Even naar het toilet tijdens het wachten in de rij | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: While waiting in line, one adult asks another to keep their place during a quick restroom break..

NL → DE / Niveau: A2

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Even naar het toilet tijdens het wachten in de rij oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?

kanst doe mier koerts ajnun ge-faալun toen? Kun je me even helpen?
B

Was brauchst du?

vas brauks doe? Wat heb je nodig?
A

Kannst du meinen Platz freihalten, während ich auf die Toilette gehe?

kanst doe majnun plats frai-haltun, vèè-runt iesj auf die too-LET-tuh gee-un? Kun je mijn plek vrijhouden terwijl ik naar het toilet ga?
B

Das kann ich, aber komm bitte schnell zurück, wenn die Schlange weitergeht.

das kan iesj, aa-bur kom bit-tuh sjnel tsoe-ruk, ven die sjlanguh vaj-tur-geet. Dat kan, maar kom alsjeblieft snel terug als de rij verdergaat.
A

Ich bin gleich zurück.

iesj bin glajch tsoe-ruk. Ik ben zo terug.
B

Wenn die Schlange weitergeht, gehe ich nach vorne und halte deinen Platz frei.

ven die sjlanguh vaj-tur-geet, gee-un iesj naach voor-nuh oont hal-tuh dajnun plats frai. Als de rij verdergaat, schuif ik naar voren en houd ik je plek vrij.
A

Danke. Ich beeile mich und komme direkt zurück.

dankuh. iesj be-aj-luh miesj oont komuh die-rekt tsoe-ruk. Bedankt. Ik zal opschieten en meteen terugkomen.

Uitleg van de zinnen

  1. Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?

    Kun je me even helpen?

    Kannst du
    kun je
    mir
    mij
    kurz
    even
    einen Gefallen tun
    een gunst doen
    Uitgebreide uitleg

    Kannst du: können betekent hier “kunnen” en du is de tweede persoon enkelvoud. In een ja-neevraag staat de vervoegde vorm vooraan: Kannst du ...? = “Kun je ...?” Het werkwoord können heeft bijvoorbeeld ich kann, du kannst, er/sie kann; kannst hoort dus specifiek bij du. Voorbeeld: Kannst du warten? — “Kun je wachten?” mir: dit is de datiefvorm van het persoonlijk voornaamwoord ich: ich = “ik”, mir = “mij/aan mij”. Het geeft hier de persoon aan voor wie de gevraagde handeling bedoeld is. Voorbeeld: Hilfst du mir? — “Help je me?” kurz: dit bijwoord betekent hier “even” of “kort” en geeft aan dat de handeling kort bedoeld is. Het beschrijft hier niet de lengte van een zelfstandig naamwoord. Vergelijk als bijvoeglijk naamwoord: ein kurzer Weg — “een korte weg”; als bijwoord: Warte kurz. — “Wacht even.” einen Gefallen tun: dit is een vaste uitdrukking met de betekenis “iemand een gunst doen” of idiomatischer “iemand helpen”. Gefallen is een mannelijk zelfstandig naamwoord; na einen staat het hier in de accusatief: einen Gefallen. tun is de infinitief “doen”. De constructie kan ook met een andere persoon worden gebruikt: Sie tut ihm einen Gefallen. — “Zij doet hem een gunst.” Samen vormen de delen de vraag Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?: “Kun je me even een gunst doen?” In natuurlijk Nederlands is de vaste betekenis hier “Kun je me even helpen?”

  2. Was brauchst du?

    Wat heb je nodig?

