Regel zu merken.

Das virt dier hel-fen, dier die ree-gel tsoe mer-ken. Dat zal je helpen om de regel te onthouden.

Woord voor woord

Können “Können” betekent hier “kunnen” en opent de vraag of we samen iets kunnen doen. Het is het werkwoord dat de mogelijkheid uitdrukt in “Können wir meine Fehler bij de Hausaufgaben doorlopen?”. Een bruikbaar vraagpatroon is “Können wir …?” wanneer je iets samen wilt voorstellen.
wir “wir” betekent hier “wij” en verwijst naar de spreker en de andere persoon samen. Het staat direct na “Können” in de vraag “Können wir …?”. Gebruik “wir” wanneer je jezelf en minstens één andere persoon bedoelt.
meine “meine” betekent hier “mijn” en geeft aan dat de fouten bij de spreker horen. Het staat vóór “Fehler” in “meine Fehler”. Gebruik deze vorm vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord dat je bezit of erbij hoort.
Fehler “Fehler” betekent hier “fouten”, namelijk fouten in het huiswerk. In “meine Fehler” verwijst het naar de gemaakte vergissingen die worden nagekeken. Je kunt het combineren met een beschrijving, zoals “kleine Fehler” in deze les.
bei “bei” betekent hier “bij” of “tijdens” en plaatst “den Hausaufgaben” in de context van het huiswerk. In “bei den Hausaufgaben” gaat het om het doornemen van fouten die bij het huiswerk horen. Een betrouwbaar patroon is “bei” plus een persoon, activiteit of situatie.
den “den” is hier het lidwoord in de woordgroep “bei den Hausaufgaben”. Na “bei” hoort deze vorm bij “Hausaufgaben” en betekent de hele groep “bij het huiswerk”. Leer het hier samen met de vaste combinatie “bei den Hausaufgaben”.
Hausaufgaben “Hausaufgaben” betekent hier “huiswerk” en verwijst naar de opdrachten die de cursist heeft gemaakt. In “bei den Hausaufgaben” bepaalt het woord de context waarin de fouten worden doorgenomen. Je gebruikt het voor school- of taaloefeningen die je thuis maakt.
durchgehen “durchgehen” betekent hier “doornemen” of samen systematisch bekijken. In “Können wir meine Fehler bei den Hausaufgaben durchgehen?” staat het als infinitief aan het einde na “Können”. Gebruik “etwas durchgehen” wanneer je iets stap voor stap wilt controleren of bespreken.
Ich “Ich” betekent hier “ik” en verwijst naar de persoon die de fouten heeft gemarkeerd. Het staat aan het begin van “Ich habe … markiert”. Gebruik “Ich” om jezelf als handelende persoon aan te wijzen.
habe “habe” betekent hier “heb” en vormt samen met “markiert” een mededeling over iets dat al is gedaan. In “Ich habe ein paar kleine Fehler … markiert” hoort het bij “Ich”. Een bruikbaar patroon is “Ich habe … gemacht” om een voltooide handeling te beschrijven.
ein “ein” betekent hier “een” binnen de woordgroep “ein paar”. Samen met “paar” geeft het aan dat het om enkele fouten gaat. Gebruik “ein paar” vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord, zoals in “ein paar Fehler”.
paar “paar” betekent hier “enkele” of “een paar” en geeft een kleine, niet precies genoemde hoeveelheid aan. In “ein paar kleine Fehler” beschrijft het hoeveel fouten zijn gemarkeerd. Gebruik de vaste hoeveelheidsaanduiding “ein paar” vóór een meervoud.
kleine “kleine” betekent hier “kleine” en beschrijft de fouten als beperkt van omvang of belang. Het staat vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord in “kleine Fehler”. Je kunt het op dezelfde plaats gebruiken vóór andere meervoudige zelfstandige naamwoorden.
in “in” betekent hier “in” en geeft aan waar de fouten voorkomen: in de zinnen. In “in den Sätzen” verwijst het naar de inhoud van de zinnen, niet naar een aparte plaats. Gebruik “in” voor iets dat zich binnen een tekst, zin of andere context bevindt.
Sätzen “Sätzen” betekent hier “zinnen” in de woordgroep “in den Sätzen”. Het is de vorm van “Satz” die in deze meervoudige woordgroep na “in” wordt gebruikt. Gebruik “in den Sätzen” wanneer je naar fouten of informatie binnen meerdere zinnen verwijst.
markiert “markiert” betekent hier “gemarkeerd” en beschrijft wat de spreker met de fouten heeft gedaan. In “Ich habe … markiert” staat het samen met “habe” voor een afgeronde handeling. Gebruik “etwas markieren” wanneer je iets in een tekst zichtbaar wilt aanduiden.
Warum “Warum” betekent hier “waarom” en vraagt naar de reden voor de correctie. Het staat aan het begin van “Warum hast du diese Korrektur gemacht?”. Gebruik “Warum” om naar een oorzaak, reden of motief te vragen.
