Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Een geleend boek verlengen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.
Dialoog
Ich möchte ein Buch verlängern, das ich ausgeliehen habe.
iesj meusjte ain boek ferlengern, das iesj ausgeliien haabe. Ik wil graag een boek dat ik heb geleend verlengen.Du kannst es über dein Online-Konto verlängern.
doe kanst es uu-ber dain onlajn-konto ferlengern. Je kunt het via je online account verlengen.Ich komme heute nicht in mein Konto.
iesj komme hoite niesjt in main konto. Ik kan vandaag niet in mijn account komen.Wir können dir am Schalter helfen.
vier keunnen dier am sjalter helfen. We kunnen je aan de balie helpen.Brauche ich meinen Bibliotheksausweis?
braauge iesj mainen biblioteeks-ausvais? Heb ik mijn bibliotheekpas nodig?Bring deinen Bibliotheksausweis mit, damit wir deine Daten finden können.
bring dainen biblioteeks-ausvais mit, damit vier daine daaten finden keunnen. Neem je bibliotheekpas mee, zodat we je gegevens kunnen vinden.Kann ich das Buch dann heute verlängern?
kan iesj das boek dan hoite ferlengern? Kan ik het boek dan vandaag verlengen?Das kannst du, außer jemand anderes hat es reserviert.
das kanst doe, auzer jeemant anders hat es reezerveert. Dat kan, tenzij iemand anders het heeft gereserveerd.Uitleg van de zinnen
Ich möchte ein Buch verlängern, das ich ausgeliehen habe.
Ik wil graag een boek dat ik heb geleend verlengen.
- Ich möchte
- ik wil graag
- Buch
- boek
- verlängern
- verlengen
- ausgeliehen
- geleend
Uitgebreide uitleg
Ich möchte betekent hier dat de spreker iets wil doen: “ik wil graag”. möchte is een beleefde vorm van mögen in de Konjunktiv II en wordt vaak gebruikt om een wens uit te drukken. Het onderwerp Ich bepaalt de eerste persoon enkelvoud. Vergelijk: Ich möchte ein Buch. — “Ik wil graag een boek.” Buch betekent “boek”. Het zelfstandig naamwoord is onzijdig: das Buch; daarom staat hier het onbepaalde lidwoord als ein: ein Buch. Het meervoud is Bücher. Voorbeeld: Ich lese ein Buch. — “Ik lees een boek.” verlängern betekent hier “verlengen”, namelijk de uitleenperiode van het boek langer maken. Het is een regelmatig werkwoord; de infinitief is verlängern. In de hoofdzin staat het na möchte als infinitief aan het einde: Ich möchte ... verlängern. Voorbeeld: Ich möchte die Frist verlängern. — “Ik wil de termijn verlengen.” ausgeliehen betekent hier “geleend” in de betekenis “geleend hebben van een uitleeninstantie”. Het is het voltooid deelwoord van ausleihen (“lenen/uitlenen”, afhankelijk van het perspectief). In das ich ausgeliehen habe vormt het met habe het Perfekt: ich habe ausgeliehen. Het voorvoegsel aus- hoort bij het werkwoord en staat in de infinitief als ausleihen, maar in het voltooid deelwoord als ausgeliehen. Voorbeeld: Ich habe das Buch ausgeliehen. — “Ik heb het boek geleend.” das ich ausgeliehen habe is een betrekkelijke bijzin die ein Buch nader omschrijft: het gaat om een boek dat de spreker heeft geleend. In deze bijzin staat das als betrekkelijk voornaamwoord voor het onzijdige enkelvoudige Buch; ich is het onderwerp en habe staat als vervoegd werkwoord aan het einde. De hoofdzin heeft dus de volgorde Ich möchte ein Buch verlängern, waarna de betrekkelijke bijzin het boek specificeert. Samen betekent de zin: “Ik wil graag een boek dat ik heb geleend verlengen.” De wens wordt uitgedrukt door Ich möchte, het gewenste object is ein Buch, en verlängern geeft de handeling aan. De bijzin das ich ausgeliehen habe identificeert welk boek bedoeld is.
Du kannst es über dein Online-Konto verlängern.
Je kunt het via je online account verlengen.
