Ich
„Ich“ betekent hier „ik“ en verwijst naar de spreker die overweegt lid te worden van een tekenclub. Het staat als onderwerp vooraan in „Ich überlege“. Een nieuw voorbeeld: „Ich lerne Deutsch.“
überlege
„überlege“ betekent hier „overweeg“ of „denk erover na“. Het is de vorm die bij „Ich“ hoort in „Ich überlege“. Een nieuw voorbeeld: „Ich überlege, morgen zu kommen.“
einem
„einem“ betekent hier „aan een“ in „einem Zeichenclub beizutreten“. Het werkwoord „beitreten“ krijgt hier deze vorm voor het lid worden van een club. Een nieuw voorbeeld: „Sie möchte einem Verein beitreten.“
Zeichenclub
„Zeichenclub“ betekent „tekenclub“, de club waarvan de spreker lid wil worden. Het woord bestaat uit „Zeichen“ en „Club“ en benoemt hier een club rond tekenen. Een nieuw voorbeeld: „Der Zeichenclub trifft sich am Montag.“
beizutreten
„beizutreten“ betekent hier „lid te worden van“ en maakt samen met „einem Zeichenclub“ de handeling compleet. Deze vorm staat na „überlege, …“ om te zeggen wat de spreker overweegt. Een nieuw voorbeeld: „Er überlegt, einem Kurs beizutreten.“
Sind
„Sind“ betekent hier „zijn“ in de vraag „Sind Anfänger dort willkommen?“. Het staat vooraan omdat dit een ja-neevraag is en hoort bij het onderwerp „Anfänger“. Een nieuw voorbeeld: „Sind Kinder hier willkommen?“
Anfänger
„Anfänger“ betekent hier „beginners“, mensen die nog weinig ervaring hebben met tekenen. In „Sind Anfänger dort willkommen?“ is het het onderwerp van de vraag. Een nieuw voorbeeld: „Anfänger können mitmachen.“
dort
„dort“ betekent hier „daar“ en verwijst naar de tekenclub als plaats. Het staat in „Anfänger sind dort willkommen“ om aan te geven waar zij welkom zijn. Een nieuw voorbeeld: „Wir treffen uns dort.“
willkommen
„willkommen“ betekent hier „welkom“: beginners worden in de club geaccepteerd. In „Anfänger sind dort willkommen“ beschrijft het de situatie van de beginners. Een nieuw voorbeeld: „Gäste sind willkommen.“
Ja
„Ja“ betekent „ja“ en bevestigt dat beginners welkom zijn. Het antwoord „Ja, Anfänger sind dort willkommen“ reageert direct op de vorige vraag. Een nieuw voorbeeld: „Ja, ich komme mit.“
Das
„Das“ betekent hier „het“ in „Das erste Treffen“ en hoort bij de benoeming van de eerste bijeenkomst. Het wijst samen met „erste“ naar die specifieke bijeenkomst. Een nieuw voorbeeld: „Das nächste Treffen ist am Freitag.“
erste
„erste“ betekent hier „eerste“ en geeft aan dat het om de eerste bijeenkomst gaat. Het staat vóór „Treffen“ in „Das erste Treffen“. Een nieuw voorbeeld: „Das erste Kapitel ist kurz.“
Treffen
„Treffen“ betekent hier „bijeenkomst“ of „meeting“, namelijk de eerste bijeenkomst van de club. In „Das erste Treffen beginnt“ is het de gebeurtenis die begint. Een nieuw voorbeeld: „Das Treffen dauert eine Stunde.“
beginnt
„beginnt“ betekent hier „begint“: de eerste bijeenkomst start met eenvoudige schetsen. Deze vorm hoort bij het enkelvoudige onderwerp „Das erste Treffen“. Een nieuw voorbeeld: „Der Kurs beginnt um sechs.“
mit
„mit“ betekent hier „met“ en introduceert waarmee de bijeenkomst begint: „mit einfachen Skizzen“. Het geeft hier het beginonderdeel van de bijeenkomst aan. Een nieuw voorbeeld: „Wir beginnen mit einer Übung.“
einfachen