hast “hast” betekent hier “hebt” en hoort bij “du” in de vraag naar een eerdere handeling. In “Warum hast du … gemacht?” vormt het samen met “gemacht” de vraag naar wat iemand heeft gedaan. Een bruikbaar patroon is “Hast du … gemacht?” wanneer je naar een voltooide handeling vraagt.
du “du” betekent hier “jij” en verwijst naar de persoon die de correctie heeft gemaakt. Het staat na “hast” in “hast du diese Korrektur gemacht?”. Gebruik “du” wanneer je één gesprekspartner rechtstreeks aanspreekt.
diese “diese” betekent hier “deze” en wijst naar de specifieke correctie waarover de spreker vraagt. Het staat vóór “Korrektur” in “diese Korrektur”. Gebruik het om naar iets concreets in de huidige situatie te verwijzen.
Korrektur “Korrektur” betekent hier “correctie”, namelijk de aanpassing die in het huiswerk is gemaakt. In “diese Korrektur” gaat het om één specifieke verbetering. Je gebruikt het in een taalleersituatie wanneer je een foutieve vorm aanpast.
gemacht “gemacht” betekent hier “gemaakt” en verwijst naar de uitgevoerde correctie. In “hast du diese Korrektur gemacht?” staat het samen met “hast” om te vragen of iemand de correctie heeft uitgevoerd. De vorm hoort bij het werkwoord “machen” en wordt hier gebruikt voor een afgeronde handeling.
Das “Das” betekent hier “het” in “Das Nomen”. Het introduceert het zelfstandig naamwoord waarover de uitleg gaat. Gebruik “Das” hier als onderdeel van een woordgroep waarmee je een bepaald taalkundig begrip benoemt.
Nomen “Nomen” betekent hier “zelfstandig naamwoord”. In “Das Nomen braucht hier einen Artikel” is het zelfstandig naamwoord degene waarvoor een lidwoord nodig is. Je gebruikt dit woord wanneer je in een taalles over een woordsoort praat.
braucht “braucht” betekent hier “heeft nodig” en zegt dat het zelfstandig naamwoord een artikel nodig heeft. Het onderwerp is “Das Nomen”, daarom staat hier de vorm “braucht”. Een bruikbaar patroon is “X braucht Y” wanneer iets iets anders nodig heeft.
hier “hier” betekent hier “hier” en verwijst naar de specifieke plek in de zin waar het artikel ontbreekt. In “braucht hier einen Artikel” maakt het duidelijk waar de correctie moet worden aangebracht. Gebruik “hier” om een concrete plaats of positie in een tekst aan te wijzen.
einen “einen” betekent hier “een” in de woordgroep “einen Artikel”. Het hoort bij het concrete object dat het zelfstandig naamwoord nodig heeft. Leer het hier samen met “einen Artikel” wanneer je zegt dat er een artikel moet worden toegevoegd.
Artikel “Artikel” betekent hier “lidwoord” en verwijst naar het woord dat vóór het zelfstandig naamwoord hoort. In “einen Artikel” is het het grammaticale onderdeel dat in de zin moet worden toegevoegd. Je gebruikt het in een taalles om naar een lidwoord bij een zelfstandig naamwoord te verwijzen.
Antworten “Antworten” betekent hier “antwoorden” en verwijst naar meerdere antwoorden waarin de spreker iets over het hoofd heeft gezien. In “in ein paar Antworten” gaat het om de antwoorden op enkele oefeningen. De vorm hangt samen met het zelfstandig naamwoord “Antwort” en wordt hier in het meervoud gebruikt.
übersehen “übersehen” betekent hier “over het hoofd zien” of iets missen zonder het op te merken. In “Das habe ich in ein paar Antworten übersehen” zegt de spreker dat dit in enkele antwoorden is gebeurd. Een bruikbaar patroon is “etwas übersehen” wanneer je aangeeft dat je iets niet hebt opgemerkt.
Wenn “Wenn” betekent hier “als” en leidt de voorwaarde in waaronder de zin volledig wordt. In “Wenn du ihn hier hinzufügst” gaat het om de situatie waarin je het artikel toevoegt. Gebruik “Wenn” voor een voorwaarde of een situatie die tot een gevolg leidt.
ihn “ihn” betekent hier “hem” en verwijst in deze les naar “Artikel”, dus naar het lidwoord dat moet worden toegevoegd. In “du ihn hier hinzufügst” is het het object van de handeling. Gebruik “ihn” voor een mannelijk object waarnaar je terugverwijst.
hinzufügst “hinzufügst” betekent hier “toevoegt” en beschrijft het toevoegen van het artikel aan de zin. De vorm hoort bij “du” in “Wenn du ihn hier hinzufügst”; in deze bijzin blijft de scheidbare vorm aaneengeschreven. Gebruik “etwas hinzufügen” wanneer je een onderdeel aan een tekst of geheel toevoegt.
