Een afspraak bij de dokter maken | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At home, one adult feels unwell and asks another how to call a clinic for an appointment..

NL → DE / Niveau: A2

Over deze les

Met Een afspraak bij de dokter maken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich habe Husten und fühle mich heute müde.

isj haa-buh hoestn oent fuuluh misj hoy-tuh muuduh. Ik heb last van hoest en voel me vandaag moe.
B

Du solltest in der Praxis anrufen und um einen Termin bitten.

doe zol-tust in deer prak-sies an-roefn oent oem aj-nun ter-mien bitn. Je moet de kliniek bellen en om een afspraak vragen.
A

Was soll ich sagen, wenn ich anrufe?

vas zol isj zaag-n, ven isj an-roefuh? Wat moet ik zeggen als ik bel?
B

Sag ihnen, dass du dich nicht gut fühlst und gern einen Arzt sehen möchtest.

saak ie-nun, das doe disj niesjt goet fuulst oent gèrn aj-nun aarts zee-un meutsj-tuhst. Zeg dat je je niet goed voelt en graag een dokter wilt zien.
A

Ich möchte auch fragen, welche Zeiten verfügbar sind.

isj meutsj-tuh auch fraag-n, vel-sje tsajtn fer-fuuk-baa zint. Ik wil ook vragen welke tijden beschikbaar zijn.
B

Das hilft ihnen, einen Termin zu finden, der für dich passt.

das hilft ie-nun, aj-nun ter-mien tsoe findn, deer fuur disj past. Dat helpt hen een afspraak te vinden die voor jou past.
A

Ich rufe jetzt in der Praxis an.

isj roe-fuh jetst in deer prak-sies an. Ik bel de kliniek nu.
B

Schreib deine Symptome auf, damit du sie klar erklären kannst.

sjraip daj-nuh zump-too-muh auf, da-mit doe zie klaar er-kleer-un kanst. Schrijf je symptomen op, zodat je ze duidelijk kunt uitleggen.

