Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Een afspraak bij de dokter maken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.
Dialoog
Ich habe Husten und fühle mich heute müde.
isj haa-buh hoestn oent fuuluh misj hoy-tuh muuduh. Ik heb last van hoest en voel me vandaag moe.Du solltest in der Praxis anrufen und um einen Termin bitten.
doe zol-tust in deer prak-sies an-roefn oent oem aj-nun ter-mien bitn. Je moet de kliniek bellen en om een afspraak vragen.Was soll ich sagen, wenn ich anrufe?
vas zol isj zaag-n, ven isj an-roefuh? Wat moet ik zeggen als ik bel?Sag ihnen, dass du dich nicht gut fühlst und gern einen Arzt sehen möchtest.
saak ie-nun, das doe disj niesjt goet fuulst oent gèrn aj-nun aarts zee-un meutsj-tuhst. Zeg dat je je niet goed voelt en graag een dokter wilt zien.Ich möchte auch fragen, welche Zeiten verfügbar sind.
isj meutsj-tuh auch fraag-n, vel-sje tsajtn fer-fuuk-baa zint. Ik wil ook vragen welke tijden beschikbaar zijn.Das hilft ihnen, einen Termin zu finden, der für dich passt.
das hilft ie-nun, aj-nun ter-mien tsoe findn, deer fuur disj past. Dat helpt hen een afspraak te vinden die voor jou past.Ich rufe jetzt in der Praxis an.
isj roe-fuh jetst in deer prak-sies an. Ik bel de kliniek nu.Schreib deine Symptome auf, damit du sie klar erklären kannst.
sjraip daj-nuh zump-too-muh auf, da-mit doe zie klaar er-kleer-un kanst. Schrijf je symptomen op, zodat je ze duidelijk kunt uitleggen.Uitleg van de zinnen
Ich habe Husten und fühle mich heute müde.
Ik heb last van hoest en voel me vandaag moe.
- Ich habe
- ik heb
- Husten
- hoest
- fühle mich
- voel me
- heute
- vandaag
- müde
- moe
Uitgebreide uitleg
Ich habe betekent hier dat de spreker een lichamelijke klacht heeft. haben is de basisvorm; bij ich krijgt het de vorm habe. Een bruikbaar patroon is Ich habe + zelfstandig naamwoord: Ich habe Fieber. — Ik heb koorts. Husten is het zelfstandig naamwoord voor hoest. Het wordt in deze zin als klacht gebruikt, zonder dat er een bepaald aantal hoestbuien wordt genoemd. Het Duitse zelfstandig naamwoord wordt met een hoofdletter geschreven. Een vergelijkbaar voorbeeld is Ich habe Kopfschmerzen. — Ik heb hoofdpijn. fühle mich komt van sich fühlen, ‘zich voelen’. In de ik-vorm is dat ich fühle mich: fühle draagt de persoonsvorm en mich is het bijbehorende wederkerende voornaamwoord. Andere vormen zijn bijvoorbeeld du fühlst dich en sie fühlt sich. Het patroon Ich fühle mich + bijvoeglijk naamwoord beschrijft hoe de spreker zich voelt: Ich fühle mich gut. — Ik voel me goed. heute betekent ‘vandaag’ en geeft aan op welke dag de toestand geldt. Het kan op verschillende plaatsen in een Duitse zin staan; hier staat het tussen mich en müde. müde betekent ‘moe’. Het is hier een bijvoeglijk naamwoord dat na fühle mich de toestand van de spreker beschrijft. In Ich bin müde. — Ik ben moe, heeft het dezelfde vorm; na sein en in deze wederkerende constructie krijgt het geen uitgang. De twee delen zijn met und verbonden: Ich habe Husten + fühle mich heute müde. Samen vormen ze: ‘Ik heb last van hoest en voel me vandaag moe.’ De eerste helft noemt de klacht; de tweede beschrijft hoe de spreker zich vandaag voelt.