- Du kannst
- je kunt
- es
- het
- über
- via
- dein
- je
- Online-Konto
- onlineaccount
- verlängern
- verlengen
Uitgebreide uitleg
Du kannst betekent hier dat je iets kunt doen. können is het werkwoord voor “kunnen”: du kannst, maar bijvoorbeeld ich kann en wir können. Na een vorm van können staat het andere werkwoord in de infinitief: Du kannst es verlängern. = “Je kunt het verlengen.” es is hier het onzijdige persoonlijk voornaamwoord in de accusatief: “het”. Volgens de vaste vertaling verwijst het naar datgene wat verlengd moet worden; in de eerdere context wordt daarvoor een boek genoemd. De vorm es past bij een onzijdig referent, maar de vorm alleen bepaalt niet altijd welk concreet ding bedoeld is. über betekent in deze zin “via” en geeft het kanaal of de route aan. Het kan in andere zinnen ook ruimtelijk “over” betekenen, maar die betekenis past hier niet. dein betekent “je/jouw”. Het is de vorm bij du en staat hier bij Online-Konto. Bij het onzijdige zelfstandig naamwoord Konto is de vorm in nominatief en accusatief gelijk: dein Konto. Online-Konto is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Konto, meervoud die Konten. Het betekent een onlineaccount. In samenstellingen bepaalt het laatste deel het grammaticale geslacht; daarom is het das Online-Konto. verlängern betekent hier “verlengen”. De infinitief is dezelfde vorm die na können nodig is. De vorm kan bijvoorbeeld ook een geldigheidsduur of een uitleentermijn aanduiden: Ich möchte das Buch verlängern. = “Ik wil het boek verlengen.” Samen vormen de delen: Du kannst + es + über dein Online-Konto + verlängern. De zin zegt dus dat je het bedoelde item via je onlineaccount kunt verlengen. De combinatie etwas über ein Konto verlängern is een bruikbaar patroon om een handeling en het digitale kanaal ervan te verbinden.
Ich komme heute nicht in mein Konto.
Ik kan vandaag niet in mijn account komen.
- komme
- kom
- heute
- vandaag
- nicht
- niet
- mein
- mijn
- Konto
- account
Uitgebreide uitleg
komme komt van kommen en is de vorm voor ich in de tegenwoordige tijd: ich komme. In deze zin betekent kommen samen met in mein Konto niet simpelweg “ergens aankomen”, maar toegang krijgen tot een account. Voorbeeld: Ich komme nicht in die App. — Ik kom niet in de app. heute betekent “vandaag” en plaatst de gebeurtenis op de huidige dag. Het kan meestal vóór of na het werkwoord staan, maar hier staat het na komme: Ich komme heute ... — Ik kom vandaag ... nicht ontkent hier de mogelijkheid om toegang tot het account te krijgen. Het betekent dus “niet” en hoort bij het daaropvolgende deel in mein Konto kommen, niet bij heute: de zin zegt dat de spreker vandaag niet in het account kan komen. mein is een bezittelijk woord en betekent hier “mijn”. Het verwijst naar het account van de spreker. De vorm is mein omdat Konto een onzijdig zelfstandig naamwoord is en de combinatie na in hier dezelfde vorm heeft in de accusatief als in het nominatief. Vergelijk: mein Konto, meine App. Konto is een onzijdig zelfstandig naamwoord voor “account” of “rekening”. Het meervoud is Konten: meine Konten — mijn accounts/rekeningen. In deze zin gaat het om één account, maar die enkelvoudige betekenis komt uit de vorm en context; mein is op zichzelf geen telwoord. Samen vormen Ich komme heute nicht in mein Konto de betekenis: “Ik kan vandaag niet in mijn account komen.” Ich is het onderwerp, komme het werkwoord, heute de tijdsbepaling, nicht de ontkenning en in mein Konto het doel van de toegang. De constructie in ein Konto kommen is bruikbaar wanneer je wilt zeggen dat je toegang tot een account krijgt.
Wir können dir am Schalter helfen.
We kunnen je aan de balie helpen.
