Buitengesloten zijn en om hulp vragen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At home, one adult asks for a place to wait while calling a landlord about being locked out of an apartment..

NL → DE / Niveau: A2

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Buitengesloten zijn en om hulp vragen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich bin aus meiner Wohnung ausgesperrt.

isj bin aus mai-nuh voo-noeng aus-guh-sjpert. Ik ben buitengesloten uit mijn appartement.
B

Hast du irgendwo einen Ersatzschlüssel?

hast doe ir-guhnt-voo ai-nuhn er-zats-sjuu-zul? Heb je ergens een reservesleutel?
A

Ich habe keinen, aber mein Vermieter hat vielleicht einen.

isj haa-buh kai-nuhn, aa-buh main fer-mie-tuh hat fie-lai-sjt ai-nuhn. Ik heb er geen, maar mijn verhuurder heeft er misschien een.
B

Versuch, ihn jetzt anzurufen.

fer-zoe-ch, ien yetst an-roefun. Probeer hem nu te bellen.
A

Kann ich drinnen warten, während ich anrufe?

kan isj drin-nun var-tun, vèè-runt isj an-roefuh? Mag ik binnen wachten terwijl ik bel?
B

Komm eine Weile rein.

kom ai-nuh vai-luh rain. Kom maar even binnen.
B

Draußen ist es kalt.

drau-sun ist es kalt. Het is daar buiten koud.
A

Ich erkläre, was passiert ist, und frage nach dem Schlüssel.

isj er-klèè-ruh, vas pa-sieert ist, oent fraa-guh naach deem sjuu-zul. Ik zal uitleggen wat er is gebeurd en naar de sleutel vragen.
B

Sag mir, wenn du beim Warten etwas brauchst.

zaak mier, ven doe baim var-tun et-vas braau-chst. Zeg het me als je tijdens het wachten iets nodig hebt.

Uitleg van de zinnen

  1. Ich bin aus meiner Wohnung ausgesperrt.

    Ik ben buitengesloten uit mijn appartement.

    Ich bin
    ik ben
    aus
    uit
    Wohnung
    appartement; woning
    ausgesperrt
    buitengesloten
    Uitgebreide uitleg

    Ich bin betekent hier “ik ben” en vormt de basis voor een beschrijving van een toestand. bin is de tegenwoordige tijd van sein bij ich; vergelijk: ich bin, du bist, er/sie ist. Voorbeeld: Ich bin müde. — “Ik ben moe.” aus betekent hier “uit” en geeft aan uit welke ruimte iemand niet naar buiten kan of waaruit iemand is buitengesloten. In de combinatie aus meiner Wohnung staat het volgende zelfstandig naamwoord in de datief. Wohnung is vrouwelijk; daarom wordt meine hier meiner. De datiefvorm wordt veroorzaakt door aus, niet door het feit dat er één woning bedoeld is. Wohnung betekent “appartement” of “woning”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Wohnung, meervoud die Wohnungen. In deze zin staat het enkelvoud in meiner Wohnung. ausgesperrt betekent hier “buitengesloten” of “buiten gesloten”. Het is het voltooid deelwoord van het scheidbare werkwoord aussperren: aussperren — ausgesperrt. Met sein beschrijft het de toestand waarin iemand zich bevindt. Voorbeeld: Ich habe mich ausgesperrt. — “Ik heb mezelf buitengesloten.” Samen vormen Ich bin ... ausgesperrt en aus meiner Wohnung de betekenis: “Ik ben buitengesloten uit mijn appartement.” De spreker bevindt zich dus in de toestand dat die persoon geen toegang meer heeft tot de eigen woning.

  2. Hast du irgendwo einen Ersatzschlüssel?

    Heb je ergens een reservesleutel?

    Hast du
    heb je
    irgendwo
    ergens
    Ersatzschlüssel
    reservesleutel
    Uitgebreide uitleg

