Ingrediënten controleren voor het koken | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At home, two adults check ingredients before cooking and decide to buy onions before measuring rice..

NL → DE / Niveau: A2

Over deze les

Met Ingrediënten controleren voor het koken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Bevor wir anfangen zu kochen, welche Zutaten haben wir?

be-FOOR vier AN-fang-en tsoe KOOG-en, WEL-chuh tsoe-TAA-ten HAA-buh(n) vier? Voordat we gaan koken, welke ingrediënten hebben we?
B

Für das Rezept brauchen wir Zwiebeln und Tomaten.

fūr das re-TSÈPT BROW-ghen vier TSWIE-buln oent too-MAA-ten. Voor het recept hebben we uien en tomaten nodig.
A

Wir haben Tomaten, aber wir haben keine Zwiebeln mehr.

vier HAA-buh(n) too-MAA-ten, AA-buh vier HAA-buh(n) KAI-nuh TSWIE-buln meer. We hebben tomaten, maar de uien zijn op.
B

Können wir stattdessen Frühlingszwiebeln verwenden?

KEU-nuh vier stat-DÈS-sen FRUU-lings-tswiebln fer-WEN-den? Kunnen we in plaats daarvan bosuitjes gebruiken?
A

Vielleicht, aber der Geschmack wird anders sein.

FIE-lait, AA-buh dēr ge-SJMAK virt AN-ders zain. Misschien, maar de smaak zal anders zijn.
B

Dann kaufe ich Zwiebeln im Laden an der Ecke.

dan KAU-fuh ich TSWIE-buln im LAA-den an dēr EK-kuh. Dan ga ik uien kopen bij de winkel op de hoek.
A

Wir müssen den Reis noch abmessen.

vier MUS-sen deen RAIS nog AP-mes-sen. We moeten de rijst nog afmeten.
B

Ich messe genug Reis für vier Personen ab, wenn ich zurück bin.

ich MES-suh guh-NOEK raais fūr vier per-ZOO-nuh(n) ap, wenn ich tsoe-RUK bin. Ik meet genoeg rijst af voor vier mensen nadat ik terug ben.