- Wir können
- wij kunnen
- dir
- jou
- Schalter
- balie
- helfen
- helpen
Uitgebreide uitleg
Wir können betekent hier dat de spreker namens een meervoudige groep zegt dat die groep iets kan doen: “wij kunnen”. wir is de persoonlijke vorm voor “wij”. können is de tegenwoordige tijd van het modale werkwoord können bij wir; het drukt mogelijkheid of vermogen uit. Bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord in de infinitief aan het einde. Voorbeeld: Wir können morgen kommen. — “Wij kunnen morgen komen.” Hier staat kommen als infinitief aan het einde. dir betekent hier “jou” als ontvanger van de hulp. Het is de datiefvorm van du; het is dus niet de onderwerpvorm du en ook niet de accusatiefvorm dich. Een nuttig contrast is: Du hilfst mir. — “Jij helpt mij.”; dir zou in een zin als Ich helfe dir. — “Ik help jou.” — de persoon aanduiden die hulp ontvangt. Schalter is het zelfstandig naamwoord voor een balie of loket. In deze zin staat het in am Schalter, een vaste samentrekking van an dem Schalter, met de betekenis “aan de balie”. Het woord is mannelijk: der Schalter; in deze datiefconstructie wordt dat dem Schalter, samengevoegd tot am Schalter. Voorbeeld: Ich warte am Schalter. — “Ik wacht aan de balie.” Dit is een nieuw voorbeeld van dezelfde plaatsaanduiding, niet een extra feit uit de gegeven zin. helfen betekent “helpen”. Dit is de infinitief die bij können hoort. Het werkwoord helfen gebruikt voor de geholpen persoon de datief: Wir helfen dir. — “Wij helpen jou.” De vorm helfen blijft hier een infinitief; de vervoegde vorm zonder modaal werkwoord is bij wir: wir helfen. Samen vormen Wir können dir am Schalter helfen. de structuur onderwerp + modaal werkwoord + datiefpersoon + plaats + infinitief: “Wij kunnen jou aan de balie helpen.” Wir is de groep die hulp aanbiedt, dir is de persoon die hulp ontvangt, am Schalter geeft de plaats aan, en helfen is de handeling die mogelijk is door können.
Brauche ich meinen Bibliotheksausweis?
Heb ik mijn bibliotheekpas nodig?
- Brauche
- heb nodig
- ich
- ik
- meinen
- mijn
- Bibliotheksausweis
- bibliotheekpas
Uitgebreide uitleg
Brauche komt van het werkwoord brauchen en betekent hier “nodig hebben”. De vorm is tegenwoordige tijd, eerste persoon enkelvoud: ich brauche. In een ja-neevraag staat deze persoonsvorm vooraan: Brauche ich ...?. ich is het persoonlijk voornaamwoord voor de eerste persoon enkelvoud en is hier het onderwerp: de spreker vraagt naar zijn of haar eigen behoefte. Een bruikbaar contrast is du brauchst voor “jij hebt nodig”. meinen is een bezittelijke bepaler met de betekenis “mijn”. De vorm draagt hier de verbuiging: mein wordt meinen omdat het bij het mannelijke zelfstandig naamwoord Bibliotheksausweis hoort, dat in deze zin het lijdend voorwerp in de accusatief is. Vergelijk bijvoorbeeld mein Pass met Ich brauche meinen Pass. Bibliotheksausweis is een samengesteld zelfstandig naamwoord: Bibliothek (“bibliotheek”) + Ausweis (“pas/identiteitsbewijs”). Het betekent hier “bibliotheekpas”. Het zelfstandig naamwoord is mannelijk: der Bibliotheksausweis; als accusatiefobject blijft het zelfstandig naamwoord zelf hier onveranderd. Samen vormen Brauche ich en meinen Bibliotheksausweis de ja-neevraag “Heb ik mijn bibliotheekpas nodig?”. De persoonsvorm staat vooraan, daarna volgt het onderwerp ich, en het gevraagde object is meinen Bibliotheksausweis. De vraag vraagt dus of de spreker die pas nodig heeft.
Bring deinen Bibliotheksausweis mit, damit wir deine Daten finden können.
Neem je bibliotheekpas mee, zodat we je gegevens kunnen vinden.
