Wie
„Wie“ vraagt hier, samen met „lange“, naar de duur: hoe lang iets duurt. In vragen over duur staat het vóór een tijdsaanduiding. Je gebruikt het in deze les om te vragen hoelang je een boek mag houden.
lange
„lange“ geeft in „Wie lange“ aan dat het om een tijdsduur gaat. Samen met „Wie“ vormt het de vraag hoe lang iets duurt. Je gebruikt deze combinatie bijvoorbeeld wanneer je naar een uitleentermijn vraagt.
darf
„darf“ geeft hier aan dat iets toegestaan is: de spreker vraagt of hij het boek mag houden. Het is een vorm van dürfen en staat bij de persoon die toestemming vraagt. Een veelgebruikt patroon is een vraag met „Darf ich“ om toestemming te vragen.
ich
„ich“ verwijst hier naar de spreker die het boek wil houden en betekent ik. Het is de persoon die in „darf“ om toestemming vraagt. Je gebruikt het wanneer je over jezelf spreekt.
dieses
„dieses“ wijst hier naar het specifieke boek waarover de sprekers praten: dit boek. Het staat direct vóór „Buch“ en maakt duidelijk welk voorwerp bedoeld wordt. Je gebruikt zo’n aanwijzend woord vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je iets specifieks aanwijst.
Buch
„Buch“ betekent hier boek en is het voorwerp dat de spreker mag houden. Het staat in „dieses Buch“ als het concrete object van de vraag. In een bibliotheek gebruik je dit woord wanneer je naar een geleend boek verwijst.
behalten
„behalten“ betekent hier houden, dus het boek niet meteen terugbrengen. De vorm staat aan het einde omdat hij volgt op het modale werkwoord „darf“. Je gebruikt het bij iets dat iemand voorlopig mag houden.
Auf
„Auf“ geeft in „Auf dem Zettel“ aan waar de informatie staat: op het briefje. Het verwijst hier naar een oppervlak of document waarop iets geschreven is. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je informatie op een briefje lokaliseert.
dem
„dem“ betekent hier het in „Auf dem Zettel“ en hoort bij „Zettel“. Samen geeft de woordgroep aan dat het briefje de plaats is waar de informatie staat. Je gebruikt deze vorm vóór het zelfstandig naamwoord in deze vaste plaatsbepaling.
Zettel
„Zettel“ betekent hier briefje of notitie, het document waarop de inleverdatum staat. Het woord is het kernwoord in „Auf dem Zettel“. In een bibliotheek gebruik je het voor een klein briefje met uitleeninformatie.
steht
„steht“ betekent hier staat geschreven of staat vermeld; het gaat om informatie op het briefje. Het is een vorm van stehen en heeft „das Rückgabedatum“ als datgene wat vermeld staat. Het patroon „Auf dem Zettel steht ...“ is bruikbaar om te zeggen welke informatie op een briefje staat.
das
„das“ is hier het lidwoord het vóór „Rückgabedatum“ en ook vóór „Buch“. Het begeleidt het zelfstandig naamwoord waarnaar de zin verwijst. Je gebruikt het vóór een passend zelfstandig naamwoord wanneer je naar een bepaald voorwerp of begrip verwijst.
Rückgabedatum
„Rückgabedatum“ betekent hier de datum waarop het boek teruggebracht moet worden. Het is een samengesteld woord voor de datum van terugbrengen. In een bibliotheek gebruik je het wanneer je de uiterste inleverdatum controleert.
Was
„Was“ vraagt hier naar de handeling of het antwoord: wat moet ik doen? Het staat aan het begin van „Was soll ich tun“. Je gebruikt het om naar een zaak, handeling of oplossing te vragen.
soll
„soll“ vraagt hier welke handeling de spreker volgens de situatie moet uitvoeren of welke raad hij krijgt. Het is een vorm van sollen en staat vóór de infinitief „tun“. Je gebruikt „Was soll ich tun“ wanneer je om advies of instructies vraagt.
tun
„tun“ betekent hier doen en verwijst naar de nog te bepalen handeling. Het staat als infinitief na „soll“ aan het einde van de vraag. Je gebruikt het in vragen waarin je wilt weten welke actie nodig is.
wenn
„wenn“ leidt hier de voorwaarde in: als de spreker meer tijd nodig heeft. In de bijzin staat de handeling aan het einde, zoals in „wenn ich mehr Zeit brauche“. Je gebruikt het om een voorwaarde of situatie te verbinden aan een advies of mogelijkheid.
mehr
„mehr“ betekent hier meer of extra en zegt dat de spreker extra tijd nodig heeft. Het staat vóór „Zeit“ in „mehr Zeit brauche“. Je gebruikt het vóór iets waarvan je een grotere hoeveelheid nodig hebt.