Du solltest in der Praxis anrufen und um einen Termin bitten.
Je moet de kliniek bellen en om een afspraak vragen.
- Du solltest
- je zou moeten
- Praxis
- praktijk; kliniek
- anrufen
- bellen
- Termin
- afspraak
- bitten
- vragen
Uitgebreide uitleg
Du solltest geeft hier een advies: “je zou moeten”. solltest is de vorm van sollen bij du in de Konjunktiv II. Vergelijk Du sollst anrufen — “Je moet bellen” — met Du solltest anrufen — “Je zou moeten bellen”. De tweede vorm klinkt als advies. Praxis betekent hier “praktijk” of, volgens de vaste vertaling, “kliniek”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Praxis. In in der Praxis staat der in de datief: in krijgt hier de datief omdat het om een plaats gaat. anrufen betekent “bellen”. Het is een scheidbaar werkwoord: anrufen wordt bijvoorbeeld ich rufe an. Na solltest blijft het een infinitief: Du solltest ... anrufen. Voorbeeld: Ich rufe morgen an. — “Ik bel morgen.” Termin betekent “afspraak”. Het is mannelijk: der Termin. In einen Termin staat einen in de accusatief. Die accusatief wordt hier veroorzaakt door het voorzetsel um in de vaste combinatie um einen Termin bitten, niet doordat Termin een rechtstreeks object zonder voorzetsel van bitten is. De vormreeks is der Termin, ein Termin, einen Termin. bitten betekent “vragen”. In de combinatie um etwas bitten vraag je om iets; um leidt datgene in waarom je vraagt. Voorbeeld: Ich bitte um Hilfe. — “Ik vraag om hulp.” Samen betekent in der Praxis anrufen hier “de kliniek bellen”. Daarna geeft um einen Termin bitten aan waarvoor men belt: om een afspraak vragen. De volledige zin betekent dus: “Je moet de kliniek bellen en om een afspraak vragen.” De twee werkwoorden anrufen en bitten vallen onder het advies dat door solltest wordt uitgedrukt.
Was soll ich sagen, wenn ich anrufe?
Wat moet ik zeggen als ik bel?
- Was
- wat
- soll ich
- moet ik
- sagen
- zeggen
- wenn
- als
- anrufe
- bel
Uitgebreide uitleg
Was vraagt hier naar het lijdend voorwerp van sagen: wat moet de spreker zeggen? Het is een vraagwoord voor een zaak of inhoud. Vergelijk: Wer kommt? = Wie komt?; Was brauchst du? = Wat heb je nodig? Soll ich bestaat uit de eerste persoon enkelvoud van sollen en het persoonlijk voornaamwoord ich. In deze zin drukt sollen uit wat de spreker moet of hoort te zeggen. De vormen zijn bijvoorbeeld ich soll, du sollst en er/sie soll; het werkwoord verandert dus naar persoon en getal. Na een modaal werkwoord staat het andere werkwoord in de infinitief: Was soll ich tun? = Wat moet ik doen? Bij sagen staat de infinitief. De betekenis is hier iets onder woorden brengen of zeggen. Dezelfde infinitief kan na andere modale werkwoorden staan, bijvoorbeeld Ich kann es sagen. = Ik kan het zeggen. In de hoofdzin staat sagen na soll ich, zoals gebruikelijk na een modaal werkwoord. Wenn leidt de voorwaardelijke of temporele bijzin in: als wanneer het om een situatie of tijd gaat. In deze zin betekent het als ik bel, dus op het moment dat de spreker belt. In een Duitse bijzin met wenn staat het vervoegde werkwoord aan het einde: wenn ich Zeit habe = als ik tijd heb. Anrufe is hier de eerste persoon enkelvoud van anrufen, bellen. Anrufen is een scheidbaar werkwoord. In een hoofdzin wordt dat Ich rufe an, maar in deze wenn-bijzin blijft het werkwoord samen en staat de vervoegde vorm achteraan: wenn ich anrufe = als ik bel. De vorm anrufe bevat hier dus zowel de ik-vorm als de bijzinwoordvolgorde. Samen vormt Was soll ich sagen de hoofdvraag “Wat moet ik zeggen?”. Wenn ich anrufe specificeert wanneer dat geldt: “als ik bel”. De volledige betekenis is daarom: “Wat moet ik zeggen als ik bel?”