    Hast du komt van haben (hebben). hast is de tegenwoordige tijd voor du: du hast. In een ja-neevraag staat de persoonsvorm voor het onderwerp: Hast du ...? betekent hier “Heb je ...?” Vergelijk als herbruikbaar patroon: Hast du Zeit? — “Heb je tijd?” irgendwo is een bijwoord met de betekenis “ergens”. In deze vraag past de Nederlandse vertaling “ergens” goed: de vraag gaat na of er op een niet nader bepaalde plaats zo’n sleutel is. Het staat niet voor een specifieke plaatsnaam. Ersatzschlüssel is een samenstelling: Ersatz geeft het idee van vervanging of reserve, en Schlüssel betekent “sleutel”. Het hele woord betekent hier “reservesleutel”. Het meervoud heeft dezelfde geschreven vorm: ein Ersatzschlüssel — “een reservesleutel”; zwei Ersatzschlüssel — “twee reservesleutels”. In einen Ersatzschlüssel staat einen bij het mannelijke zelfstandige naamwoord Ersatzschlüssel. Het werkwoord haben neemt hier een lijdend voorwerp; daarom staat het zelfstandig naamwoord in de accusatief. Bij een onbepaald mannelijk enkelvoud verandert ein in de accusatief in einen. Samen vormt de zin de vraag Hast du irgendwo einen Ersatzschlüssel?: “Heb je ergens een reservesleutel?” De vraag gebruikt de woordvolgorde van een Duitse ja-neevraag (werkwoord + onderwerp + overige informatie) en vraagt of de aangesprokene zo’n sleutel tot zijn of haar beschikking heeft.

  3. Ich habe keinen, aber mein Vermieter hat vielleicht einen.

    Ik heb er geen, maar mijn verhuurder heeft er misschien een.

    habe
    heb
    keinen
    geen (ervan)
    Vermieter
    verhuurder
    hat
    heeft
    vielleicht
    misschien
    einen
    een (ervan)
    Uitgebreide uitleg

    habe is de eerste persoon enkelvoud van haben (“hebben”): ich habe = “ik heb”. De vorm hoort bij het onderwerp ich; bij een derde persoon enkelvoud zie je hat, zoals later in de zin. Voorbeeld: Ich habe Zeit. = “Ik heb tijd.” keinen betekent hier “geen [exemplaar ervan]”. Het is de vorm van kein voor een mannelijk zelfstandig naamwoord in de accusatief; het zelfstandig naamwoord wordt in deze context weggelaten omdat uit de eerdere vraag blijkt dat het om een reservesleutel gaat. Vergelijk: Ich habe keinen Schlüssel. = “Ik heb geen sleutel.” Bij een vrouwelijk woord is de vorm bijvoorbeeld keine, zoals in Ich habe keine Tasche. = “Ik heb geen tas.” Vermieter betekent “verhuurder”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord; het meervoud is Vermieter (zonder extra uitgang). In mein Vermieter staat het zelfstandig naamwoord als onderwerp van het tweede zinsdeel. Voorbeeld: Mein Vermieter ist freundlich. = “Mijn verhuurder is vriendelijk.” hat is de derde persoon enkelvoud van haben: er/sie hat = “hij/zij heeft”. Hier hoort de vorm bij mein Vermieter, dat grammaticaal enkelvoud is. Voorbeeld: Der Vermieter hat einen Schlüssel. = “De verhuurder heeft een sleutel.” vielleicht betekent “misschien”. Het maakt de bewering over het hebben van een sleutel onzeker: de zin zegt niet dat de verhuurder er zeker een heeft. Voorbeeld: Vielleicht kommt er morgen. = “Misschien komt hij morgen.” einen betekent hier “een [exemplaar ervan]”. Het is de zelfstandige, mannelijke accusatiefvorm van het onbepaalde lidwoord ein; het bijbehorende zelfstandig naamwoord is weggelaten. In deze context verwijst het naar een sleutel, aansluitend bij keinen en de eerdere vraag. Vergelijk: Er hat einen Schlüssel. = “Hij heeft een sleutel.” De eerste helft Ich habe keinen betekent “Ik heb er geen”. keinen staat voor het weggelaten mannelijke object Schlüssel. aber verbindt dit met een tegenstelling: de spreker heeft er geen, terwijl mein Vermieter in het tweede zinsdeel de bezitter is. hat vielleicht einen betekent “heeft er misschien een”; einen herneemt hetzelfde soort object zonder Schlüssel opnieuw te noemen. Samen betekent de volledige uiting: “Ik heb er geen, maar mijn verhuurder heeft er misschien een.”

  4. Versuch, ihn jetzt anzurufen.

    Probeer hem nu te bellen.