Zeit
„Zeit“ betekent hier tijd, specifiek extra tijd om het boek langer te houden. Het staat in de woordgroep „mehr Zeit“. In deze situatie gebruik je het wanneer de oorspronkelijke leentermijn niet voldoende is.
brauche
„brauche“ betekent hier nodig heb: de spreker heeft meer tijd nodig. Het is een vorm van brauchen en staat aan het einde van de bijzin met „wenn“. Je gebruikt het met datgene wat iemand nodig heeft, zoals „mehr Zeit“.
Du
„Du“ betekent hier je en richt de uitleg rechtstreeks tot één persoon. Het is de aangesproken persoon in „Du kannst die Leihfrist online verlängern“. Je gebruikt deze aanspreekvorm in een informele instructie of uitleg aan één persoon.
kannst
„kannst“ geeft hier aan dat de aangesproken persoon iets kan doen of die mogelijkheid heeft. Het is een vorm van können en wordt gevolgd door de infinitief „verlängern“. Je gebruikt het om een mogelijkheid of beschikbare handeling uit te leggen.
die
„die“ is hier het lidwoord de vóór „Leihfrist“. Het maakt duidelijk dat het om een bepaalde leentermijn gaat. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je naar een specifieke termijn verwijst.
Leihfrist
„Leihfrist“ betekent hier de periode waarin het boek geleend mag worden. Het is het voorwerp dat online verlengd kan worden. In een bibliotheek gebruik je het wanneer je over de duur van een lening praat.
online
„online“ geeft hier aan dat het verlengen via internet gebeurt en niet per se in de bibliotheek. Het beschrijft de manier waarop de leentermijn verlengd kan worden. Je gebruikt het bij handelingen die via een website of account worden uitgevoerd.
verlängern
„verlängern“ betekent hier de leentermijn langer maken, dus de lening verlengen. Het staat als infinitief na „kannst“. Je gebruikt het met iets dat langer moet duren, hier „die Leihfrist“.
niemand
„niemand“ betekent hier niemand en is de persoon die mogelijk op het boek wacht. Het staat in de voorwaardelijke bijzin vóór „anderes“. Je gebruikt het wanneer geen enkele persoon bedoeld wordt.
anderes
„anderes“ verduidelijkt in „niemand anderes“ dat het om niemand anders dan de genoemde of bedoelde persoon gaat. Samen verwijst de uitdrukking naar een andere persoon die op het boek wacht. Je gebruikt deze combinatie om iemand uit te sluiten die niet dezelfde persoon is.
wartet
„wartet“ betekent hier wacht; niemand anders wacht op het boek. Het is een vorm van warten en staat aan het einde van de bijzin met „wenn“. Je gebruikt het met de zaak of persoon waarop gewacht wordt.
Kann
„Kann“ vraagt hier of de spreker iets vanuit huis kan doen. Het is een vorm van können en staat aan het begin van de vraag „Kann ich das von zu Hause aus machen?“. Je gebruikt zo’n vraag om naar de mogelijkheid van een handeling te vragen.
von
„von“ geeft in „von zu Hause aus“ het vertrekpunt aan: vanuit huis. Het hoort samen met de vaste uitdrukking „von zu Hause aus“. Je gebruikt deze woordgroep wanneer een handeling op afstand vanuit een bepaalde plaats gebeurt.
zu
„zu“ maakt hier deel uit van de vaste uitdrukking „zu Hause“, die thuis betekent. Het betekent in deze combinatie niet eenvoudigweg naar. Je gebruikt „zu Hause“ om de plaats waar iemand woont of verblijft aan te geven.
Hause
„Hause“ betekent hier thuis binnen de vaste uitdrukking „zu Hause“. In „von zu Hause aus“ wordt duidelijk dat de handeling vanuit huis gebeurt. Je gebruikt deze uitdrukking wanneer je de plaats van waaruit je iets doet wilt noemen.
aus
„aus“ maakt hier deel uit van „von zu Hause aus“ en benadrukt dat de handeling vanuit huis wordt uitgevoerd. Het moet in deze zin samen met de rest van die woordgroep worden begrepen. Je gebruikt deze uitdrukking bij activiteiten die je op afstand vanuit een locatie doet.
machen
„machen“ betekent hier doen en verwijst naar het online verlengen van de leentermijn. Het staat als infinitief na „Kann ich“. Je gebruikt het in vragen over het uitvoeren van een handeling, zoals in „Kann ich das ... machen?“.