„einfachen“ betekent hier „eenvoudige“ en beschrijft de schetsen in „mit einfachen Skizzen“. De vorm staat in deze woordgroep na „mit“. Een nieuw voorbeeld: „Wir machen mit einfachen Übungen weiter.“
Skizzen
„Skizzen“ betekent hier „schetsen“, eenvoudige tekeningen waarmee de eerste bijeenkomst begint. Het woord staat na „mit einfachen“ in „mit einfachen Skizzen“. Een nieuw voorbeeld: „Ich zeichne gern Skizzen.“
Wie
„Wie“ betekent hier „hoe“ en opent samen met „oft“ de vraag naar de frequentie van de clubbijeenkomsten. In „Wie oft trifft sich der Club?“ vraagt het niet naar de manier, maar naar de regelmaat. Een nieuw voorbeeld: „Wie oft trainierst du?“
oft
„oft“ betekent hier „vaak“ en vormt met „Wie“ de vraag „hoe vaak“. Het vraagt hoeveel keer de club samenkomt. Een nieuw voorbeeld: „Wie oft liest du?“
trifft
„trifft“ betekent hier, samen met „sich“, „komt samen“ in „trifft sich“. De vorm hoort bij „der Club“ en beschrijft dat de club bijeenkomt. Een nieuw voorbeeld: „Der Kurs trifft sich jeden Dienstag.“
sich
„sich“ hoort hier bij „trifft“ in de uitdrukking „trifft sich“ voor „komt samen“. Het maakt duidelijk dat de club zelf bijeenkomt. Een nieuw voorbeeld: „Die Gruppe trifft sich online.“
der
„der“ is hier het woord vóór „Club“ in „der Club“ en verwijst naar de club als onderwerp van de zin. Samen vormen ze „der Club“. Een nieuw voorbeeld: „Der Club ist klein.“
Club
„Club“ betekent hier „club“, de tekenclub waarover in het gesprek wordt gesproken. In „der Club“ is het de groep die regelmatig bijeenkomt. Een nieuw voorbeeld: „Der Club sucht neue Mitglieder.“
Er
„Er“ betekent hier „hij“ en verwijst in „Er trifft sich“ terug naar „der Club“. Het neemt de plaats van „der Club“ in als onderwerp van de volgende zin. Een nieuw voorbeeld: „Er trifft sich jede Woche.“
jede
„jede“ betekent hier „elke“ in de tijdsaanduiding „jede Woche“. Daarmee wordt aangegeven dat de club iedere week samenkomt. Een nieuw voorbeeld: „Ich lerne jede Woche.“
Woche
„Woche“ betekent „week“ en vormt samen met „jede“ de terugkerende tijdsaanduiding „jede Woche“. Het geeft aan hoe vaak de bijeenkomst plaatsvindt. Een nieuw voorbeeld: „Nächste Woche habe ich Zeit.“
nach
„nach“ betekent hier „na“ in „nach der Arbeit“. Het plaatst de clubbijeenkomst na het werk. Een nieuw voorbeeld: „Wir gehen nach dem Kurs nach Hause.“
Arbeit
„Arbeit“ betekent hier „werk“ in „nach der Arbeit“, dus de tijd nadat het werk is afgelopen. Het is het zelfstandig naamwoord na „der“. Een nieuw voorbeeld: „Nach der Arbeit bin ich müde.“
Dieser
„Dieser“ betekent hier „dit“ of „deze“ en wijst naar het tijdschema waarover de spreker praat. Het staat vóór „Zeitplan“ in „Dieser Zeitplan passt“. Een nieuw voorbeeld: „Dieser Kurs ist interessant.“
Zeitplan
„Zeitplan“ betekent „tijdschema“ en verwijst hier naar de planning van de clubbijeenkomsten. In „Dieser Zeitplan passt vielleicht zu deinem Alltag“ wordt die planning met iemands dagelijkse routine vergeleken. Een nieuw voorbeeld: „Mein Zeitplan ist heute voll.“
passt
„passt“ betekent hier „past“ of „sluit aan bij“ in „passt zu deinem Alltag“. Het beschrijft dat het tijdschema verenigbaar kan zijn met de dagelijkse routine van de ander. Een nieuw voorbeeld: „Der Termin passt zu meinem Zeitplan.“
