Ich
„Ich“ betekent hier „ik“ en verwijst naar de spreker die over zichzelf vertelt. Het staat vooraan in „Ich kann mich nicht mehr gut konzentrieren.“ Gebruik „Ich“ wanneer je jezelf als onderwerp noemt, bijvoorbeeld in een nieuwe zin zoals „Ich arbeite heute.“
kann
„kann“ betekent hier „kan“ en drukt uit dat de spreker zich niet meer goed kan concentreren. Het is de vorm van „können“ die bij „Ich“ hoort; samen met „Ich“ staat het in „Ich kann mich nicht mehr gut konzentrieren.“ Gebruik „kann“ ook voor een mogelijkheid of vaardigheid, bijvoorbeeld in „Ich kann das machen.“
mich
„mich“ betekent hier „me“ en verwijst terug naar de spreker in „mich ... konzentrieren“. Het hoort bij de uitdrukking „sich konzentrieren“; in deze zin is de vorm voor „Ich“ „mich“. Gebruik het bijvoorbeeld in „Ich kann mich nicht erinnern.“
nicht
„nicht“ maakt hier de mogelijkheid negatief: de spreker kan zich niet goed concentreren. Samen met „mehr“ vormt het „nicht mehr“, dus „niet meer“, in „Ich kann mich nicht mehr gut konzentrieren.“ Gebruik „nicht“ om een handeling of eigenschap te ontkennen.
mehr
„mehr“ betekent hier, samen met „nicht“, „meer“ in de betekenis „niet meer“. In „Ich kann mich nicht mehr gut konzentrieren“ geeft het aan dat dit eerder wel lukte, maar nu niet meer. Gebruik het patroon „nicht mehr + werkwoord“ wanneer iets niet langer gebeurt.
gut
„gut“ betekent hier „goed“ en beschrijft hoe de spreker zich kan concentreren. In „Ich kann mich nicht mehr gut konzentrieren“ staat het vóór „konzentrieren“ als beschrijving van de manier waarop. Gebruik „gut“ ook bij andere activiteiten, bijvoorbeeld „Ich schlafe gut.“
konzentrieren
„konzentrieren“ betekent hier „concentreren“ in „mich ... konzentrieren“. Na „kann“ staat deze werkwoordsvorm aan het einde van de hoofdzin. Gebruik de vaste combinatie „sich konzentrieren“ wanneer iemand zijn aandacht op iets richt.
Lass
„Lass“ vormt hier samen met „uns“ het voorstel „laten we“ in „Lass uns kurz weggehen und einen Kaffee holen.“ Het is een aansporende vorm van „lassen“. Gebruik „Lass uns ...“ om iemand informeel voor te stellen iets samen te doen.
uns
„uns“ betekent hier „ons“ in het voorstel „Lass uns kurz weggehen und einen Kaffee holen.“ Het verwijst naar de spreker en de aangesprokene samen. Gebruik „Lass uns“ vóór een werkwoord om een gezamenlijke activiteit voor te stellen.
kurz
„kurz“ betekent hier „kort“ of natuurlijker „even“: de twee personen willen even weggaan. In „Lass uns kurz weggehen“ staat het vóór het werkwoord en beperkt het de duur van de activiteit. Gebruik „kurz“ bijvoorbeeld voor een korte onderbreking of een korte handeling.
weggehen
„weggehen“ betekent hier „weggaan“: de twee personen willen hun werkplek tijdelijk verlaten. Na „Lass uns“ blijft deze werkwoordsvorm staan in „Lass uns kurz weggehen“. Gebruik „weggehen“ wanneer iemand van de huidige plaats vertrekt.
und
„und“ betekent „en“ en verbindt de twee voorgestelde handelingen in „Lass uns kurz weggehen und einen Kaffee holen.“ Beide handelingen horen bij hetzelfde voorstel. Gebruik „und“ om gelijkwaardige woorden of handelingen met elkaar te verbinden.
einen
„einen“ betekent hier „een“ in „einen Kaffee holen“, dus één koffie halen. Deze vorm hoort bij het mannelijke woord „Kaffee“ in deze woordgroep. Gebruik „einen“ vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord in een vergelijkbare objectgroep, zoals „einen Tee holen“.
Kaffee
„Kaffee“ betekent „koffie“ en is hier het drankje dat de twee personen willen halen. In „einen Kaffee holen“ staat het als het object van „holen“. Gebruik „Kaffee“ bijvoorbeeld wanneer je op het werk of in een café een koffie bestelt.
holen
„holen“ betekent hier „halen“ in „einen Kaffee holen“. Na „Lass uns“ staat het naast „weggehen“ als tweede handeling in het voorstel. Gebruik „holen“ met iets dat je ergens gaat halen, bijvoorbeeld „einen Kaffee holen“.
