Kannst
“Kannst” betekent hier “kun je” en drukt uit dat je iets kunt doen. Het is de vorm van “können” die bij “du” hoort. Je gebruikt het vaak aan het begin van een vraag, zoals in “Kannst du mir ... tun?”.
du
“du” betekent hier “jij” en verwijst naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. Samen met “Kannst” vormt het “Kannst du”, dus “kun je”. Deze combinatie staat meestal aan het begin van een informele vraag.
mir
“mir” betekent hier “mij” als de persoon die de gunst ontvangt. In “Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?” is “mir” degene voor wie de ander iets doet. Je gebruikt “mir” ook bij andere uitdrukkingen waarin iemand iets krijgt of iets voor iemand doet.
kurz
“kurz” betekent hier “even” of “kort”: de gevraagde gunst zal niet lang duren. In “kurz einen Gefallen tun” beperkt het de duur of omvang van de handeling. Het staat vóór wat iemand kort wil doen.
einen
“einen” betekent hier “een” in de vaste uitdrukking “einen Gefallen tun”. Deze vorm hoort bij het mannelijke woord “Gefallen” in deze uitdrukking. Je gebruikt “einen” dus samen met het daaropvolgende zelfstandig naamwoord, niet los als volledige uitdrukking.
Gefallen
“Gefallen” betekent hier “gunst” of “plezier” in de uitdrukking “einen Gefallen tun”, iemand een gunst doen. De combinatie vraagt om iemand die de gunst ontvangt, hier “mir”. In een verzoek aan een bekende kun je deze uitdrukking gebruiken om beleefd om hulp te vragen.
tun
“tun” betekent hier “doen” en maakt samen met “einen Gefallen” de uitdrukking “einen Gefallen tun”. Het gaat dus niet om zomaar iets doen, maar om iemand een gunst doen. In “Kannst du mir kurz einen Gefallen tun?” staat het als het werkwoord aan het einde van de vraag.
Was
“Was” betekent hier “wat” en vraagt naar datgene wat iemand nodig heeft. In “Was brauchst du?” staat het aan het begin van de vraag. Je gebruikt “Was” wanneer je naar een ding, behoefte of informatie vraagt.
brauchst
“brauchst” betekent hier “nodig hebt”; de vorm komt van “brauchen” en hoort bij “du”. In “Was brauchst du?” vraagt de spreker wat de ander nodig heeft. Een veelgebruikt patroon is “Was brauchst du?” gevolgd door het gevraagde ding of de gevraagde hulp.
meinen
“meinen” betekent hier “mijn” in “meinen Platz”, dus de plek van de spreker. Het is de vorm van “mein” die in deze woordgroep vóór “Platz” wordt gebruikt. Je gebruikt het bezittelijke woord direct vóór het zelfstandig naamwoord dat van jou is.
Platz
“Platz” betekent hier “plek”, specifiek de plek van de spreker in de rij. In “meinen Platz freihalten” gaat het om die plek bewaren terwijl iemand weg is. Je kunt het gebruiken wanneer je naar een plaats, zitplaats of positie verwijst.
freihalten
“freihalten” betekent hier “vrijhouden”: ervoor zorgen dat de plek van de spreker beschikbaar blijft. Het is in “meinen Platz freihalten” het werkwoord na “Kannst du”. Deze uitdrukking gebruik je wanneer je iemand vraagt een plaats, stoel of positie voor je te bewaren.
während
“während” betekent hier “terwijl” en verbindt de hoofdzin met de handeling die op hetzelfde moment gebeurt. In “während ich auf die Toilette gehe” beschrijft het wat er gebeurt terwijl de plek wordt vrijgehouden. Na “während” volgt hier een volledige bijzin.
ich
“ich” betekent hier “ik” en verwijst naar de persoon die naar het toilet gaat. In “während ich auf die Toilette gehe” is “ich” de uitvoerder van “gehe”. Je gebruikt “ich” als je over jezelf spreekt.
auf
“auf” hoort hier bij de uitdrukking “auf die Toilette gehen”, die betekent “naar het toilet gaan”. Het geeft in deze combinatie de richting naar het toilet aan. Leer “auf” hier dus samen met “die Toilette” en “gehe”.
die
“die” is hier het lidwoord in de vaste uitdrukking “auf die Toilette gehen”. Samen met “Toilette” verwijst het naar het toilet waar de spreker naartoe gaat. Het woord staat direct vóór “Toilette”.
Toilette
“Toilette” betekent hier “toilet” in de uitdrukking “auf die Toilette gehen”. De volledige uitdrukking beschrijft dat iemand naar het toilet gaat. Je gebruikt dit in een alledaagse situatie waarin je kort moet weggaan.
gehe
“gehe” betekent hier “ga” en is de vorm van “gehen” bij “ich”. In “ich auf die Toilette gehe” beschrijft het de beweging naar het toilet. Samen met “auf die Toilette” vormt het een gebruikelijke uitdrukking voor naar het toilet gaan.