    Versuch
    probeer
    ihn
    hem
    jetzt
    nu
    anzurufen
    te bellen
    Uitgebreide uitleg

    Versuch is hier de gebiedende wijs van versuchen voor één aangesproken persoon: “probeer”. Het onderwerp “jij” staat niet apart in de zin; het zit in deze werkwoordsvorm. Vergelijk: Versucht! is de gebiedende wijs voor meerdere aangesproken personen. De beleefde vorm met Sie is Versuchen Sie!. ihn betekent hier “hem” en is de accusatiefvorm van het persoonlijke voornaamwoord er in de derde persoon enkelvoud mannelijk: er → ihn wanneer deze persoon het lijdend voorwerp is. De zin identificeert niet zelfstandig wie deze persoon is; de vertaling bevestigt de lezing “hem”. Vergelijk met ihm (“aan/voor hem”), de datiefvorm. jetzt betekent “nu”. Het is een bijwoord en verandert niet mee met persoon, getal of geslacht. Het plaatst de voorgestelde handeling in het huidige moment. anzurufen is de infinitief van het scheidbare werkwoord anrufen, “opbellen/bellen”. Bij een scheidbaar werkwoord komt zu in deze infinitief tussen het voorvoegsel en de stam: anrufen → anzurufen. Het voorvoegsel an- hoort dus bij het werkwoord; zurufen is een ander werkwoord en betekent niet hetzelfde. Samen vormen Versuch, ihn jetzt anzurufen een aansporing: de aangesprokene krijgt het verzoek om hem nu te bellen. De komma na de gebiedende wijs leidt de daaropvolgende infinitiefgroep in; ihn is het lijdend voorwerp van anzurufen en jetzt geeft aan wanneer de handeling moet plaatsvinden.

  5. Kann ich drinnen warten, während ich anrufe?

    Mag ik binnen wachten terwijl ik bel?

    Kann ich
    kan ik ...?
    drinnen
    binnen
    warten
    wachten
    während
    terwijl
    ich
    ik
    anrufe
    bel
    Uitgebreide uitleg

    Kann ich komt van können (kunnen). kann is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud: ich kann. In een ja/nee-vraag staat de vervoegde vorm vooraan. Hier drukt de vraag, passend bij de vertaling, toestemming uit: “mag ik …?”, hoewel können ook mogelijkheid of vermogen kan uitdrukken. Het volledige werkwoord komt later: Kann ich warten? = “Kan/mag ik wachten?” drinnen is een bijwoord en betekent “binnen”, dus op een plaats binnenshuis. Het beschrijft hier waar het wachten plaatsvindt. Het is geen zelfstandig naamwoord en krijgt daarom geen meervouds- of naamvalsuitgang. warten is de infinitief “wachten”. Na de vervoegde vorm van een modaal werkwoord zoals kann blijft het andere werkwoord in de infinitief: Ich kann warten. = “Ik kan wachten.” während is een onderschikkend voegwoord met de betekenis “terwijl”. Het leidt de bijzin in die de gelijktijdigheid aangeeft. In een Duitse bijzin met während staat de vervoegde werkwoordsvorm aan het einde. ich is het persoonlijk voornaamwoord van de eerste persoon enkelvoud: “ik”. In deze bijzin is ich degene die de handeling uitvoert. Duits noemt het onderwerp hier opnieuw expliciet; het wordt niet alleen uit de hoofdzin weggelaten. anrufe is de vorm van het scheidbare werkwoord anrufen (“bellen”, vaak ook “iemand opbellen”). Het is de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd: ich rufe an. In deze bijzin staat het voorvoegsel samen met de werkwoordsvorm aan het einde: während ich anrufe. Omdat hier geen object wordt genoemd, specificeert de zin niet wie er gebeld wordt. Samen vormen de delen: Kann ich + drinnen warten = “Mag ik binnen wachten?”, en während ich anrufe voegt de gelijktijdige handeling toe: “terwijl ik bel”. De hele vraag betekent dus: “Mag ik binnen wachten terwijl ik bel?”

  6. Komm eine Weile rein.

    Kom maar even binnen.

    Komm
    kom
    eine Weile
    een tijdje
    rein
    naar binnen
    Uitgebreide uitleg