Eine
„Eine“ betekent hier „een“ in „Eine kurze Pause wäre hilfreich.“ Het introduceert het vrouwelijke zelfstandig naamwoord „Pause“. Gebruik „eine“ vóór een vrouwelijk zelfstandig naamwoord wanneer je één niet nader bepaalde zaak noemt.
kurze
„kurze“ betekent hier „korte“ en beschrijft „Pause“ in „Eine kurze Pause wäre hilfreich.“ De uitgang hoort bij de woordgroep met „Eine“. Gebruik „kurze“ vóór een vrouwelijk zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld in „eine kurze Besprechung“.
Pause
„Pause“ betekent „pauze“: een korte onderbreking van het werk. In „Eine kurze Pause wäre hilfreich“ wordt de pauze voorgesteld als iets dat zou helpen. Gebruik „Pause“ voor een onderbreking tijdens werk, studie of een andere activiteit.
wäre
„wäre“ betekent hier „zou zijn“ en maakt de beoordeling voorzichtig: een korte pauze zou nuttig zijn. Het is een vorm van „sein“ in „Eine kurze Pause wäre hilfreich“. Gebruik „wäre“ wanneer je iets beleefd of minder stellig als mogelijkheid of beoordeling formuleert.
hilfreich
„hilfreich“ betekent hier „nuttig“ of „behulpzaam“ en beschrijft wat de voorgestelde pauze zou zijn. In „Eine kurze Pause wäre hilfreich“ staat het na „wäre“. Gebruik „hilfreich“ om aan te geven dat iets ondersteuning biedt of een situatie verbetert.
Wir
„Wir“ betekent „wij“ of „we“ en verwijst naar de twee personen samen in „Wir können uns dehnen“. Het is hier het onderwerp van de zin. Gebruik „Wir“ wanneer je jezelf en minstens één andere persoon samen bedoelt.
können
„können“ betekent hier „kunnen“ en drukt uit dat de twee personen de mogelijkheid hebben om zich te rekken. Na „Wir“ staat deze vorm in „Wir können uns dehnen“. Gebruik „können“ met een werkwoord in de infinitief om een mogelijkheid of vaardigheid uit te drukken.
dehnen
„dehnen“ betekent hier „rekken“ of „strekken“ in „Wir können uns dehnen“. Na „können“ staat het als de handeling die mogelijk is. Gebruik „sich dehnen“ bijvoorbeeld tijdens een korte bewegingspauze.
bevor
„bevor“ betekent „voordat“ en leidt de tijdsbepaling „bevor wir uns wieder hinsetzen“ in. Het maakt duidelijk dat het rekken eerst gebeurt en het weer gaan zitten daarna. Gebruik „bevor“ om een handeling te plaatsen vóór een andere handeling.
wieder
„wieder“ betekent hier „weer“ in „bevor wir uns wieder hinsetzen“. Het geeft aan dat de personen opnieuw gaan zitten na de pauze. Gebruik „wieder“ bij iets dat opnieuw gebeurt.
hinsetzen
„hinsetzen“ betekent hier „gaan zitten“ in „wir uns wieder hinsetzen“. In de bijzin staat het als geheel aan het einde na „bevor“. Gebruik „sich hinsetzen“ wanneer iemand van staan of bewegen naar zitten gaat.
Sollen
„Sollen“ betekent hier „zullen we“ en vormt de vraag „Sollen wir nach dem Kaffee mit dem Bericht weitermachen?“ Het wordt gebruikt om een voorstel te doen of naar de wens van de ander te vragen. Gebruik „Sollen wir ...?“ voor een gezamenlijke beslissing.
nach
„nach“ betekent hier „na“ in „nach dem Kaffee“. Het geeft aan dat de twee personen pas na de koffie met het rapport doorgaan. Gebruik „nach“ vóór een tijdstip of gebeurtenis om aan te geven wat daarna gebeurt.
dem
„dem“ betekent hier ongeveer „de“ in de woordgroep „nach dem Kaffee“. Na „nach“ staat hier deze vorm vóór „Kaffee“. Gebruik de vaste combinatie „nach dem ...“ om te zeggen dat iets na een bepaalde gebeurtenis gebeurt.
mit
„mit“ betekent „met“ en hoort hier bij „mit dem Bericht weitermachen“. De woordgroep geeft aan waaraan de personen verder werken. Gebruik „mit“ in het patroon „mit etwas weitermachen“ wanneer je met een taak of activiteit doorgaat.