Das
“Das” betekent hier “dat” en verwijst naar het verzoek of de voorgestelde hulp uit de vorige zin. In “Das kann ich” betekent de hele combinatie “dat kan ik” of “dat kan ik doen”. Aan het begin van deze zin wordt “Das” met een hoofdletter geschreven.
kann
“kann” betekent hier “kan” en drukt uit dat de spreker bereid of in staat is om te helpen. In “Das kann ich” verwijst “Das” naar de gevraagde hulp. De vorm komt van “können” en hoort hier bij “ich”.
aber
“aber” betekent hier “maar” en voegt een voorwaarde of beperking toe aan de toezegging om te helpen. In “Das kann ich, aber ...” volgt daarna het verzoek om snel terug te komen. Je gebruikt “aber” om twee delen met een tegenstelling of beperking te verbinden.
komm
“komm” betekent hier “kom” en is een direct verzoek aan één persoon om terug te komen. In “komm bitte schnell zurück” maakt het samen met “zurück” duidelijk dat de persoon terug naar de rij moet komen. “Bitte” maakt dit verzoek beleefder.
bitte
“bitte” betekent hier “alsjeblieft” en verzacht het verzoek “komm bitte schnell zurück”. Het staat in deze zin tussen de gebiedende vorm en de rest van het verzoek. Je gebruikt “bitte” vaak om een vraag of opdracht beleefd te maken.
schnell
“schnell” betekent hier “snel” en geeft aan dat de persoon niet lang moet wegblijven. In “komm bitte schnell zurück” beschrijft het hoe snel de terugkeer moet gebeuren. Het staat vóór “zurück” in dit verzoek.
zurück
“zurück” betekent hier “terug” en geeft aan dat iemand terug moet gaan naar de plek in de rij. In “komm bitte schnell zurück” hoort het bij “komm”. Je gebruikt het om een beweging terug naar een eerder punt of een eerdere plaats aan te geven.
wenn
“wenn” betekent hier “als” en introduceert een voorwaarde: de actie geldt op het moment dat de rij verdergaat. In “wenn die Schlange weitergeht” staat de voorwaardelijke bijzin na de hoofdzin. Je gebruikt “wenn” om een situatie of moment als voorwaarde te noemen.
Schlange
“Schlange” betekent hier “rij”, niet een dier, omdat het samen voorkomt met “weitergeht”. In “die Schlange weitergeht” gaat het om de rij mensen die vooruit beweegt. Je gebruikt dit woord in situaties waarin mensen achter elkaar op hun beurt wachten.
weitergeht
“weitergeht” betekent hier “verdergaat” of “verder beweegt” en beschrijft dat de rij opnieuw vooruitgaat. Het hoort bij “die Schlange” in “wenn die Schlange weitergeht”. Je gebruikt deze vorm wanneer een proces, rij of beweging doorgaat.
bin
“bin” betekent hier “ben” in “Ich bin gleich zurück”. De combinatie zegt dat de spreker over korte tijd weer terug is. “Bin” is de vorm van “sein” die bij “ich” hoort.
gleich
“gleich” betekent hier “zo” of “meteen” en geeft aan dat de terugkeer niet lang op zich laat wachten. In “Ich bin gleich zurück” hoort het bij de belofte om snel terug te zijn. Je gebruikt dit woord om een korte tijd tot een gebeurtenis aan te geven.
nach
“nach” hoort hier bij “nach vorne gehen” en geeft de richting aan waarin de spreker beweegt. In deze context betekent de combinatie “naar voren gaan” in de rij. Leer “nach vorne” als één richtingsuitdrukking.
vorne
“vorne” betekent hier “voren” in “nach vorne”. Samen beschrijft het dat iemand vooruitgaat naar een positie verder vooraan in de rij. Je gebruikt “vorne” om een plaats aan de voorkant aan te geven.
und
“und” betekent hier “en” en verbindt twee acties van dezelfde spreker: naar voren gaan en de plek vrijhouden. In “gehe ich nach vorne und halte deinen Platz frei” maakt het de twee handelingen onderdeel van één toezegging. Je gebruikt “und” om handelingen of zinnen samen te voegen.
halte
“halte” betekent hier “houd” in “halte deinen Platz frei”. Het is de vorm van “halten” die bij “ich” hoort. Samen met “deinen Platz frei” betekent het dat de spreker de plek beschikbaar houdt.
deinen
“deinen” betekent hier “jouw” in “deinen Platz”, dus de plek van de aangesproken persoon. Het is de vorm van “dein” die in deze woordgroep vóór “Platz” wordt gebruikt. Je gebruikt het direct vóór het zelfstandig naamwoord dat van de ander is.
frei
“frei” betekent hier “vrij” of “beschikbaar” in “deinen Platz frei halten”. Het beschrijft de toestand die de spreker voor de plek wil behouden. Samen met “halte” vormt het de betekenis “jouw plek vrijhouden”.
Danke
“Danke” betekent hier “bedankt” en is een korte uiting van dankbaarheid voor de aangeboden hulp. De spreker gebruikt het nadat de ander heeft beloofd de plek vrij te houden. Je kunt “Danke” zelfstandig gebruiken als reactie op een gunst of hulp.
beeile
“beeile” betekent hier “haast” in de uitdrukking “Ich beeile mich”. De spreker belooft daarmee dat hij snel zal proberen te handelen. “Beeile” hoort samen met “mich”; zonder dit onderdeel is de uitdrukking hier niet compleet.
mich
“mich” betekent hier “me” in “Ich beeile mich”. Het hoort bij de uitdrukking die betekent dat de spreker zich haast. Je gebruikt deze vorm dus samen met “Ich beeile ...” wanneer je over je eigen haast spreekt.
komme
“komme” betekent hier “kom” of “kom terug” en is de vorm van “kommen” bij “ich”. In “komme direkt zurück” belooft de spreker rechtstreeks terug te keren naar de rij. Je gebruikt deze vorm met “ich” om je eigen beweging of terugkeer te beschrijven.
direkt
“direkt” betekent hier “direct” of “meteen” en beschrijft dat de spreker zonder omweg terugkomt. In “komme direkt zurück” versterkt het de belofte van een rechtstreekse terugkeer. Je gebruikt het hier samen met “zurück”.