Im
„Im“ betekent hier „in het“, zoals in „Im Gemeindezentrum“. Het is de verkorte vorm van „in dem“ en wordt gebruikt vóór een plaats: Im Gemeindezentrum gibt es einen Kochkurs.
Gemeindezentrum
„Gemeindezentrum“ betekent hier „buurthuis“ of „gemeenschapscentrum“, de plaats waar de kookles wordt gegeven. Je kunt het gebruiken voor een centrum met activiteiten voor mensen uit de buurt, zoals „im Gemeindezentrum“.
gibt
„Gibt“ is hier onderdeel van de vaste uitdrukking „gibt es“, die samen „er is“ betekent. Gebruik „gibt es“ om het bestaan of de aanwezigheid van iets te noemen, bijvoorbeeld: Im Gemeindezentrum gibt es einen Kochkurs.
es
„Es“ is hier onderdeel van de vaste uitdrukking „gibt es“, die samen „er is“ betekent. In deze uitdrukking verwijst „es“ niet zelfstandig naar een concreet „het“; gebruik het samen met „gibt“.
einen
„Einen“ betekent hier „een“ vóór „Kochkurs“: „einen Kochkurs“. Je gebruikt deze vorm in deze zin om één kookcursus te noemen die er in het buurthuis is.
Kochkurs
„Kochkurs“ betekent „kookcursus“ of „kookles“. Het woord wordt in de dialoog gebruikt voor de les in „einen Kochkurs“ en later als „der Kochkurs“.
Welche
„Welche“ betekent „welke“ en opent de vraag naar de soort gerechten: „Welche Gerichte lernst du dort zu kochen?“ Gebruik „Welche“ vóór het zelfstandig naamwoord waarover je een keuze of nadere bepaling vraagt.
Gerichte
„Gerichte“ betekent hier „gerechten“, dus bereide maaltijden of schotels. In „Welche Gerichte lernst du dort zu kochen?“ is het datgene wat je leert koken; je kunt het bijvoorbeeld gebruiken in „Gerichte kochen“.
lernst
„Lernst“ betekent hier „leert“ of „leert te“, in de vraag „lernst du dort zu kochen?“. Gebruik „du lernst“ met iets dat je leert, of met „zu“ plus een handeling die je leert uitvoeren.
du
„Du“ betekent „je“ en verwijst hier naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld: „lernst du“. Gebruik „du“ als onderwerp wanneer je één bekende persoon rechtstreeks aanspreekt.
dort
„Dort“ betekent „daar“ en verwijst hier naar de kookles in het buurthuis. Je gebruikt het om een plaats aan te wijzen die niet de directe spreekplaats is, zoals in „du lernst dort“.
zu
„Zu“ maakt hier samen met „kochen“ de constructie „zu kochen“, na „lernst“: leren om te koken. Gebruik „lernen“ met „zu“ en een werkwoord wanneer je zegt welke handeling iemand leert uitvoeren.
kochen
„Kochen“ betekent „koken“ en staat hier in „zu kochen“ na „lernst“. Het verwijst naar de handeling die in de kookles wordt aangeleerd; je kunt het ook gebruiken voor het bereiden van gerechten.
Einfache
„Einfache“ betekent hier „eenvoudige“ en beschrijft de pastagerechten in „Einfache Pastagerichte“. Gebruik het vóór een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat iets niet ingewikkeld is.
Pastagerichte
„Pastagerichte“ betekent „pastagerechten“. Het noemt in de dialoog het soort gerechten dat in de kookles wordt behandeld; je kunt het gebruiken voor verschillende gerechten met pasta.
und
„Und“ betekent „en“ en verbindt hier „Einfache Pastagerichte“ met „einfache Soßen“. Gebruik het om gelijkwaardige woorden of woordgroepen met elkaar te verbinden.
Soßen
„Soßen“ betekent „sauzen“ en noemt hier het tweede soort kookonderdeel naast de pastagerechten. Je kunt het gebruiken voor sauzen die bij gerechten worden bereid of geserveerd.
Ist
„Ist“ betekent „is“ en staat aan het begin van de vraag „Ist der Kochkurs für Anfänger geeignet?“. Gebruik „Ist“ in een ja-neevraag over één persoon, zaak of aanbod.
der
„Der“ betekent hier „de“ in „der Kochkurs“. Het verwijst naar de kookcursus die al in het gesprek is genoemd; gebruik het daarom wanneer die specifieke cursus wordt bedoeld.
für
„Für“ betekent „voor“ in de uitdrukking „für Anfänger geeignet“. Het geeft hier aan voor welke groep de kookcursus geschikt is; dezelfde combinatie kun je gebruiken voor andere doelgroepen.