Bericht
„Bericht“ betekent hier „rapport“ of „verslag“ in „mit dem Bericht weitermachen“. Het is het werkstuk waaraan de twee personen na de koffie verdergaan. Gebruik „Bericht“ voor een geschreven rapport of verslag.
weitermachen
„weitermachen“ betekent hier „doorgaan“ in „mit dem Bericht weitermachen“. Het geeft aan dat de personen na de pauze verdergaan met een al begonnen taak. Gebruik het patroon „mit etwas weitermachen“ en behoud het object na „mit“.
Dann
„Dann“ betekent „dan“ en verwijst hier naar het moment na de koffie en de pauze. In „Dann können wir den nächsten Teil fertig machen“ leidt het de daaropvolgende mogelijkheid in. Gebruik „dann“ om een gevolg of volgende stap in de tijd aan te geven.
den
„den“ betekent hier „de“ in „den nächsten Teil“. Het verwijst naar het specifieke volgende deel dat de personen willen afmaken. Gebruik „den“ vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord in een vergelijkbare objectgroep.
nächsten
„nächsten“ betekent „volgende“ en beschrijft „Teil“ in „den nächsten Teil“. Het gaat om het deel dat na het huidige deel aan de beurt is. Gebruik „den nächsten ...“ om het eerstvolgende onderdeel van een taak of reeks aan te duiden.
Teil
„Teil“ betekent „deel“ en verwijst hier naar een onderdeel van het rapport. In „den nächsten Teil fertig machen“ is het dat onderdeel dat de personen willen afmaken. Gebruik „Teil“ voor een afzonderlijk onderdeel van een tekst, taak of geheel.
fertig
„fertig“ betekent hier „af“ of „klaar“ in „den nächsten Teil fertig machen“. Samen met „machen“ betekent de uitdrukking dat de personen het volgende deel volledig afronden. Gebruik „etwas fertig machen“ voor iets dat je afmaakt.
machen
„machen“ betekent hier niet alleen „maken“, maar vormt met „fertig“ de uitdrukking „fertig machen“, dus „afmaken“. In „den nächsten Teil fertig machen“ beschrijft het de handeling van afronden. Gebruik „fertig machen“ met een taak of onderdeel dat nog niet klaar is.
speichere
„speichere“ betekent in „Ich speichere die Datei“ „sla op“ of „opslaan“ en beschrijft het bewaren van een bestand. Het is de vorm van „speichern“ die bij „Ich“ hoort; in „Speichere es jetzt“ is dezelfde vorm een directe opdracht. Gebruik „eine Datei speichern“ wanneer je een digitaal bestand bewaart.
die
„die“ betekent hier „de“ in „die Datei“. Het verwijst naar een specifiek bestand dat de spreker vóór het vertrek wil opslaan. Gebruik „die“ wanneer de genoemde zaak al bekend of bepaald is.
Datei
„Datei“ betekent „bestand“ en verwijst hier naar het digitale bestand dat moet worden opgeslagen. In „Ich speichere die Datei“ is het de zaak die de spreker opslaat. Gebruik „Datei“ bijvoorbeeld voor een document dat op een computer is geopend.
gehen
„gehen“ betekent hier „gaan“ in „bevor wir gehen“. Het verwijst naar het moment waarop de personen hun werkplek verlaten. Na „bevor wir“ staat het aan het einde van de bijzin.
es
„es“ betekent hier „het“ en verwijst terug naar „die Datei“ in „Speichere es jetzt“. Het voorkomt dat „die Datei“ opnieuw genoemd moet worden. Gebruik „es“ wanneer je naar een eerder genoemd onzijdig ding of object verwijst.
jetzt
„jetzt“ betekent „nu“ en geeft in „Speichere es jetzt“ aan dat het bestand onmiddellijk moet worden opgeslagen. Het bepaalt het moment van de opdracht. Gebruik „jetzt“ wanneer iets op het huidige moment moet gebeuren.
damit
„damit“ betekent hier „zodat“ en leidt het doel van de opdracht in: „damit wir nichts verlieren“. De zin zegt dus waarom het bestand nu moet worden opgeslagen. Gebruik „damit“ om een doel of gewenst resultaat aan te geven; het werkwoord staat dan aan het einde van de bijzin.
nichts
„nichts“ betekent „niets“ in „damit wir nichts verlieren“. Het maakt duidelijk dat er helemaal geen informatie of bestand verloren mag gaan. Gebruik „nichts“ wanneer je naar geen enkel ding verwijst.
verlieren
„verlieren“ betekent hier „verliezen“ in „damit wir nichts verlieren“. Het beschrijft het ongewenste resultaat dat door het opslaan moet worden voorkomen. Gebruik „etwas verlieren“ met datgene wat je niet meer wilt kunnen terugvinden of behouden.