ist “ist” betekent hier “is” en verbindt “der Satz” met de eigenschap “vollständig”. In “ist der Satz vollständig” beschrijft het de toestand van de zin nadat het artikel is toegevoegd. Gebruik “ist” om een toestand of eigenschap van iets te beschrijven.
der “der” betekent hier “de” in de woordgroep “der Satz”. Het verwijst naar de specifieke zin die in de oefening wordt besproken. Gebruik het hier samen met “Satz” om naar die zin te verwijzen.
Satz “Satz” betekent hier “zin”, namelijk de taalkundige zin die door de toevoeging compleet wordt. In “der Satz” is het de zaak die “vollständig” wordt genoemd. Je gebruikt “Satz” wanneer je naar één zin in een tekst of oefening verwijst.
vollständig “vollständig” betekent hier “volledig” of “compleet”. Het beschrijft de toestand van “der Satz” nadat “ihn” is toegevoegd. Gebruik het voor een zin, antwoord of tekst waaraan geen vereist onderdeel meer ontbreekt.
werde “werde” betekent hier “zal” en kondigt aan dat de spreker iets nu of daarna gaat doen. In “Ich werde diesen Teil jetzt neu schreiben” vormt het samen met “schreiben” de toekomstige handeling. Een bruikbaar patroon is “Ich werde …” wanneer je een voornemen of toekomstige actie uitspreekt.
diesen “diesen” betekent hier “deze” en wijst naar het specifieke deel dat opnieuw geschreven zal worden. Het staat vóór “Teil” in “diesen Teil”. Gebruik het om een concreet onderdeel in de huidige tekst aan te wijzen.
Teil “Teil” betekent hier “deel” en verwijst naar een afgebakend onderdeel van de zin of tekst. In “diesen Teil” gaat het om het gedeelte dat de spreker opnieuw zal schrijven. Je kunt het gebruiken voor een onderdeel van een tekst, zin of taak.
jetzt “jetzt” betekent hier “nu” en geeft aan dat de spreker het herschrijven meteen zal doen. In “werde diesen Teil jetzt neu schreiben” bepaalt het wanneer de handeling plaatsvindt. Gebruik “jetzt” om het huidige moment of een onmiddellijke actie aan te geven.
neu “neu” betekent hier “opnieuw” of “op een nieuwe manier”. Samen met “schreiben” in “neu schreiben” geeft het aan dat een bestaand deel opnieuw wordt geschreven. Gebruik “neu” in zo’n combinatie wanneer iets opnieuw wordt gemaakt of aangepast.
schreiben “schreiben” betekent hier “schrijven” en verwijst naar het opnieuw formuleren van het betreffende deel. In “Ich werde diesen Teil jetzt neu schreiben” staat het als infinitief na “werde”. Gebruik “schreiben” voor het maken of formuleren van geschreven tekst.
wird “wird” betekent hier “zal” en kondigt een verwacht gevolg aan: het herschrijven zal helpen. In “Das wird dir helfen” hoort het bij “Das” en vormt het samen met “helfen” een toekomstige mededeling. Gebruik “Das wird …” wanneer je een gevolg of verwachting over iets wilt uitspreken.
dir “dir” betekent hier “jou” of “je” als de persoon die hulp krijgt. In “Das wird dir helfen” verwijst het naar de leerling die de regel beter zal kunnen onthouden. Gebruik “dir” bij een handeling of effect dat voor iemand bedoeld is, zoals bij “helfen”.
helfen “helfen” betekent hier “helpen” en beschrijft het positieve effect van het herschrijven. In “Das wird dir helfen” staat het na “wird” als infinitief. Het werkwoord wordt gebruikt met de persoon die hulp ontvangt, hier “dir”.
die “die” betekent hier “de” in “die Regel”. Het verwijst naar de specifieke grammaticale regel die de leerling moet onthouden. Gebruik het hier als lidwoord vóór “Regel” wanneer je naar die bepaalde regel verwijst.
Regel “Regel” betekent hier “regel”, namelijk de grammaticale regel die in de uitleg wordt toegepast. In “dir die Regel zu merken” is het deze regel die de leerling moet onthouden. Je gebruikt het in een taalles om een vaste grammaticale of taalkundige afspraak te benoemen.
zu “zu” betekent hier “te” en markeert samen met “merken” de infinitiefgroep “zu merken”. In “dir die Regel zu merken” maakt die groep duidelijk wat de leerling zal onthouden. Gebruik “zu” hier vóór een infinitief wanneer die handeling onderdeel is van een andere constructie.
merken “merken” betekent hier “onthouden” in de combinatie “dir die Regel zu merken”. De hele uitdrukking gaat erom dat de leerling de regel in het geheugen opneemt; “merken” draagt die betekenis hier samen met “dir” en “die Regel”. Een bruikbaar patroon is “sich etwas merken” voor iets bewust onthouden.