Woord voor woord

Ich Ich betekent hier ‘ik’ en is degene die over zijn klachten spreekt. Het staat als onderwerp in „Ich habe Husten“ en „Ich rufe jetzt in der Praxis an“.
habe Habe betekent hier ‘heb’ in „Ich habe Husten“. Het is een vorm van haben; je gebruikt het met een zelfstandig naamwoord om een bezit of lichamelijke klacht uit te drukken.
Husten Husten betekent hier ‘hoest’ als lichamelijke klacht. In „Ich habe Husten“ staat het na habe om aan te geven welke klacht de spreker heeft; dezelfde constructie kan ook met een andere klacht worden gebruikt.
und Und verbindt hier twee mededelingen: „Ich habe Husten“ en „fühle mich heute müde“. Je gebruikt und om gelijkwaardige woorden, zinsdelen of zinnen samen te voegen.
fühle Fühle betekent hier ‘voel’ in „fühle mich heute müde“. Het komt van fühlen en wordt in deze betekenis gebruikt met mich en een beschrijving van de toestand, zoals müde.
mich Mich verwijst hier terug naar de spreker in „fühle mich heute müde“ en hoort bij de uitdrukking sich fühlen. Met „mich“ beschrijft de spreker hoe hij of zij zich voelt.
heute Heute betekent ‘vandaag’ en geeft aan wanneer de spreker zich moe voelt. In „fühle mich heute müde“ staat het bij de tijdsaanduiding; je kunt het gebruiken om een toestand op de huidige dag te plaatsen.
müde Müde betekent hier ‘moe’ en beschrijft de toestand van de spreker in „fühle mich heute müde“. Na sich fühlen geeft zo’n woord aan hoe iemand zich voelt.
Du Du betekent hier ‘jij’ en richt zich tot één bekende of informeel aangesproken persoon. Het is het onderwerp in „Du solltest in der Praxis anrufen“.
solltest Solltest geeft hier een advies: de aangesproken persoon zou de praktijk moeten bellen. Het is een vorm van sollen en staat in „Du solltest in der Praxis anrufen“ met het infinitief anrufen aan het einde.
in In geeft hier aan waarheen of bij welke instelling de telefoongesprekssituatie hoort: „in der Praxis anrufen“. In deze vaste combinatie verwijst het naar de dokterspraktijk.
der Der betekent hier ‘de’ in „der Praxis“ en hoort bij het vrouwelijke zelfstandig naamwoord Praxis. Samen vormen ze de aanduiding van de praktijk waarnaar gebeld moet worden.
Praxis Praxis betekent hier ‘dokterspraktijk’ of ‘medische praktijk’, niet een algemene oefening. In „in der Praxis anrufen“ is het de instelling die de afspraak kan geven.
anrufen Anrufen betekent hier ‘telefonisch bellen’ in „in der Praxis anrufen“. Het is het infinitief na solltest; bij een modal werkwoord blijft deze vorm aan het einde van de zin staan.
um Um maakt hier deel uit van „um einen Termin bitten“ en geeft aan wat iemand vraagt. Bij bitten gebruik je um samen met het gevraagde voorwerp, hier een afspraak.
einen Einen betekent hier ‘een’ in „um einen Termin bitten“ en hoort bij Termin. Het markeert het concrete voorwerp waar de spreker om vraagt.
Termin Termin betekent hier ‘afspraak’, specifiek de afspraak die bij de praktijk moet worden gemaakt. In „um einen Termin bitten“ is het datgene waarnaar de beller vraagt.
bitten Bitten betekent hier ‘vragen om’ in „um einen Termin bitten“. De betrouwbare combinatie is bitten um + datgene waarom je vraagt, hier een afspraak bij de praktijk.
Was Was betekent hier ‘wat’ in de vraag „Was soll ich sagen, wenn ich anrufe?“. Het vraagt naar de inhoud van wat de spreker tijdens het telefoongesprek moet zeggen.
soll Soll betekent hier ‘moet’ of ‘hoor te’ in „Was soll ich sagen“. Het drukt uit wat de spreker volgens de situatie moet zeggen en staat samen met het infinitief sagen.
sagen Sagen betekent hier ‘zeggen’ in „Was soll ich sagen, wenn ich anrufe?“. Na soll staat sagen als infinitief; je gebruikt het om te vragen of te vertellen welke woorden iemand moet gebruiken.
wenn Wenn betekent hier ‘wanneer’ in „wenn ich anrufe“ en introduceert het moment waarop de spreker belt. In de bijzin staat het werkwoord anrufe aan het einde.
anrufe Anrufe betekent hier ‘bel’ in „wenn ich anrufe“. Het is een vorm van anrufen bij ich; in deze bijzin blijft het scheidbare werkwoord samengevoegd.
Sag Sag betekent hier ‘zeg’ of ‘vertel’ als directe opdracht in „Sag ihnen“. Het is de gebiedende vorm van sagen voor de aangesproken persoon en wordt hier gevolgd door degene aan wie iets verteld wordt.
ihnen Ihnen betekent hier ‘aan hen’ en verwijst naar de mensen van de praktijk in „Sag ihnen“. Bij zeggen kun je zo aangeven tegen wie de informatie wordt gezegd.
dass Dass betekent hier ‘dat’ en leidt de inhoud in van wat de beller moet vertellen: „dass du dich nicht gut fühlst“. In de dass-zin staat het werkwoord aan het einde, zoals in fühlst.
dich Dich verwijst hier terug naar du in „dich nicht gut fühlst“ en hoort bij de uitdrukking sich fühlen. De uitdrukking beschrijft dat de aangesproken persoon zich niet goed voelt.
nicht Nicht maakt hier de uitdrukking „dich nicht gut fühlst“ ontkennend. Het verandert de betekenis van je goed voelen naar je niet goed voelen.
gut Gut betekent hier ‘goed’ in de toestand „dich nicht gut fühlst“. Samen met fühlen beschrijft het hoe iemand zich voelt; nicht maakt die toestand negatief.
fühlst Fühlst betekent hier ‘voelt’ in „dich nicht gut fühlst“. Het komt van fühlen en past bij du; samen met dich en gut vormt het de betekenis ‘je niet goed voelen’.
gern Gern geeft hier aan dat iemand iets graag zou willen: „gern einen Arzt sehen möchtest“. Het voegt de wens of voorkeur toe aan de handeling sehen en kan bij een gewenste activiteit worden gebruikt.
Arzt Arzt betekent hier ‘arts’ of ‘dokter’ in „einen Arzt sehen“. Het is de persoon die de spreker wil bezoeken vanwege het zich niet goed voelen.
sehen Sehen betekent hier ‘zien’ of in deze context ‘spreken of bezoeken’ in „einen Arzt sehen“. Het staat als infinitief bij möchtest en benoemt de gewenste handeling.
möchtest Möchtest drukt hier een beleefde wens uit: „einen Arzt sehen möchtest“ betekent dat je graag een arts zou willen zien. Het is de vorm bij du van möchte, dat bij mögen hoort, en wordt gebruikt met een infinitief.
möchte Deze vorm drukt een wens uit en hoort bij het werkwoord dat in de dialoog als „möchtest“ voorkomt. De dialoog gebruikt de vorm bij du in „einen Arzt sehen möchtest“; de betekenis blijft die van iets graag willen.
auch Auch betekent hier ‘ook’ in „Ich möchte auch fragen“. Het voegt vragen naar de beschikbare tijden toe aan wat de spreker al van plan is te doen.
fragen Fragen betekent hier ‘vragen’ in „Ich möchte auch fragen, welche Zeiten verfügbar sind“. Na möchte staat fragen als infinitief; je gebruikt het om informatie te willen krijgen.
welche Welche betekent hier ‘welke’ of ‘wat voor’ in „welche Zeiten verfügbar sind“. Het bepaalt over welke tijden de spreker informatie wil vragen.
Zeiten Zeiten betekent hier ‘tijden’ en verwijst naar mogelijke momenten voor een afspraak. In „welche Zeiten verfügbar sind“ is het datgene waarvan de beschikbaarheid wordt nagegaan.
verfügbar Verfügbar betekent hier ‘beschikbaar’ in „welche Zeiten verfügbar sind“. Het beschrijft welke tijden nog voor een afspraak kunnen worden aangeboden.
sind Sind betekent hier ‘zijn’ in „welche Zeiten verfügbar sind“. Het is een vorm van sein en staat aan het einde van deze bijzin na welke tijden.
Das Das betekent hier ‘dat’ en verwijst naar het voorafgaande idee om naar beschikbare tijden te vragen. In „Das hilft ihnen“ is het onderwerp van hilft.
hilft Hilft betekent hier ‘helpt’ in „Das hilft ihnen, einen Termin zu finden“. Het komt van helfen en beschrijft dat de informatie de medewerkers helpt bij het vinden van een passende afspraak.
zu Zu is hier het infinitiefteken in „zu finden“. Samen met finden vormt het de handeling die door helpt wordt ondersteund: een afspraak vinden.
finden Finden betekent hier ‘vinden’ in „einen Termin zu finden“. Het benoemt de handeling waarbij de praktijk een afspraak zoekt die voor de persoon past.
für Für betekent hier ‘voor’ in „der für dich passt“. Het geeft aan voor wie de afspraak geschikt moet zijn.
passt Passt betekent hier ‘past’ of ‘komt uit’ in „der für dich passt“. Het onderwerp is de afspraak, die geschikt is voor de persoon; dit patroon gebruik je voor iets dat voor iemand werkt.
rufe Rufe betekent hier ‘bel’ in „Ich rufe jetzt in der Praxis an“. Het komt van anrufen en vormt samen met het losse an de betekenis ‘telefonisch bellen’.
jetzt Jetzt betekent ‘nu’ en geeft aan dat de spreker meteen gaat bellen. In „Ich rufe jetzt in der Praxis an“ staat het bij de handeling rufe ... an.
an An is hier het losse deel van het scheidbare werkwoord anrufen in „Ich rufe jetzt in der Praxis an“. In een hoofdzin staat dit deel achteraan en vormt het samen met rufe de betekenis ‘bellen’.
Schreib Schreib betekent hier ‘schrijf’ als directe opdracht in „Schreib deine Symptome auf“. Het is de gebiedende vorm van schreiben en geeft aan dat de symptomen opgeschreven moeten worden.
deine Deine betekent hier ‘jouw’ en bepaalt „deine Symptome“. Het maakt duidelijk dat het om de symptomen van de aangesproken persoon gaat.
Symptome Symptome betekent hier ‘symptomen’ of klachten die de persoon ervaart. In „Schreib deine Symptome auf“ zijn het de gegevens die later duidelijk aan de praktijk kunnen worden uitgelegd.
auf Auf is hier het losse deel van aufschreiben in „Schreib deine Symptome auf“ en voegt de betekenis ‘opschrijven’ toe. Bij deze opdracht staat auf achteraan.
damit Damit betekent hier ‘zodat’ en geeft het doel van het opschrijven aan: „damit du sie klar erklären kannst“. Het leidt een bijzin in waarin het werkwoord aan het einde staat.
sie Sie betekent hier ‘ze’ of ‘hen’ en verwijst naar „deine Symptome“ in „sie klar erklären“. De symptomen zijn datgene wat de persoon duidelijk kan uitleggen.
klar Klar betekent hier ‘duidelijk’ en beschrijft hoe de symptomen uitgelegd kunnen worden. In „sie klar erklären“ geeft het de gewenste manier van uitleggen aan.
erklären Erklären betekent hier ‘uitleggen’ in „sie klar erklären kannst“. Het staat als infinitief bij kannst en verwijst naar het duidelijk beschrijven van de symptomen.
kannst Kannst betekent hier ‘kunt’ in „damit du sie klar erklären kannst“. Het komt van können en staat bij du; het infinitief erklären staat aan het einde van de bijzin.