Sag ihnen, dass du dich nicht gut fühlst und gern einen Arzt sehen möchtest.
Zeg dat je je niet goed voelt en graag een dokter wilt zien.
- Sag
- zeg
- ihnen
- tegen hen
- dass
- dat
- dich nicht gut fühlst
- je je niet goed voelt
- gern
- graag
- einen Arzt
- een dokter
- sehen
- zien
- möchtest
- wilt
Uitgebreide uitleg
Sag is de gebiedende wijs van sagen voor du: sagen betekent “zeggen”, en Sag! betekent “Zeg!”. De gebiedende wijs spreekt de aangesprokene rechtstreeks aan. Voorbeeld: Sag die Wahrheit. — “Zeg de waarheid.” ihnen betekent hier “tegen hen” of “aan hen”. Het is de datiefvorm van sie in het meervoud. De vorm in het vaste Duitse zinnetje geeft dus meerdere ontvangers aan; de Nederlandse vertaling laat dit onderdeel onuitgedrukt. Voorbeeld: Ich helfe ihnen. — “Ik help hen.” dass leidt een bijzin in met de inhoud van wat gezegd moet worden. In een Duitse dass-bijzin staat het vervoegde werkwoord doorgaans aan het einde. Een bruikbaar patroon is: Ich weiß, dass ... — “Ik weet dat ...”. dich nicht gut fühlst beschrijft dat je je niet goed voelt. fühlst is de tweede persoon enkelvoud van fühlen (“voelen”); dich is het wederkerende voornaamwoord bij du in de accusatief. Het bijwoord nicht ontkent hier de toestand, en gut betekent “goed”. Bij du hoort dus du fühlst dich, niet du fühlen dich. Voorbeeld: Du fühlst dich heute besser. — “Je voelt je vandaag beter.” gern betekent “graag” en geeft aan dat iemand iets met plezier of bereidwilligheid wil doen. Het staat hier bij het gewenste bezoek aan een arts. Voorbeeld: Ich lese gern. — “Ik lees graag.” einen Arzt betekent “een dokter”. Arzt is een mannelijk zelfstandig naamwoord; als lijdend voorwerp krijgt het met het onbepaalde lidwoord de accusatiefvorm einen. Vergelijk: ein Arzt als onderwerp, maar Ich sehe einen Arzt als lijdend voorwerp. Het zelfstandig naamwoord is Arzt; einen draagt hier de relevante naamvals- en geslachtsinformatie. sehen betekent “zien”. Het is de infinitief. In deze dass-bijzin staat sehen vóór het vervoegde modale werkwoord möchtest: ... einen Arzt sehen möchtest. Voorbeeld: Ich möchte den Arzt sehen. — “Ik wil de dokter zien.” möchtest is de tweede persoon enkelvoud van möchten, een vorm waarmee je een wens of beleefde voorkeur uitdrukt: “wilt” of “zou graag willen”. Na möchten volgt een infinitief, hier sehen: du möchtest sehen. In de dass-bijzin staat het vervoegde möchtest aan het einde. Het onderwerp is du, terwijl sehen onveranderd als infinitief blijft staan. Voorbeeld: Möchtest du hereinkommen? — “Wil je binnenkomen?” Samen betekent Sag ihnen, dass ...: “Zeg tegen hen dat ...”. In de dass-bijzin is du de aangesproken persoon en beschrijft dich nicht gut fühlst de toestand; vervolgens drukt gern einen Arzt sehen möchtest de wens uit om een dokter te zien. De volledige betekenis is: “Zeg tegen hen dat je je niet goed voelt en graag een dokter wilt zien.”