    Komm betekent hier “kom” en is de gebiedende wijs van kommen (“komen”) voor du. De vorm spreekt dus één aangesproken persoon aan; het onderwerp du staat niet apart in de zin. Voorbeeld: Komm morgen! — “Kom morgen!” eine Weile betekent “een tijdje”. Weile is een zelfstandig naamwoord; eine is hier het bijbehorende onbepaalde lidwoord en drukt op zichzelf geen vast aantal uit. De combinatie geeft een korte, niet precies bepaalde tijdsduur aan. Voorbeeld: Warte eine Weile. — “Wacht een tijdje.” rein betekent hier “naar binnen” en geeft de richting bij Komm aan. Het is een verkorte, alledaagse vorm die samenhangt met herein (“naar binnen, hierheen”); in deze zin staat alleen het werkelijk gebruikte woord rein. Het staat achteraan en vormt zo met Komm de betekenis “kom naar binnen”. Voorbeeld: Komm rein! — “Kom naar binnen!” Samen vormen de delen Komm + eine Weile + rein de uitnodigende gebiedende zin “Kom maar even binnen.” De zin vraagt de aangesprokene om naar binnen te komen en daar een korte, onbepaalde tijd te blijven. Rein is informeel en past bij een gewone gesproken uitnodiging.

  7. Draußen ist es kalt.

    Het is daar buiten koud.

    Draußen
    buiten
    ist es
    het is
    kalt
    koud
    Uitgebreide uitleg

    Draußen betekent hier “buiten” of “in de buitenlucht”. Het is een bijwoord en verandert niet naar geslacht of getal. Voorbeeld: Draußen ist es warm. — “Buiten is het warm.” ist es gebruikt de tegenwoordige vorm ist van sein bij het onpersoonlijke es. In deze weerszin is es een grammaticaal onderwerp; het verwijst niet naar een concreet genoemd ding. De volgorde ist es ontstaat doordat Draußen vooraan staat: in een gewone Duitse hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede plaats. Vergelijk: Es ist draußen kalt. — “Het is buiten koud.” kalt betekent “koud”. Het is hier een bijvoeglijk naamwoord dat na sein zelfstandig als gezegde staat, en krijgt daarom geen uitgang: Es ist kalt. — “Het is koud.” Het tegenovergestelde is warm: Draußen ist es warm. — “Buiten is het warm.” Samen vormen de delen Draußen ist es kalt de betekenis “Het is daar buiten koud.” De zin beschrijft de temperatuur buiten, zonder een concrete persoon of zaak als onderwerp te noemen.

  8. Ich erkläre, was passiert ist, und frage nach dem Schlüssel.

    Ik zal uitleggen wat er is gebeurd en naar de sleutel vragen.

    erkläre
    leg uit
    passiert
    gebeurt
    frage … nach
    vraag naar
    Schlüssel
    sleutel
    Uitgebreide uitleg

    erkläre is de ik-vorm van erklären in de tegenwoordige tijd: ich erkläre = “ik leg uit”. Het onderwerp Ich geeft aan dat de spreker de uitleg geeft. Voorbeeld: Ich erkläre die Regel. — “Ik leg de regel uit.” passiert komt hier van passieren en betekent in deze bijzin “gebeurd”. In was passiert ist is passiert het voltooid deelwoord; samen met ist vormt het Perfekt: ist passiert = “is gebeurd”. was is het onderwerp van passieren en betekent hier “wat”. Voorbeeld: Ich weiß, was passiert ist. — “Ik weet wat er is gebeurd.” frage ... nach bestaat hier uit de vervoegde vorm frage van fragen en het voorzetsel nach. Het herbruikbare patroon is nach etwas fragen = “naar iets vragen”; dit is niet het scheidbare werkwoord nachfragen. In de hoofdzin staat frage op de tweede positie, terwijl nach bij het gevraagde zelfstandig naamwoord staat: ich frage nach .... Voorbeeld: Ich frage nach dem Termin. — “Ik vraag naar de afspraak.” Schlüssel betekent hier “sleutel”. De vorm kan enkelvoud of meervoud zijn, want beide hebben Schlüssel; dem Schlüssel is hier mannelijk enkelvoud in de datief: der Schlüssel → dem Schlüssel. Die datief wordt in dit patroon door nach gevraagd. Voorbeeld: Ich suche den Schlüssel. — “Ik zoek de sleutel.” De hele zin verbindt met und twee handelingen van dezelfde spreker: Ich erkläre, was passiert ist betekent “Ik leg uit wat er is gebeurd”, en ich frage nach dem Schlüssel betekent “ik vraag naar de sleutel”. Samen betekent de zin: “Ik zal uitleggen wat er is gebeurd en naar de sleutel vragen.” De Duitse tegenwoordige vorm kan in deze context een toekomstige handeling uitdrukken; de Nederlandse vertaling maakt die toekomstige lezing expliciet met “zal”.

  9. Sag mir, wenn du beim Warten etwas brauchst.

    Zeg het me als je tijdens het wachten iets nodig hebt.