Melde
„Melde“ is hier de gebiedende vorm in de instructie om in te loggen. Samen met „dich“ en het afgescheiden „an“ vormt het werkwoord sich anmelden. In een bibliotheek gebruik je deze vorm wanneer je iemand opdraagt zijn account te openen.
dich
„dich“ verwijst hier naar de aangesproken persoon zelf in de instructie om in te loggen. Het hoort bij „Melde“ en het afgescheiden „an“ in dezelfde werkwoordelijke uitdrukking. Je gebruikt deze vorm wanneer de handeling op de aangesproken persoon zelf betrekking heeft.
in
„in“ geeft hier het account aan waarin de gebruiker zich aanmeldt: „in deinem Bibliothekskonto“. Het verbindt de handeling van aanmelden met de accountomgeving. Je gebruikt het bij het aanmelden in een account of systeem.
deinem
„deinem“ betekent hier jouw en verwijst naar het account van de aangesproken persoon. Het staat vóór „Bibliothekskonto“ en maakt duidelijk van wie het account is. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je iets aan de aangesproken persoon toeschrijft.
Bibliothekskonto
„Bibliothekskonto“ betekent hier bibliotheekaccount, de persoonlijke account waarin de gebruiker zich aanmeldt. Het is een samengesteld woord met bibliotheek en account. Je gebruikt het wanneer je online toegang hebt tot je uitleengegevens.
an
„an“ is hier het afgescheiden deel van het werkwoord sich anmelden en maakt samen met „Melde ... dich“ de betekenis inloggen. In deze gebiedende zin staat het aan het einde. Je gebruikt dit deel dus niet los voor de volledige betekenis, maar als onderdeel van de werkwoordelijke uitdrukking.
Dann
„Dann“ betekent hier dan en leidt de gevolgtrekking van de spreker in: als dat de instructie is, moet hij het briefje bewaren. Het staat aan het begin van „Dann sollte ich ...“. Je gebruikt het om een gevolg of volgende stap aan te geven.
sollte
„sollte“ geeft hier aan wat de spreker volgens de uitleg het beste kan doen: het briefje bewaren. Het is een vorm van sollen en klinkt in deze reactie als een conclusie of aanbeveling. Je gebruikt het wanneer je een passende volgende stap formuleert.
den
„den“ is hier het lidwoord de vóór „Zettel“ in de woordgroep „den Zettel beim Buch“. Het begeleidt het briefje dat bewaard moet worden. Je gebruikt het vóór het zelfstandig naamwoord wanneer dit het voorwerp van de handeling is.
beim
„beim“ betekent hier bij het en geeft aan dat het briefje samen met het boek bewaard moet worden. Het staat vóór „Buch“ en beschrijft de plaats of nabijheid van het bewaren. Je gebruikt het om aan te geven dat iets zich bij een bepaald voorwerp bevindt.
aufbewahren
„aufbewahren“ betekent hier bewaren of op een bepaalde plaats houden, namelijk bij het boek. Het staat als infinitief na „sollte“. Je gebruikt het voor een briefje of document dat je wilt bewaren totdat je het nodig hebt.
Er
„Er“ verwijst hier terug naar het briefje en betekent in het Nederlands het. Het is het onderwerp van „hilft“ en voorkomt dat het briefje opnieuw genoemd moet worden. Je gebruikt zo’n verwijswoord wanneer het bedoelde voorwerp al bekend is.
hilft
„hilft“ betekent hier helpt: het briefje maakt het gemakkelijker om het boek op tijd terug te brengen. Het is een vorm van helfen en wordt hier aangevuld met de persoon die hulp krijgt, „dir“. Je gebruikt het om aan te geven dat iets of iemand een handeling ondersteunt.
dir
„dir“ betekent hier jou of je als de persoon die hulp krijgt van „hilft“. Het staat in de combinatie „hilft dir“. Je gebruikt deze vorm wanneer je aangeeft voor wie de hulp bedoeld is.
pünktlich
„pünktlich“ betekent hier op tijd, dus vóór of uiterlijk op de afgesproken inleverdatum. Het beschrijft hoe het boek teruggebracht moet worden. Je gebruikt het bij handelingen waarvoor een afgesproken tijdstip geldt.
zurückzugeben
„zurückzugeben“ betekent hier terug te brengen of terug te geven, namelijk het boek aan de bibliotheek. De woordenboekvorm is zurückgeben; in deze zin staat de vorm met „zu“ na de hulpconstructie rond „hilft“. Je gebruikt het wanneer een geleend voorwerp terug moet naar de plaats of persoon waarvan je het hebt gekregen.