    Was
    wat
    brauchst
    hebt nodig
    du
    jij
    Uitgebreide uitleg

    Was betekent hier “wat” en vraagt naar het ding of de zaak die iemand nodig heeft. Het is een vraagwoord; vergelijk bijvoorbeeld Wer? (“Wie?”) voor een persoon en Wo? (“Waar?”) voor een plaats. brauchst komt van brauchen (“nodig hebben”). Dit is de tegenwoordige tijd bij du: du brauchst. De vorm brauchst bevat dus zowel de stam van het werkwoord als de uitgang voor de tweede persoon enkelvoud. Voorbeeld: Du brauchst Hilfe. — “Je hebt hulp nodig.” du betekent “jij” en is de informele tweede persoon enkelvoud. Het onderwerp staat hier na het vraagwoord, zoals vaak in een Duitse vraag: vraagwoord + werkwoord + onderwerp. In du brauchst hoort de werkwoordsvorm bij dit onderwerp. Samen vormen de woorden Was brauchst du?: “Wat heb je nodig?” Het vraagwoord vraagt naar wat nodig is; brauchst drukt “hebt nodig” uit; en du maakt duidelijk dat de vraag aan één persoon gericht is. Dit is een gewone directe vraag in een informele aanspreekvorm.

  3. Kannst du meinen Platz freihalten, während ich auf die Toilette gehe?

    Kun je mijn plek vrijhouden terwijl ik naar het toilet ga?

    Kannst du
    Kun je
    meinen
    mijn
    Platz
    plek
    freihalten
    vrijhouden
    während
    terwijl
    ich
    ik
    auf
    naar
    die
    de
    Toilette
    toilet
    gehe
    ga
    Uitgebreide uitleg

    Kannst du is een directe vraag met können (“kunnen”) in de tweede persoon enkelvoud. De vorm kannst hoort bij du; in een vraag staat het vervoegde werkwoord vooraan: Kannst du warten? = “Kun je wachten?” Het volgende werkwoord blijft als infinitief staan. meinen betekent hier “mijn” en hoort bij het mannelijke zelfstandig naamwoord Platz. De vorm is de accusatief enkelvoud mannelijk van mein: nominatief mein Platz, accusatief meinen Platz. De accusatief markeert hier het object van freihalten. Bij andere combinaties verandert de bezittelijke vorm bijvoorbeeld: meine Tasche = “mijn tas”. Platz betekent hier “plek” of “plaats”, dus een plaats die iemand voor de spreker bezet houdt. Het meervoud is Plätze. freihalten betekent “vrijhouden” of “reserveren”. Het is een scheidbaar werkwoord, maar na kannst blijft het als infinitief bij elkaar: Ich halte den Platz frei = “Ik houd de plek vrij”; Ich kann den Platz freihalten = “Ik kan de plek vrijhouden.” In de vaste zin is meinen Platz het object van dit werkwoord. während leidt een bijzin in met de betekenis “terwijl”. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan. Voorbeeld: Ich lese, während du wartest. = “Ik lees terwijl jij wacht.” ich is het persoonlijk voornaamwoord voor “ik”. Hier is het onderwerp van de bijzin die met während begint. auf die Toilette is in deze zin de gebruikelijke richtingaanduiding in de uitdrukking auf die Toilette gehen: “naar het toilet gaan”. auf heeft hier dus niet de betekenis “op”; samen met deze bestemming drukt het een beweging ernaartoe uit. die Toilette staat in de accusatief, omdat het om een richting gaat. Bij het vrouwelijke zelfstandig naamwoord ziet de vorm van het lidwoord er in nominatief en accusatief hetzelfde uit: die Toilette. Toilette betekent “toilet”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Toilette; het meervoud is die Toiletten. gehe is de ik-vorm van gehen (“gaan”) in de tegenwoordige tijd. ich gehe betekent “ik ga”. In de während-bijzin staat deze vervoegde vorm aan het einde: während ich auf die Toilette gehe = “terwijl ik naar het toilet ga”. Samen vormt Kannst du meinen Platz freihalten de vraag “Kun je mijn plek vrijhouden?”. De bijzin während ich auf die Toilette gehe zegt wanneer dat gebeurt: “terwijl ik naar het toilet ga”. De volledige betekenis is dus: “Kun je mijn plek vrijhouden terwijl ik naar het toilet ga?” De formulering is een normale, beleefde alledaagse vraag.