Ich möchte auch fragen, welche Zeiten verfügbar sind.
Ik wil ook vragen welke tijden beschikbaar zijn.
- Ich
- ik
- möchte
- wil graag
- auch
- ook
- fragen
- vragen
- welche
- welke
- Zeiten
- tijden of tijdstippen
- verfügbar
- beschikbaar
Uitgebreide uitleg
Ich betekent hier “ik” en is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud. Voorbeeld: Ich lerne Deutsch. — “Ik leer Duits.” möchte drukt hier een wens of voornemen uit: “wil graag”. Deze vorm hoort bij ich; vergelijk ich möchte, du möchtest, er/sie möchte. Voorbeeld: Ich möchte anrufen. — “Ik wil graag bellen.” auch betekent “ook” en voegt deze handeling toe aan iets anders. Het zegt op zichzelf niet hoeveel vragen er zijn. fragen betekent “vragen”. Het is hier de infinitief die de handeling na möchte benoemt. In een gewone hoofdzin staat bijvoorbeeld ich frage; na möchte blijft het fragen. Voorbeeld: Ich frage den Arzt. — “Ik vraag de dokter.” welche betekent hier “welke” en hoort bij het meervoudige zelfstandig naamwoord Zeiten. In het Duits stemt deze vorm af op het meervoud; een bruikbaar enkelvoudig contrast is welcher Termin — “welke afspraak”. Zeiten is het meervoud van die Zeit. In deze zin gaat het om mogelijke tijdstippen. Voorbeeld: Welche Zeiten passen dir? — “Welke tijdstippen passen voor jou?” verfügbar betekent “beschikbaar”. Als bijvoeglijk naamwoord na sein krijgt het hier geen uitgang: Die Zeiten sind verfügbar. — “De tijdstippen zijn beschikbaar.” Vóór een zelfstandig naamwoord krijgt het wel een uitgang, bijvoorbeeld die verfügbaren Zeiten — “de beschikbare tijdstippen”. In welche Zeiten verfügbar sind staat een indirecte vraag. sind is de vorm van sein voor het meervoud; hier past die bij Zeiten, en in deze bijzin staat sind aan het einde. Met een modaal werkwoord zoals möchte staat de infinitief in de hoofdzin aan het einde: Ich möchte fragen. In een bijzin met beide werkwoorden staat juist de vervoegde vorm aan het einde: ..., weil ich fragen möchte. Samen betekent Ich möchte auch fragen, welche Zeiten verfügbar sind.: “Ik wil ook vragen welke tijdstippen beschikbaar zijn.”
Das hilft ihnen, einen Termin zu finden, der für dich passt.
Dat helpt hen een afspraak te vinden die voor jou past.