- Bring … mit
- meenemen
- deinen
- je
- Bibliotheksausweis
- bibliotheekpas
- damit
- zodat
- wir
- we
- deine
- je
- Daten
- gegevens
- finden
- vinden
- können
- kunnen
Uitgebreide uitleg
Bring … mit is hier een bevel aan één persoon. Het werkwoord is mitbringen (“meenemen”), een scheidbaar werkwoord: in deze gebiedende zin staat Bring vooraan en mit achteraan. De infinitief is mitbringen; vergelijk bijvoorbeeld: Bring deinen Schlüssel mit. — “Neem je sleutel mee.” deinen is de vorm van het bezittelijke voornaamwoord dein bij een mannelijk zelfstandig naamwoord in de accusatief. Het verwijst hier naar iets dat van de aangesproken persoon is; samen met Bibliotheksausweis betekent het “je bibliotheekpas”. De vormkeuze komt door bezit, één aangesproken persoon en de accusatiefvorm van het mannelijke zelfstandig naamwoord, niet door een getalsbetekenis van het bezittelijke woord zelf. Bibliotheksausweis is een samengesteld zelfstandig naamwoord: Bibliothek + Ausweis. Het betekent “bibliotheekpas” of “bibliotheekkaart”. Het hoofddeel Ausweis bepaalt het grammaticale geslacht: der Bibliotheksausweis; daarom staat er hier deinen en niet bijvoorbeeld deine. damit leidt hier een doelzin in: “zodat”. Het maakt duidelijk met welk doel de pas moet worden meegenomen. In een damit-bijzin staat de werkwoordelijke groep aan het einde. Hier staan de infinitieven finden können aan het einde; er is in deze groep dus geen aparte persoonsvorm. wir betekent “wij/we” en is hier het onderwerp van de doelzin. Het is de eerste persoon meervoud. In deze bijzin staat wir vóór de werkwoordelijke groep aan het einde. deine is opnieuw een vorm van dein, maar nu bij Daten. Daten is meervoud, en de vorm deine past hier bij een meervoudig zelfstandig naamwoord in de accusatief: “je gegevens”. Het bezit wordt dus aan de aangesproken persoon gekoppeld, terwijl de vorm door het meervoud van Daten wordt bepaald. Daten betekent in deze zin “gegevens” of “data”. Het is het lijdend voorwerp van finden: de gegevens zijn datgene wat men wil vinden. Een bruikbaar enkelvoudig contrast is das Datum (“de datum”), maar Daten in deze betekenis is een meervoudsvorm. finden betekent “vinden”. Hier staat het als infinitief in de werkwoordelijke groep bij het modale werkwoord können. Voorbeeld: Wir finden die Adresse. — “We vinden het adres.” können betekent “kunnen” en drukt hier mogelijkheid of vermogen uit. Het is de infinitief van können; in deze bijzin staat het samen met finden aan het einde: damit wir deine Daten finden können. De combinatie betekent “zodat we je gegevens kunnen vinden”. Samen vormen de delen: Bring deinen Bibliotheksausweis mit — “Neem je bibliotheekpas mee” — gevolgd door de doelzin damit wir deine Daten finden können — “zodat we je gegevens kunnen vinden”. De volledige uiting is dus een rechtstreeks bevel met een aangegeven doel: “Neem je bibliotheekpas mee, zodat we je gegevens kunnen vinden.”
Kann ich das Buch dann heute verlängern?
Kan ik het boek dan vandaag verlengen?
- Kann ich
- kan ik
- das
- het
- Buch
- boek
- dann
- dan
- heute
- vandaag
- verlängern
- verlengen
Uitgebreide uitleg
Kann ich bevat het werkwoord können in de vorm kann: eerste persoon enkelvoud, met ich als onderwerp. In deze vraag betekent het geheel “kan ik …?”. Bij een ja-neevraag staat de persoonsvorm vooraan; het onderwerp volgt. Het hoofdwerkwoord blijft als infinitief aan het einde staan. Voorbeeld: Kann ich kommen? — “Kan ik komen?” das verwijst hier, volgens de vertaling, naar het boek. Het is de vorm voor een onzijdig enkelvoudig zelfstandig naamwoord; bij das Buch is het bovendien de bepaalde bepaler in de accusatief, omdat het boek dat verlengd wordt het lijdend voorwerp is. De vorm das ziet er in nominatief en accusatief hetzelfde uit. Als zelfstandig voornaamwoord kan das ook “dat” betekenen, maar hier staat het vóór Buch. Buch betekent “boek”. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Buch. De meervoudsvorm is die Bücher — “de boeken”. In deze zin is het boek het object van verlängern. dann betekent hier “dan”. Het plaatst deze handeling in verband met het eerder genoemde moment of de voorafgaande voorwaarde: “dan kan ik …”. Het kan in andere zinnen ook naar een later tijdstip verwijzen, maar de precieze nuance volgt uit de context. heute betekent “vandaag” en is een onveranderlijk bijwoord. Het zegt wanneer de handeling plaatsvindt. verlängern is de infinitief van het regelmatige werkwoord “verlengen”. Na het modale werkwoord kann staat deze infinitief aan het einde: Ich kann das Buch verlängern — “Ik kan het boek verlengen.” In de bibliotheekcontext gaat dat om het verlengen van de uitleentermijn. Het werkwoord kan buiten deze context ook iets anders verlengen, zoals een termijn of een kabel; hier bepaalt das Buch de bedoelde handeling. Samen heeft de zin de vorm Kann ich + object + tijdsbepaling + infinitief?. Kann ich das Buch dann heute verlängern? betekent: “Kan ik het boek dan vandaag verlengen?” De vraag gaat dus over de mogelijkheid om vandaag de termijn van dit boek te verlengen. De toon is alledaags en geschikt voor een vraag aan een bibliotheekmedewerker.