  4. Das kann ich, aber komm bitte schnell zurück, wenn die Schlange weitergeht.

    Dat kan, maar kom alsjeblieft snel terug als de rij verdergaat.

    Das
    dat
    kann ich
    kan ik
    aber
    maar
    komm
    kom
    bitte
    alsjeblieft
    schnell
    snel
    zurück
    terug
    wenn
    als
    Schlange
    rij
    weitergeht
    verdergaat
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dat” en verwijst naar de handeling of het verzoek uit de voorafgaande context. Het is hier een zelfstandig aanwijzend voornaamwoord, niet een lidwoord vóór een zelfstandig naamwoord. kann ich bevat kann, de vorm van können bij ich, en het onderwerp ich. In combinatie met het voorafgaande Das vormt het de mededelende hoofdzin Das kann ich: “Dat kan (ik doen)”. De Nederlandse vaste vertaling laat ik natuurlijk weg in “Dat kan”, maar in het Duits staat ich wel expliciet als onderwerp. In een hoofdzin staat het vervoegde werkwoord hier op de tweede zinsplaats: Das kann ich. Andere vormen zijn bijvoorbeeld du kannst en wir können. aber verbindt een tegenstelling: op deze bevestiging volgt een verzoek met een voorwaarde. Het betekent “maar”. komm is de gebiedende wijs voor du van kommen (“komen”): “kom!”. De aangesproken persoon wordt bij deze vorm meestal niet apart genoemd. Vergelijk Komm! (“Kom!”) met Kommt! (“Komen jullie!”). bitte verzacht het verzoek en betekent hier “alsjeblieft”. Het verandert de persoon of tijd van komm niet. schnell betekent hier “snel” en beschrijft hoe de aangesprokene moet terugkomen. Het kan ook als bijvoeglijk naamwoord bij een zelfstandig naamwoord staan, bijvoorbeeld ein schneller Zug — “een snelle trein”. zurück betekent “terug” en geeft de richting van het komen aan. Samen leveren komm en zurück het herbruikbare patroon Komm zurück! — “Kom terug!”. wenn leidt hier een voorwaardelijke bijzin in en betekent “als”. In een Duitse bijzin die met wenn begint, staat het vervoegde werkwoord aan het einde: Wenn die Schlange weitergeht — “Als de rij verdergaat”. Schlange betekent hier “rij”, in de context van wachtende mensen. Het woord kan in een andere context ook “slang” betekenen; de vaste vertaling maakt hier de betekenis “rij” duidelijk. die Schlange is hier enkelvoud; die is het vrouwelijke lidwoord in deze naamwoordgroep. Het zelfstandig naamwoord zelf krijgt daardoor geen andere vorm. weitergeht komt van weitergehen, “verdergaan” of “doorgaan”. Het is de tegenwoordige tijd, derde persoon enkelvoud, passend bij die Schlange: die Schlange geht weiter. In deze bijzin staat de vervoegde vorm achteraan. Het deel weiter- geeft aan dat de voortgang doorgaat. De uiting bouwt op als Das kann ich — “Dat kan” — gevolgd door aber: “maar”. Daarna komt het verzoek komm bitte schnell zurück: “kom alsjeblieft snel terug”. wenn die Schlange weitergeht voegt de voorwaarde toe: “als de rij verdergaat”. Samen betekent de hele uiting: “Dat kan, maar kom alsjeblieft snel terug als de rij verdergaat.”

  5. Ich bin gleich zurück.

    Ik ben zo terug.