Anfänger
„Anfänger“ betekent „beginners“, mensen die nog weinig ervaring hebben. In „für Anfänger geeignet“ beschrijft het de doelgroep waarvoor de kookcursus bedoeld is.
geeignet
„Geeignet“ betekent „geschikt“ in „für Anfänger geeignet“. Samen met „für“ geeft het aan dat iets past bij een bepaalde groep, activiteit of doel.
beginnt
„Beginnt“ betekent „begint“ en zegt hier wanneer of waarmee de kookcursus van start gaat: „Der Kochkurs beginnt mit einfachen Schritten“. Gebruik het met een activiteit of gebeurtenis die start.
mit
„Mit“ betekent „met“ in „mit einfachen Schritten“. Het geeft hier aan waarmee de kookcursus begint; je kunt „mit“ gebruiken om het eerste onderdeel of middel te noemen.
einfachen
„Einfachen“ betekent hier „eenvoudige“ en beschrijft „Schritten“ in „mit einfachen Schritten“. Gebruik „mit einfachen“ vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je eenvoudige onderdelen of handelingen noemt.
Schritten
„Schritten“ betekent „stappen“ in „mit einfachen Schritten“. De uitdrukking zegt dat de cursus met eenvoudige handelingen begint; je kunt „Schritte“ gebruiken om een procedure in onderdelen te beschrijven.
solltest
„Solltest“ geeft hier een advies: „zou moeten“ in „Du solltest dich anmelden“. Gebruik „solltest“ met een werkwoord om iemand op een vriendelijke manier aan te raden iets te doen.
dich
„Dich“ verwijst hier terug naar „du“ in de uitdrukking „dich anmelden“: jezelf inschrijven. Gebruik bij „anmelden“ deze vorm wanneer je zegt dat de aangesproken persoon zich inschrijft.
anmelden
„Anmelden“ betekent hier „zich inschrijven“ in „dich anmelden“. Gebruik het met een wederkerend voornaamwoord, zoals „dich“, wanneer iemand zichzelf voor een cursus of activiteit inschrijft.
Ich
„Ich“ betekent „ik“ en is hier degene die vertelt wat hij of zij wil leren: „Ich möchte ein praktisches Rezept lernen“. Gebruik „Ich“ als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt.
möchte
„Möchte“ geeft hier een beleefde of voorzichtige wens aan: „wil graag“ in „Ich möchte ... lernen“. Gebruik „Ich möchte“ gevolgd door een werkwoord om te zeggen wat je graag wilt doen.
ein
„Ein“ betekent hier „een“ in „ein praktisches Rezept“. Het introduceert één recept zonder te verwijzen naar een al eerder genoemd specifiek recept.
praktisches
„Praktisches“ betekent hier „praktisch“ of „bruikbaar“ en beschrijft „Rezept“ in „ein praktisches Rezept“. Gebruik het vóór een zelfstandig naamwoord voor iets dat nuttig is in de praktijk.
Rezept
„Rezept“ betekent „recept“, de beschrijving van ingrediënten en bereidingsstappen voor een gerecht. In de dialoog wil de spreker „ein praktisches Rezept lernen“.
lernen
„Lernen“ betekent „leren“ en staat hier na „möchte“ in „Ich möchte ein praktisches Rezept lernen“. Gebruik „möchte“ met het werkwoord in deze vorm om een wens uit te drukken.
Danach
„Danach“ betekent „daarna“ en verwijst naar het moment nadat het recept is geleerd. Je gebruikt het om de volgende handeling in de tijd te plaatsen, zoals in „Danach kannst du es ... kochen“.
kannst
„Kannst“ betekent hier „kunt“ of „kan“ en drukt een mogelijkheid uit: „Danach kannst du ... kochen“. Gebruik „du kannst“ gevolgd door een werkwoord om te zeggen wat iemand kan doen.
uns
„Uns“ betekent „ons“ in „für uns“ en noemt de mensen voor wie het gerecht wordt gekookt. Gebruik „für uns“ wanneer iets voor de spreker en minstens één andere persoon bedoeld is.