vielleicht
„vielleicht“ betekent „misschien“ en maakt de uitspraak voorzichtig: het tijdschema kan bij de routine passen, maar dat staat nog niet vast. Het staat hier bij „passt“. Een nieuw voorbeeld: „Vielleicht komme ich später.“
zu
„zu“ hoort hier bij „passt“ in „passt zu deinem Alltag“ en betekent „bij“ in de betekenis „aansluiten bij“. Na deze combinatie volgt wat bij het tijdschema past. Een nieuw voorbeeld: „Das passt zu meinem Plan.“
deinem
„deinem“ betekent hier „jouw“ in „deinem Alltag“. Het verwijst naar de dagelijkse routine van de persoon tegen wie gesproken wordt. Een nieuw voorbeeld: „Passt das zu deinem Plan?“
Alltag
„Alltag“ betekent „dagelijks leven“ of „dagelijkse routine“. In „zu deinem Alltag“ gaat het om de gewone dagelijkse bezigheden en planning van de ander. Een nieuw voorbeeld: „Im Alltag habe ich wenig Zeit.“
bin
„bin“ betekent hier „ben“ in „Ich bin nervös“. Deze vorm hoort bij „Ich“ en beschrijft de toestand van de spreker. Een nieuw voorbeeld: „Ich bin heute müde.“
nervös
„nervös“ betekent hier „nerveus“: de spreker voelt spanning bij het idee om naar de club te gaan. Het staat na „Ich bin“ en beschrijft de toestand van de spreker. Een nieuw voorbeeld: „Vor dem Treffen bin ich nervös.“
aber
„aber“ betekent „maar“ en verbindt twee tegengestelde punten: de spreker is nerveus, maar wil het toch proberen. Het markeert die tegenstelling tussen „Ich bin nervös“ en „ich möchte es versuchen“. Een nieuw voorbeeld: „Ich bin müde, aber ich komme mit.“
möchte
„möchte“ betekent hier „wil graag“ en drukt de wens uit om het te proberen. Het staat vóór de infinitief „versuchen“ in „ich möchte es versuchen“. Een nieuw voorbeeld: „Ich möchte den Kurs ausprobieren.“
es
„es“ betekent hier „het“ in „es versuchen“ en verwijst naar de activiteit die de spreker wil proberen, namelijk deelnemen aan de club. Het staat als object bij „versuchen“. Een nieuw voorbeeld: „Ich möchte es einmal versuchen.“
versuchen
„versuchen“ betekent hier „proberen“ in „ich möchte es versuchen“. Na „möchte“ staat deze vorm om te benoemen wat de spreker wil doen. Een nieuw voorbeeld: „Ich möchte, es selbst zu versuchen.“
Geh
„Geh“ betekent hier „ga“ en is een aansporing om naar één bijeenkomst te gaan. Het is gericht aan „du“ en staat aan het begin van de instructie. Een nieuw voorbeeld: „Geh nach Hause.“
bevor
„bevor“ betekent „voordat“ en verbindt de aansporing met de tijd waarop de beslissing wordt genomen. In „bevor du dich entscheidest“ leidt het een bijzin in. Een nieuw voorbeeld: „Ruf mich an, bevor du gehst.“
du
„du“ betekent „je“ en is hier de persoon die naar een bijeenkomst moet gaan en daarna een beslissing neemt. Het staat als onderwerp in „bevor du dich entscheidest“. Een nieuw voorbeeld: „Du kannst heute kommen.“
dich
„dich“ hoort bij „entscheidest“ in „dich entscheidest“ en maakt de uitdrukking „zich beslissen“ compleet. Het verwijst naar de aangesproken persoon zelf. Een nieuw voorbeeld: „Du musst dich bald entscheiden.“
entscheidest
„entscheidest“ betekent hier „beslist“ in „bevor du dich entscheidest“. De vorm hoort bij „du“ en gaat over het moment waarop de aangesproken persoon beslist of hij of zij wil meedoen. Een nieuw voorbeeld: „Du entscheidest später.“