    Ich
    ik
    bin
    ben
    gleich
    zo
    zurück
    terug
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik”: de eerste persoon enkelvoud. Het is de onderwerpsvorm; vergelijk mich voor “mij” als lijdend voorwerp. Voorbeeld: Ich warte. — “Ik wacht.” bin is de vorm van sein (“zijn”) voor ich in de tegenwoordige tijd: ich bin, du bist, er/sie ist. In deze zin vormt bin samen met zurück geen verleden tijd; het werkwoord “zijn” beschrijft de toestand of positie van de spreker. gleich betekent hier “zo meteen” of “straks”, dus een korte tijd vanaf het spreekmoment. Het is hier een bijwoord en zegt wanneer de spreker terug is; het betekent in andere contexten ook “gelijk” of “hetzelfde”. Voorbeeld: Ich komme gleich. — “Ik kom zo.” zurück betekent “terug”. Het is een bijwoord dat een terugkeer naar een eerder punt of een eerdere plaats aanduidt. Het kan met verschillende werkwoorden worden gebruikt, bijvoorbeeld zurückkommen (“terugkomen”) en zurückgehen (“teruggaan”). Voorbeeld: Sie geht zurück. — “Zij gaat terug.” Samen vormen Ich bin gleich zurück de mededeling “Ik ben zo terug.” De spreker zegt dat hij of zij na korte tijd weer terug zal zijn. De woordvolgorde is onderwerp + vervoegde vorm van sein + tijdsbepaling + plaats-/richtingsbijwoord: Ich + bin + gleich + zurück. Deze formulering is alledaags en compact.

  6. Wenn die Schlange weitergeht, gehe ich nach vorne und halte deinen Platz frei.

    Als de rij verdergaat, schuif ik naar voren en houd ik je plek vrij.

    Wenn
    als
    die Schlange
    de rij
    weitergeht
    verdergaat
    gehe
    ga
    nach vorne
    naar voren
    halte
    houd
    Platz
    plek
    frei
    vrij
    Uitgebreide uitleg

    Wenn opent een voorwaardelijke bijzin en betekent hier “als”. In zo’n bijzin staat het vervoegde werkwoord in het Duits achteraan. Vergelijk: Wenn ich Zeit habe, ... = “Als ik tijd heb, ...”. die Schlange betekent hier “de rij”, zoals ook uit de vaste Nederlandse vertaling blijkt. Het zelfstandig naamwoord Schlange kan in andere contexten ook “slang” betekenen; hier gaat het om een rij mensen. die is hier het lidwoord bij dit vrouwelijke zelfstandig naamwoord. weitergeht komt van weitergehen en betekent hier “verdergaat” of “doorgaat”. Het is een scheidbaar werkwoord: in deze bijzin blijft het als één vorm geschreven, omdat het vervoegde deel aan het einde staat. In een hoofdzin zie je bijvoorbeeld Die Schlange geht weiter. gehe is de ik-vorm van gehen in de tegenwoordige tijd: ich gehe = “ik ga”. Omdat de bijzin vooropstaat, volgt daarna gehe ich: het vervoegde werkwoord staat dus vóór het onderwerp in de hoofdzin. Dat is de gebruikelijke Duitse woordvolgorde na een voorafgaande bijzin. nach vorne betekent “naar voren”. Het geeft hier de richting van de beweging aan. Bijvoorbeeld: Ich gehe nach vorne. = “Ik ga naar voren.” halte is de ik-vorm van halten in de tegenwoordige tijd. In combinatie met ... frei halten betekent het “vrijhouden”, dus ervoor zorgen dat iets beschikbaar blijft. Het onderwerp is hier ich, hoewel het direct na gehe staat. Platz betekent “plek” of “plaats”. In deinen Platz is deinen het bezittelijke woord “jouw” en verwijst Platz naar de plek die voor de aangesprokene wordt vrijgehouden. Het zelfstandig naamwoord zelf blijft Platz; het bezittelijke woord draagt hier de relevante vorm voor deze naamwoordgroep. frei betekent “vrij”. Samen met halte en deinen Platz vormt het de betekenis “je plek vrijhouden”: Ich halte den Platz frei. = “Ik houd de plek vrij.” De hele zin begint met de voorwaarde Wenn die Schlange weitergeht — “als de rij verdergaat”. Daarna volgt de hoofdzin gehe ich nach vorne — “ga ik naar voren” — en halte deinen Platz frei — “houd ik je plek vrij”. Samen betekent de uiting: “Als de rij verdergaat, schuif ik naar voren en houd ik je plek vrij.”