Woord voor woord

Bevor “Bevor” betekent hier ‘voordat’ en leidt de bijzin “Bevor wir anfangen zu kochen” in. Je gebruikt het om een handeling aan te geven die eerder plaatsvindt dan een andere handeling, bijvoorbeeld voordat je vertrekt.
wir “wir” verwijst hier naar de twee mensen die samen gaan koken: ‘wij’. Het staat als onderwerp bij “anfangen” en “haben”; gebruik “wir” voor een groep waarin de spreker zelf zit.
anfangen “anfangen” betekent in “Bevor wir anfangen zu kochen” ‘beginnen’. De vorm blijft bij “wir” gelijk aan de infinitief; met “zu kochen” geeft de zin aan waarmee ze beginnen.
zu “zu” maakt in “zu kochen” deel uit van de infinitiefconstructie na “anfangen”. Deze combinatie betekent ‘beginnen met koken’; een vergelijkbaar patroon is “anfangen zu lernen” in een nieuw voorbeeld.
kochen “kochen” betekent hier ‘koken’ en noemt de activiteit waarmee ze gaan beginnen. Het staat na “zu” in “zu kochen”; je gebruikt het bijvoorbeeld bij het bereiden van een maaltijd.
welche “welche” betekent hier ‘welke’ of ‘wat voor’ in de vraag “welche Zutaten haben wir?”. Het vraagt om een keuze of opsomming van ingrediënten en staat direct voor “Zutaten”.
Zutaten “Zutaten” betekent ‘ingrediënten’, dus de voedingsmiddelen die voor het recept nodig zijn. In “welche Zutaten” wordt gevraagd welke ingrediënten beschikbaar zijn; je kunt het gebruiken voor ingrediënten van een gerecht.
haben “haben” betekent hier ‘hebben’ in “welche Zutaten haben wir?”. De vorm hoort bij “wir” en vraagt welke ingrediënten de twee personen beschikbaar hebben; een bruikbaar patroon is “Wir haben ...” met een object.
Für “Für” betekent hier ‘voor’ in “Für das Rezept”. Het geeft aan waarvoor de genoemde ingrediënten nodig zijn en staat hier voor “das Rezept”; gebruik het bijvoorbeeld voor iets dat voor een persoon of doel bestemd is.
das “das” betekent hier ‘het’ in “das Rezept”. Samen met “Rezept” verwijst het naar een specifiek recept; het patroon “für das ...” kan in nieuwe voorbeelden een doel of bestemming aangeven.
Rezept “Rezept” betekent ‘recept’, de instructie voor het gerecht dat ze gaan koken. In “Für das Rezept” geeft het aan waarvoor de ingrediënten nodig zijn; je gebruikt het bijvoorbeeld bij het volgen van kookinstructies.
brauchen “brauchen” betekent hier ‘nodig hebben’ in “brauchen wir Zwiebeln und Tomaten”. De vorm hoort bij “wir” en staat vóór de dingen die nodig zijn; een bruikbaar patroon is “Wir brauchen ...” met een object.
Zwiebeln “Zwiebeln” betekent ‘uien’ en verwijst in de dialoog naar de uien voor het recept. De vorm is meervoud en komt voor als nodig ingrediënt en als ingrediënt dat op is; gebruik het voor meerdere uien.
und “und” verbindt in “Zwiebeln und Tomaten” twee ingrediënten. Het voegt gelijkwaardige woorden of woordgroepen samen, bijvoorbeeld twee dingen die je nodig hebt.
Tomaten “Tomaten” betekent ‘tomaten’ en noemt een ingrediënt dat ze al hebben. De vorm is meervoud; je kunt het gebruiken om meerdere tomaten of tomaten als ingrediënt te benoemen.
aber “aber” betekent ‘maar’ en verbindt in “aber wir haben keine Zwiebeln mehr” een tegenstelling met de vorige mededeling. Het introduceert hier het probleem dat er wel tomaten maar geen uien meer zijn.
keine “keine” geeft in “keine Zwiebeln” aan dat er geen uien zijn. Samen met “mehr” betekent “keine Zwiebeln mehr” dat de uien niet langer beschikbaar zijn; gebruik “keine” voor het ontkennen van een zelfstandig naamwoord.
mehr “mehr” betekent hier ‘meer’ in de combinatie “keine Zwiebeln mehr”, maar de hele combinatie betekent ‘geen uien meer’ of ‘niet langer uien hebben’. Het benadrukt dat de voorraad eerder anders was of nu is opgebruikt.
Können “Können” betekent hier ‘kunnen’ in de vraag “Können wir stattdessen Frühlingszwiebeln verwenden?”. Het is de vorm die bij “wir” hoort en staat voor de infinitief “verwenden”; gebruik het om naar mogelijkheid of toestemming te vragen.
stattdessen “stattdessen” betekent ‘in plaats daarvan’ en verwijst hier naar het gebruik van lente-uitjes in plaats van de ontbrekende uien. Het kan een alternatief introduceren nadat iets niet beschikbaar of niet mogelijk blijkt.
Frühlingszwiebeln “Frühlingszwiebeln” betekent ‘lente-uitjes’ of ‘bosuitjes’. In “Frühlingszwiebeln verwenden” zijn ze het voorgestelde alternatief voor de uien; de vorm is meervoud en wordt gebruikt voor dit type ingrediënt.
verwenden “verwenden” betekent hier ‘gebruiken’ in “Frühlingszwiebeln verwenden”. Het staat als infinitief na “Können wir” en krijgt als object de ingrediënten die je wilt gebruiken; een bruikbaar patroon is “etwas verwenden” in een nieuw voorbeeld.
Vielleicht “Vielleicht” betekent ‘misschien’ en maakt het antwoord voorzichtig: de spreker zegt dat het mogelijk is, maar niet zeker ideaal. Je gebruikt het om onzekerheid of een voorzichtige mogelijkheid uit te drukken.
der “der” betekent hier ‘de’ in “der Geschmack”. Het hoort bij het zelfstandig naamwoord “Geschmack” en verwijst naar de smaak die anders zal zijn; gebruik het hier als lidwoord bij dit woord.