Das kannst du, außer jemand anderes hat es reserviert.
Dat kan, tenzij iemand anders het heeft gereserveerd.
- Das
- dat
- kannst du
- kun je
- außer
- tenzij
- jemand anderes
- iemand anders
- hat
- heeft
- es
- het
- reserviert
- gereserveerd
Uitgebreide uitleg
Das betekent hier “dat” en verwijst naar wat eerder ter sprake is gebracht; het hoeft niet zelfstandig naar een specifiek voorwerp te verwijzen. Het is een aanwijzend voornaamwoord. Een bruikbaar contrast is das “dat” tegenover dies “dit”. Voorbeeld: Das ist gut. — “Dat is goed.” kannst du combineert kannst, de vorm voor du van het modale werkwoord können (“kunnen”), met het onderwerp du (“jij”). In deze zin vormt het geen vraag, maar een mededeling: “dat kun je”. Omdat Das vooraan staat, staat de persoonsvorm kannst op de tweede positie en volgt du: Das kannst du. In een gewone mededeling zonder vooropgeplaatst element zie je bijvoorbeeld Du kannst das. außer betekent hier “tenzij” en leidt de voorwaarde in waaronder de eerste mededeling niet geldt. Het kan in andere contexten ook “behalve” betekenen, maar hier past de voorwaardelijke lezing. Voorbeeld: Ich komme, außer es regnet. — “Ik kom, tenzij het regent.” jemand anderes betekent “iemand anders”. jemand is een onbepaald voornaamwoord voor een persoon; anderes voegt het contrast “anders dan de bedoelde persoon” toe. De combinatie verwijst hier naar een niet nader genoemde andere persoon. Voorbeeld: Jemand anderes hat angerufen. — “Iemand anders heeft gebeld.” hat is de tegenwoordige vorm voor de derde persoon enkelvoud van haben (“hebben”). Hier is het geen zelfstandig bezitwerkwoord, maar het hulpwerkwoord in de voltooide tijd: hat reserviert = “heeft gereserveerd”. Voorbeeld: Er hat bezahlt. — “Hij heeft betaald.” es betekent “het” en is hier het voornaamwoordelijke lijdend voorwerp van reserviert. De vorm es blijft in deze functie gelijk; het concrete ding waarnaar het verwijst wordt in deze zin niet bij naam genoemd. Voorbeeld: Ich sehe es. — “Ik zie het.” reserviert is het voltooid deelwoord van reservieren (“reserveren”). Samen met hat vormt het de voltooide tijd. Het voltooid deelwoord staat in deze bijzin aan het einde. Voorbeeld: Sie hat den Platz reserviert. — “Zij heeft de plaats gereserveerd.” De hoofdzin is Das kannst du: “Dat kun je.” Daarna volgt de uitzondering: außer jemand anderes hat es reserviert — “tenzij iemand anders het heeft gereserveerd”. In de bijzin staat de persoonsvorm hat na het onderwerp, terwijl het voltooid deelwoord reserviert helemaal achteraan staat. Samen betekent de volledige uiting: “Dat kan, tenzij iemand anders het heeft gereserveerd.”
Grammatica
sein + Partizip II: ausgeliehen / reserviert
Das Buch ist ausgeliehen.
das boek ist ausgeliien.Het boek is uitgeleend.
Met sein + Partizip II beschrijf je een toestand: het boek is op dit moment uitgeleend.
außer + bijzin
Ich helfe, außer jemand anderes hilft.
iesj helfe, auzer jeemant anders hilft.Ik help, tenzij iemand anders helpt.
Außer kan een uitzondering aangeven en betekent hier ‘tenzij’. Het leidt een bijzin in.
Duits woordenschat
Ich komme heute nicht in mein Konto.
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
We kunnen je aan de balie helpen.
Antwoord tonen
Wir können dir am Schalter helfen.Heb ik mijn bibliotheekpas nodig?
Antwoord tonen
Brauche ich meinen Bibliotheksausweis?Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
via
Antwoord tonen
überboek
Antwoord tonen
Buchgeleend
Antwoord tonen
ausgeliehenverlengen