Grammatica

Adjektiv vor dem Nomen: kleine Fehler

Markiere kleine Fehler.

Mar-kee-re klajne fee-ler.

Markeer kleine fouten.

Voor een meervoudig zelfstandig naamwoord krijgt klein hier de uitgang -e: kleine Fehler.

jemandem helfen, etwas zu tun

Das hilft dir, die Regel zu merken.

Das hilft dier, die ree-gel tsoe mer-ken.

Dat helpt je om de regel te onthouden.

helfen krijgt een persoon in de datief: dir. Daarna volgt vaak een infinitief met zu: zu merken.

Duits woordenschat

Artikel zelfstandig naamwoord
ar-tee-kel lidwoord
brauchen werkwoord
brau-chen nodig hebben braucht
durchgehen werkwoord
doerch-gee-en doornemen

Hausaufgaben doornemen

Fehler zelfstandig naamwoord
fee-ler fout

fouten in het huiswerk

Hausaufgabe zelfstandig naamwoord
haus-auf-gaa-beh huiswerkopdracht Hausaufgaben
hier bijwoord
hier hier
klein bijvoeglijk naamwoord
klajn klein kleine
Korrektur zelfstandig naamwoord
kor-rek-toer correctie
markieren werkwoord
mar-kee-ren markeren markiert
Nomen zelfstandig naamwoord
noo-men zelfstandig naamwoord
Satz zelfstandig naamwoord
zats zin Sätzen
Warum bijwoord
vaa-roem waarom

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Waarom heb je deze correctie gemaakt?

Antwoord tonenWarum hast du diese Korrektur gemacht?

Het zelfstandig naamwoord heeft hier een lidwoord nodig.

Antwoord tonenDas Nomen braucht hier einen Artikel.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

fout

Antwoord tonenFehler

zelfstandig naamwoord

Antwoord tonenNomen

markeren

Antwoord tonenmarkiert

correctie

Antwoord tonenKorrektur