- Das
- dat
- hilft
- helpt
- ihnen
- hen
- Termin
- afspraak
- zu finden
- te vinden
- der
- die/dat
- für dich
- voor jou
- passt
- past
Uitgebreide uitleg
Das betekent hier “dat” en staat als onderwerp: het verwijst naar iets dat uit de context bekend is, zonder dat de zin zelf precies benoemt waarnaar. Als aanwijzend voornaamwoord kan das zelfstandig staan; het is hier niet het lidwoord vóór een zelfstandig naamwoord. hilft komt van helfen (“helpen”). De vorm hilft is de tegenwoordige tijd voor de derde persoon enkelvoud: er/sie/es hilft. Bij helfen staat degene die hulp ontvangt in de datief. Voorbeeld: Das hilft mir. = “Dat helpt mij.” ihnen betekent hier “hen” en is de datief-meervoudsvorm van sie (“zij/hen”). Het verwijst naar de ontvangers van de hulp. Vergelijk: ihm = “hem” en ihr = “haar” in de datief; ihnen is meervoud. Het woord geeft zelf niet aan wie die personen precies zijn. Termin betekent “afspraak”, hier in de betekenis van een vastgelegde afspraak op een bepaald moment. Het zelfstandig naamwoord is mannelijk: der Termin. In einen Termin staat het na finden als lijdend voorwerp, daarom heeft het onbepaalde lidwoord de accusatiefvorm einen. zu finden komt van finden (“vinden”) en betekent hier “te vinden”. De combinatie helfen, etwas zu tun betekent “helpen om iets te doen” of “helpen iets te doen”. Na zu blijft finden een infinitief; de persoonsvorm is hilft. Voorbeeld: Sie hilft mir, den Weg zu finden. = “Ze helpt mij de weg te vinden.” der verwijst hier terug naar Termin en betekent “die/dat” in de betrekkelijke bijzin. Omdat Termin mannelijk enkelvoud is en het betrekkelijke voornaamwoord in deze bijzin het onderwerp is, staat de vorm der in de nominatief. De naamval wordt dus bepaald door de functie in de bijzin, terwijl geslacht en getal teruggaan op Termin. für dich betekent “voor jou”. für krijgt in het Duits de accusatief; dich is daarom de accusatiefvorm van het informele enkelvoudige du. Het voorzetsel drukt hier uit voor wie iets geschikt of passend is. Voorbeeld: Der Termin ist für dich. = “De afspraak is voor jou.” passt komt van passen (“passen”, “geschikt zijn”). In deze zin betekent het dat de afspraak voor jou geschikt is, bijvoorbeeld qua tijd. passt is de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd: der Termin passt. Voorbeeld: Der Montag passt mir. = “Maandag komt mij uit.” Bij passen staat de persoon voor wie iets past vaak in de datief, zoals mir in dat voorbeeld. Samen vormt hilft ihnen, einen Termin zu finden de hoofdzin: iets helpt hen een afspraak te vinden. De bijzin der für dich passt beschrijft welke afspraak bedoeld is: de afspraak die voor jou geschikt is. De volledige betekenis is daarom: “Dat helpt hen een afspraak te vinden die voor jou past.”
Ich rufe jetzt in der Praxis an.
Ik bel de kliniek nu.
- Ich
- ik
- rufe … an
- bel op
- jetzt
- nu
- Praxis
- praktijk; kliniek
Uitgebreide uitleg
Ich betekent hier ik: de spreker is degene die belt. De vorm hoort bij de eerste persoon enkelvoud. Voorbeeld: Ich schreibe. — Ik schrijf. rufe ... an komt van anrufen — opbellen. Dit is een scheidbaar werkwoord: in een gewone hoofdzin staat rufe bij het onderwerp en staat an aan het einde. Ich rufe morgen an. — Ik bel morgen op. Rufe is de tegenwoordige tijd bij ich; het losse an blijft deel van hetzelfde werkwoord. jetzt betekent nu en geeft aan dat het bellen op dit moment gebeurt. Voorbeeld: Ich rufe jetzt an. — Ik bel nu op. Praxis betekent hier, volgens de vaste vertaling, kliniek of praktijk: de instelling die de spreker belt. Het is een zelfstandig naamwoord en krijgt daarom een hoofdletter. In in der Praxis staat Praxis na in in de datief: der is hier de datief enkelvoud van het vrouwelijke woord die Praxis. In deze uitdrukking benoemt in der Praxis de praktijk als de instelling waarvoor of waarbij het telefoontje plaatsvindt; de datiefvorm betekent hier niet op zichzelf dat er beweging naar een plaats is. Voorbeeld: Ich bin in der Praxis. — Ik ben in de kliniek/praktijk. Samen vormen Ich en rufe ... an de kern ik bel op; jetzt voegt nu toe; en in der Praxis geeft aan dat het telefoontje met de kliniek of praktijk te maken heeft. De volledige betekenis is: Ik bel de kliniek nu.