Geschmack “Geschmack” betekent hier ‘smaak’ of ‘smaakbeleving’ van het gerecht. In “der Geschmack wird anders sein” beschrijft het mogelijke gevolg van het vervangen van de uien; je gebruikt het bijvoorbeeld om de smaak van eten te bespreken.
wird “wird” drukt in “wird anders sein” uit dat de smaak anders zal zijn. Het is de vorm van “werden” bij “der Geschmack” en staat samen met “sein” om een verwachte toekomstige toestand aan te geven.
anders “anders” betekent hier ‘anders’ of ‘verschillend’ en beschrijft de verwachte smaak. In “wird anders sein” geeft het aan dat de smaak niet hetzelfde zal zijn als bedoeld in het recept.
sein “sein” betekent hier ‘zijn’ in “anders sein”. Het staat als infinitief na “wird” en noemt de toestand die wordt verwacht; een bruikbaar patroon is “wird ... sein” voor een toekomstige eigenschap.
Dann “Dann” betekent ‘dan’ en verbindt in “Dann kaufe ich ...” de beslissing met wat eerder is gezegd. Het introduceert hier de volgende stap in het plan: uien kopen.
kaufe “kaufe” betekent hier ‘koop’ of ‘ik koop’ in “kaufe ich Zwiebeln”. De vorm is de eerste persoon van “kaufen” en beschrijft wat de spreker vervolgens gaat doen; een bruikbaar patroon is “Ich kaufe ...” met het gekochte voorwerp.
ich “ich” verwijst naar de spreker en betekent ‘ik’. In “kaufe ich Zwiebeln” is de spreker degene die de uien gaat kopen; gebruik “ich” wanneer je over jezelf spreekt.
im “im” betekent hier ‘in de’ in “im Laden”. Het is de samengevoegde vorm van “in dem” en geeft de plaats aan waar de aankoop wordt gedaan; gebruik het voor een plaats met een mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord.
Laden “Laden” betekent hier ‘winkel’ in “im Laden an der Ecke”. Het noemt de plaats waar de spreker uien koopt; het patroon “im Laden” is bruikbaar wanneer je zegt dat iets in een winkel gebeurt.
an “an” betekent hier ‘aan’ of ‘bij’ in “an der Ecke”. Samen met “der Ecke” lokaliseert het de winkel bij een hoek; gebruik deze combinatie om een plaats aan of bij een hoek te beschrijven.
Ecke “Ecke” betekent ‘hoek’ in “an der Ecke”. Met “an der Ecke” geeft het aan dat de winkel bij de hoek ligt; je kunt het gebruiken om een locatie in de omgeving te verduidelijken.
müssen “müssen” betekent hier ‘moeten’ in “Wir müssen den Reis noch abmessen”. Het drukt een noodzakelijke volgende handeling uit en staat bij “wir” voor de infinitief “abmessen”; een bruikbaar patroon is “Wir müssen ...” met de noodzakelijke activiteit.
den “den” betekent hier ‘de’ in “den Reis”. Het staat vóór “Reis” als lidwoord bij het voorwerp van “abmessen”; gebruik het exacte patroon “den Reis abmessen” wanneer je de rijst moet afmeten.
Reis “Reis” betekent ‘rijst’ en is het voedingsmiddel dat moet worden afgemeten. In “den Reis noch abmessen” is het datgene waarvan de benodigde hoeveelheid wordt bepaald; je gebruikt het bij het bereiden of afmeten van rijst.
noch “noch” betekent hier ‘nog’ in “noch abmessen”. Het geeft aan dat het afmeten nog moet gebeuren; gebruik het om een openstaande of later uit te voeren handeling aan te duiden.
abmessen “abmessen” betekent hier ‘afmeten’ of ‘een hoeveelheid afmeten’, specifiek in “den Reis noch abmessen”. Het is een scheidbaar werkwoord; na “müssen” blijft het geheel “abmessen” bij elkaar, terwijl in “messe ... ab” het deel “ab” naar het einde gaat.
messe “messe” betekent hier ‘meet af’ of ‘ik meet af’ in “messe genug Reis ... ab”. Het is de vorm van “abmessen” bij “ich”, waarbij “ab” als afzonderlijk deel aan het einde staat; een bruikbaar patroon is “Ich messe ... ab” met de af te meten hoeveelheid.
genug “genug” betekent ‘genoeg’ in “genug Reis”. Het geeft aan dat de hoeveelheid rijst voldoende is voor het genoemde aantal personen; je kunt het vóór een zelfstandig naamwoord gebruiken om een toereikende hoeveelheid aan te geven.
Personen “Personen” betekent ‘personen’ of ‘mensen’ in “für vier Personen”. Het noemt voor hoeveel mensen de rijst wordt afgemeten; gebruik het na een aantal wanneer je het aantal betrokken personen specificeert.
ab “ab” is hier het losgekomen deel van het scheidbare werkwoord “abmessen”. In “messe genug Reis ... ab” staat het aan het einde van de hoofdzin en maakt het duidelijk dat de rijst wordt afgemeten; het volledige werkwoord staat in “abmessen”.
wenn “wenn” betekent hier ‘wanneer’ in “wenn ich zurück bin”. Het leidt de voorwaarde of het tijdstip in waarop de spreker zal meten: nadat hij terug is; gebruik het voor een gebeurtenis die als voorwaarde of tijdsmoment dient.
zurück “zurück” betekent ‘terug’ in “zurück bin”. Samen met “bin” betekent het dat de spreker weer terug is; gebruik het om een terugkeer naar een eerdere plaats of situatie aan te duiden.
bin “bin” betekent hier ‘ben’ in “wenn ich zurück bin”. Het is de vorm van “sein” bij “ich” en vormt samen met “zurück” de uitdrukking ‘terug zijn’; een bruikbaar patroon is “wenn ich zurück bin” voor een handeling die daarna gebeurt.