Grammatica

wenn + Nebensatz: Verb am Ende

Wenn Sie sich müde fühlen, rufen Sie die Praxis an.

ven zie zisj muuduh fuulun, roefn zie die prak-sies an.

Als u zich moe voelt, belt u de dokterspraktijk.

Na „wenn“ staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.

aufschreiben: Schreib ... auf

Schreib die Symptome auf.

sjraip die zump-too-muh auf.

Schrijf de symptomen op.

„Aufschreiben“ is een scheidbaar werkwoord: in de gebiedende wijs komt „auf“ achteraan.

Duits woordenschat

anrufen werkwoord
an-roefn bellen
Arzt zelfstandig naamwoord
aarts dokter
bitten werkwoord
bitn vragen
Husten zelfstandig naamwoord
hoestn hoest
ihnen voornaamwoord
ie-nun hun
müde bijvoeglijk naamwoord
muuduh moe
Praxis zelfstandig naamwoord
prak-sies dokterspraktijk
sagen werkwoord
zaag-n zeggen
sehen werkwoord
zee-un zien
sich fühlen werkwoord
zisj fuulun zich voelen
Termin zelfstandig naamwoord
ter-mien afspraak
wenn voegwoord
ven als

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

afspraak

Antwoord tonenTermin

moe

Antwoord tonenmüde

als

Antwoord tonenwenn

bellen

Antwoord tonenanrufen