Schreib deine Symptome auf, damit du sie klar erklären kannst.
Schrijf je symptomen op, zodat je ze duidelijk kunt uitleggen.
- Schreib … auf
- schrijf ... op
- deine
- je
- Symptome
- symptomen
- damit
- zodat
- du
- je
- sie
- ze
- klar
- duidelijk
- erklären
- uitleggen
- kannst
- kunt
Uitgebreide uitleg
Schreib ... auf is het informele enkelvoudige bevel van het scheidbare werkwoord aufschreiben (“opschrijven”, informatie schriftelijk vastleggen). In deze zin staat Schreib aan het begin en auf aan het einde van het bevel. Het onderwerp du is niet uitgesproken maar wel begrepen. Voorbeeld: Schreib die Nummer auf. — Schrijf het nummer op. deine hoort bij dein (“jouw”) en stemt hier overeen met het meervoudige zelfstandig naamwoord Symptome. Deine is hier zowel de vorm voor nominatief meervoud als voor accusatief meervoud; de uitgang -e markeert dus niet op zichzelf specifiek de accusatief. Het meervoud van Symptome maakt duidelijk dat het om meer dan één symptoom gaat. Symptome is het meervoud van das Symptom, “symptoom”. Voorbeeld: Meine Symptome sind neu. — Mijn symptomen zijn nieuw. damit leidt een doelzin in: “zodat” of “opdat”. In zo’n bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan, volgens het herbruikbare patroon ..., damit ... kann/können. du is het persoonlijk voornaamwoord voor de tweede persoon enkelvoud in de informele nominatief: “je/jij”. Het is het onderwerp van kannst, niet van het eerste bevel; bij dat bevel is het onderwerp alleen begrepen. sie is hier het accusatiefvoornaamwoord voor het meervoud: “ze/hen”, met deine Symptome als verwijzing. In deze zin is het dus niet het vrouwelijk enkelvoudige sie. Voorbeeld: Ich sehe die Symptome und erkläre sie. — Ik zie de symptomen en leg ze uit. klar betekent hier “duidelijk” en beschrijft hoe het uitleggen gebeurt. Het wordt bij erklären bijwoordelijk gebruikt en krijgt daarom geen aparte bijwoorduitgang. Het kan ook als bijvoeglijk naamwoord voorkomen: eine klare Erklärung — een duidelijke uitleg. erklären is het infinitief “uitleggen”. Bij het modale werkwoord können blijft het een infinitief en staat het aan het einde van de bijzin. Voorbeeld: Ich kann das Problem erklären. — Ik kan het probleem uitleggen. kannst is de tegenwoordige-tijdsvorm voor de tweede persoon enkelvoud van können (“kunnen”): du kannst. Hier drukt het werkwoord vermogen of mogelijkheid uit. Het bijbehorende infinitief is erklären, dus samen krijg je du kannst ... erklären. Samen vormt Schreib deine Symptome auf het bevel “Schrijf je symptomen op”. damit du sie klar erklären kannst geeft het doel daarvan: “zodat je ze duidelijk kunt uitleggen”. De volledige uiting betekent dus: “Schrijf je symptomen op, zodat je ze duidelijk kunt uitleggen.”
Grammatica
wenn + Nebensatz: Verb am Ende
Wenn Sie sich müde fühlen, rufen Sie die Praxis an.
ven zie zisj muuduh fuulun, roefn zie die prak-sies an.Als u zich moe voelt, belt u de dokterspraktijk.
Na „wenn“ staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.
aufschreiben: Schreib ... auf
Schreib die Symptome auf.
sjraip die zump-too-muh auf.Schrijf de symptomen op.
„Aufschreiben“ is een scheidbaar werkwoord: in de gebiedende wijs komt „auf“ achteraan.
Duits woordenschat
Quiz
Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
afspraak
Antwoord tonen
Terminmoe
Antwoord tonen
müdeals
Antwoord tonen
wennbellen