  7. Danke. Ich beeile mich und komme direkt zurück.

    Bedankt. Ik zal opschieten en meteen terugkomen.

    Danke
    bedankt
    beeile
    haast
    direkt
    meteen
    komme … zurück
    terugkomen
    Uitgebreide uitleg

    Danke is een korte, zelfstandige manier om iemand te bedanken. Het is hier geen volledige zin met een uitgesproken onderwerp of werkwoord. beeile hoort bij het wederkerende werkwoord sich beeilen: zich haasten. In de zin staat de vorm voor ich: Ich beeile mich = “Ik haast me”. Het wederkerende voornaamwoord hoort bij het werkwoord: ich beeile mich, maar bijvoorbeeld du beeilst dich. Voorbeeld: Ich beeile mich. — “Ik haast me.” direkt betekent hier “meteen” of “rechtstreeks”, en versterkt in deze context het idee dat de terugkeer zonder uitstel gebeurt. Voorbeeld: Ich komme direkt. — “Ik kom meteen.” komme ... zurück is de werkwoordelijke combinatie zurückkommen = terugkomen. Dit is een scheidbaar werkwoord: in een gewone hoofdzin staat komme op de tweede plaats en komt het voorvoegsel zurück aan het einde. De vorm komme is de ik-vorm van kommen; zurück draagt de betekenis “terug”. Voorbeeld: Sie kommt später zurück. — “Zij komt later terug.” Na und wordt het onderwerp ich niet herhaald, maar het blijft ook bij komme het onderwerp: Ich beeile mich und komme direkt zurück. Het tegenwoordige Duits kan hier een nabije toekomstige handeling uitdrukken. Samen betekent de uiting: “Bedankt. Ik zal me haasten en meteen terugkomen.”

Grammatica

während + Nebensatz: das Verb steht am Ende

während die Schlange weitergeht

vèè-runt die sjlanguh vaj-tur-geet

terwijl de rij verdergaat

Na während staat het vervoegde werkwoord achteraan in de bijzin: weitergeht.

Trennbares Verb: zurückkommen → komm zurück

Komm zurück!

kom tsoe-ruk

Kom terug!

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel in de hoofdzin achteraan.

Duits woordenschat

brauchen werkwoord
brau-ghun nodig hebben brauchst

Was brauchst du?

freihalten werkwoord
frai-haltun vrijhouden

Kannst du meinen Platz freihalten?

Gefallen zelfstandig naamwoord
ge-faalun gunst einen Gefallen

Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?

gehen werkwoord
gee-un gaan gehe

Während ich auf die Toilette gehe

kurz bijwoord
koerts even; kort

Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?

Platz zelfstandig naamwoord
plats plek meinen Platz

Kannst du meinen Platz freihalten?

Schlange zelfstandig naamwoord
sjlanguh rij die Schlange

wenn die Schlange weitergeht

Toilette zelfstandig naamwoord
too-LET-tuh toilet die Toilette

auf die Toilette gehen

tun werkwoord
toen doen

Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?

während voegwoord
vèè-runt terwijl

Während ich auf die Toilette gehe

weitergehen werkwoord
vaj-tur-gee-un verdergaan weitergeht

wenn die Schlange weitergeht

zurückkommen werkwoord
tsoe-ruk-komun terugkomen komm zurück

Komm bitte schnell zurück

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat heb je nodig?

Antwoord tonenWas brauchst du?

Ik ben zo terug.

Antwoord tonenIch bin gleich zurück.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

vrijhouden

Antwoord tonenfreihalten

even; kort

Antwoord tonenkurz

nodig hebben

Antwoord tonenbrauchst

terwijl

Antwoord tonenwährend