Grammatica

Bevor + Nebensatz: das Verb steht am Ende

Bevor wir anfangen, kochen wir.

be-FOOR vier AN-fang-en, KOOG-en vier.

Voordat we beginnen, koken we.

Na „Bevor“ staat het vervoegde werkwoord achteraan in de bijzin.

abmessen → messen ... ab

Wir messen genug Reis ab.

vier MES-sen guh-NOEK raais ap.

We meten genoeg rijst af.

„Abmessen“ is een scheidbaar werkwoord: in een hoofdzin komt „ab“ achteraan.

Duits woordenschat

anfangen werkwoord
AN-fang-en beginnen

wir anfangen zu kochen

Bevor voegwoord
be-FOOR voordat

Bevor wir anfangen zu kochen

brauchen werkwoord
BROW-ghen nodig hebben

brauchen wir Zwiebeln und Tomaten

für voorzetsel
fūr voor

Für das Rezept

haben werkwoord
HAA-buh(n) hebben

welche Zutaten haben wir

keine bepaler
KAI-nuh geen

keine Zwiebeln mehr

kochen werkwoord
KOOG-en koken

zu kochen

mehr bijwoord
meer meer; niet meer

keine Zwiebeln mehr

Rezept zelfstandig naamwoord
re-TSÈPT recept

Für das Rezept

Tomate zelfstandig naamwoord
too-MAA-tuh tomaat Tomaten

Zwiebeln und Tomaten

Zutat zelfstandig naamwoord
tsoe-TAAT ingrediënt Zutaten

welche Zutaten haben wir

Zwiebel zelfstandig naamwoord
TSWIE-bul ui Zwiebeln

brauchen wir Zwiebeln

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Kunnen we in plaats daarvan bosuitjes gebruiken?

Antwoord tonenKönnen wir stattdessen Frühlingszwiebeln verwenden?

We moeten de rijst nog afmeten.

Antwoord tonenWir müssen den Reis noch abmessen.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

ui

Antwoord tonenZwiebeln

beginnen

Antwoord tonenanfangen

nodig hebben

Antwoord tonenbrauchen

voordat

Antwoord tonenBevor