    Sag mir
    zeg het me
    wenn
    als
    beim Warten
    tijdens het wachten
    etwas
    iets
    brauchst
    nodig hebt
    Uitgebreide uitleg

    Sag mir is een verzoek aan één aangesproken persoon. Sag is de gebiedende wijs van sagen voor du; de vorm heeft hier geen uitgesproken onderwerp nodig. mir is de datiefvorm van ich en betekent hier “tegen mij” of “aan mij”. Samen vormt dit een herbruikbaar patroon: Sag mir, ... — “Zeg me ...”. wenn leidt hier de voorwaardelijke bijzin in: “als/wanneer ...”. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord doorgaans achteraan. Dat zie je verderop aan brauchst. beim Warten betekent hier “tijdens het wachten”. beim is de samensmelting van bei dem. Warten is het gesubstantiveerde werkwoord warten en wordt daarom met een hoofdletter geschreven. In deze uitdrukking staat het in de datief na bei. Vergelijk als herbruikbaar patroon: beim Essen — “tijdens het eten”. etwas is een onbepaald voornaamwoord met de betekenis “iets”. Het verwijst hier naar iets dat de aangesproken persoon nodig kan hebben; de zin specificeert niet wat dat is. Het kan bijvoorbeeld ook in Ich brauche etwas. staan: “Ik heb iets nodig.” brauchst is de tegenwoordige tijd van brauchen bij du: du brauchst — “jij hebt nodig”. De stamklinker verandert hier niet; de uitgang -st markeert deze vorm. Een bruikbaar contrast is ich brauche, maar du brauchst. De hele structuur is Sag mir, wenn du ... brauchst: “Zeg het me als je ... nodig hebt.” Eerst staat het verzoek Sag mir; daarna specificeert de wenn-bijzin de voorwaarde. Binnen die bijzin is du het onderwerp, etwas wat nodig is, en beim Warten de omstandigheid waarin dat nodig kan zijn. De vaste Nederlandse vertaling geeft de bedoelde betekenis weer: “Zeg het me als je tijdens het wachten iets nodig hebt.”

Grammatica

anrufen: Ich rufe den Vermieter an.

Ich rufe den Vermieter an.

isj roefuh deem fer-mie-tuh aan.

Ik bel de verhuurder op.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel aan het einde van de hoofdzin.

während + bijzin: Während ich draußen warte, ...

Während ich draußen warte, rufe ich den Vermieter an.

vèè-runt isj drau-sun var-tuh, roefuh isj deem fer-mie-tuh aan.

Terwijl ik buiten wacht, bel ik de verhuurder op.

Na während staat het werkwoord in de bijzin achteraan; in de hoofdzin blijft de persoonsvorm op de tweede plaats.

Duits woordenschat

anrufen werkwoord
an-roefun opbellen anzurufen

ihn jetzt anzurufen

ausgesperrt bijvoeglijk naamwoord
aus-guh-sjpert buitengesloten

Ich bin aus meiner Wohnung ausgesperrt.

drinnen bijwoord
drin-nun binnen; binnen in huis

Kann ich drinnen warten?

Ersatzschlüssel zelfstandig naamwoord
er-zats-sjuu-zul reservesleutel

einen Ersatzschlüssel

irgendwo bijwoord
ir-guhnt-voo ergens

Hast du irgendwo einen Ersatzschlüssel?

jetzt bijwoord
yetst nu

jetzt anzurufen

keinen voornaamwoord
kai-nuhn geen

Ich habe keinen.

Vermieter zelfstandig naamwoord
fer-mie-tuh verhuurder

mein Vermieter

versuchen werkwoord
fer-zoe-chun proberen Versuch

Versuch, ihn jetzt anzurufen.

vielleicht bijwoord
fie-lai-sjt misschien

hat vielleicht einen

warten werkwoord
var-tun wachten

drinnen warten

Wohnung zelfstandig naamwoord
voo-noeng appartement; woning

aus meiner Wohnung

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik ben buitengesloten uit mijn appartement.

Antwoord tonenIch bin aus meiner Wohnung ausgesperrt.

Heb je ergens een reservesleutel?

Antwoord tonenHast du irgendwo einen Ersatzschlüssel?

Probeer hem nu te bellen.

Antwoord tonenVersuch, ihn jetzt anzurufen.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

opbellen

Antwoord tonenanzurufen

appartement; woning

Antwoord tonenWohnung

geen

Antwoord tonenkeinen

proberen

Antwoord tonenVersuch