Eten labelen in een gedeelde koelkast | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a shared kitchen, two adults discuss labeling food, choosing the right fridge shelf, and taking items home soon..

NL → DE / Niveau: A2

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Eten labelen in een gedeelde koelkast oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Kann ich diese Suppe in den gemeinsamen Kühlschrank stellen?

Kan ich dee-ze zoe-pe in deen ge-main-zaa-men kuul-sjrank sjtel-len? Kan ik deze soep in de gedeelde koelkast zetten?
B

Klebe ein Etikett auf den Behälter, bevor du ihn dort stehen lässt.

Klee-be ain ee-ti-ket auf deen be-hel-ter, be-foor doe ien dort sjtee-en lest. Plak een label op de bak voordat je hem daar laat staan.
A

Soll ich das Datum auch darauf schreiben?

Zol ich das daa-toem auch daa-rauf sjrai-ben? Moet ik de datum er ook op schrijven?
B

So wissen die Leute, wie lange die Suppe schon darin steht.

Zo wis-sen dee loi-te, wie lang-e dee zoe-pe sjohn daa-rin sjteet. Zo weten mensen hoelang de soep er al staat.
A

Welche Ablage ist für dein eigenes Essen?

Wel-che aa-blaa-ge is fuur dain ai-ge-nes es-sen? Welke plank is voor je eigen eten?
B

Nimm die oberste Ablage, weg von den gemeinsamen Sachen.

Nim dee oo-ber-ste aa-blaa-ge, wek fon deen ge-main-zaa-men za-chen. Gebruik de bovenste plank, weg van de gedeelde spullen.
A

Ich lasse es dort und nehme es bald mit nach Hause.

Ich las-se es dort oent nee-me es balt mit nach hau-ze. Ik laat het daar staan en neem het binnenkort mee naar huis.
B

So füllt sich der Kühlschrank nicht mit altem Essen.

Zo ful-t zich der kuul-sjrank nicht mit al-tem es-sen. Zo raakt de koelkast niet vol met oud eten.

Uitleg van de zinnen

  1. Kann ich diese Suppe in den gemeinsamen Kühlschrank stellen?

    Kan ik deze soep in de gedeelde koelkast zetten?

    Kann ich
    kan ik
    diese
    deze
    Suppe
    soep
    in den
    in de
    gemeinsamen
    gedeelde
    Kühlschrank
    koelkast
    stellen
    zetten
    Uitgebreide uitleg

    Kann ich is een veelgebruikt patroon om toestemming te vragen: “kan/mag ik …?”. Kann is de vorm van können bij ich; in een ja-neevraag staat het vervoegde werkwoord vooraan. Bijvoorbeeld: Kann ich hier sitzen? — “Mag ik hier zitten?” diese betekent hier “deze” en verwijst naar het vrouwelijke zelfstandig naamwoord Suppe. De vorm is accusatief vrouwelijk enkelvoud; bij dit woord is de vorm in nominatief en accusatief hetzelfde: diese Suppe. Bijvoorbeeld: Ich kaufe diese Tasche. — “Ik koop deze tas.” Suppe betekent “soep”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Suppe. In het meervoud wordt dat die Suppen. in den betekent hier “in de” en leidt de plaats aan waar iets naartoe wordt gezet. Na in staat de accusatief bij richting of verplaatsing, maar de datief bij een vaste plaats. Vergelijk: Ich stelle den Topf in den Schrank. — “Ik zet de pan in de kast.” tegenover Der Topf steht im Schrank. — “De pan staat in de kast.” gemeinsamen betekent hier “gedeelde” of “gemeenschappelijke”. Het bijvoeglijk naamwoord is gemeinsam; gemeinsamen krijgt hier de uitgang -en omdat het vóór het mannelijke accusatief enkelvoud Kühlschrank staat na in den. Bijvoorbeeld: Wir benutzen einen gemeinsamen Raum. — “We gebruiken een gemeenschappelijke ruimte.” Kühlschrank betekent “koelkast”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Kühlschrank; na in met richting staat het als den Kühlschrank in de accusatief. Een nuttig verwant woord is Kühlfach, “koelvak”, maar dat is een ander zelfstandig naamwoord. stellen betekent “zetten” wanneer iets rechtop op een plaats wordt geplaatst. Het is een regelmatig werkwoord; de infinitief is hier nodig na het vervoegde modale werkwoord kann. Vergelijk legen (“leggen”, meestal plat plaatsen) en setzen (“zetten” bij een persoon of dier, of iemand laten zitten). Bijvoorbeeld: Ich stelle die Flasche in den Kühlschrank. — “Ik zet de fles in de koelkast.” Samen vormt de zin de vraag: “Kan/mag ik deze soep in de gedeelde koelkast zetten?” Kann vraagt toestemming, ich is degene die de handeling uitvoert, en stellen beschrijft het plaatsen van de soep in de koelkast. De richting naar de koelkast verklaart de accusatief in in den gemeinsamen Kühlschrank. De vraag is alledaags en beleefd; Kann ich …? is een neutrale manier om toestemming te vragen.

  2. Klebe ein Etikett auf den Behälter, bevor du ihn dort stehen lässt.

    Plak een label op de bak voordat je hem daar laat staan.

    Klebe
    plak
    Etikett
    label
    auf den Behälter
    op de bak
    bevor
    voordat
    ihn
    hem
    dort
    daar
    stehen lässt
    laat staan
    Uitgebreide uitleg

    Klebe is de bevelsvorm voor één persoon van kleben (“plakken”). De vorm met het onderwerp du is du klebst; als bevel kan Duits zowel Kleb! als Klebe! gebruiken. Hier staat de volledige vorm Klebe aan het begin van de zin. Etikett betekent hier “label” of “etiket”. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Etikett. In het meervoud wordt dat die Etiketten. auf den Behälter geeft de bestemming van het plakken aan: op de bak of container. Behälter is mannelijk (der Behälter), en na het richtingsgebruik van auf staat hier de vierde naamval: den Behälter. Vergelijk: Das Etikett ist auf dem Behälter (“Het label is op de bak”), waar auf een plaats zonder richting beschrijft en daarom dem Behälter krijgt. bevor betekent “voordat” en leidt hier een bijzin in. In een Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan. Het patroon is bijvoorbeeld bevor du gehst (“voordat je gaat”). ihn is een persoonlijk voornaamwoord in de vierde naamval, mannelijk enkelvoud. In deze zin verwijst het, in overeenstemming met de vaste vertaling, naar den Behälter: “hem”/“de bak”. De vormreeks is er (onderwerp), ihn (lijdend voorwerp), ihm (meewerkend voorwerp of na bepaalde voorzetsels). dort betekent “daar” en duidt een plaats aan. Het geeft hier de plaats aan waar de bak moet blijven staan; het is geen richtingswoord zoals dorthin (“daarheen”). stehen lässt is een constructie met lassen plus stehen: iets laten staan. lässt is de vorm van lassen bij du; de infinitief stehen blijft aan het einde van de bijzin staan. In du lässt den Behälter dort stehen betekent het geheel “je laat de bak daar staan”. stehen beschrijft hier de toestand waarin het voorwerp blijft, niet een handeling van het voorwerp zelf. De zin bestaat uit de hoofdzin Klebe ein Etikett auf den Behälter (“Plak een label op de bak”) en de daaropvolgende tijdsbepalende bijzin bevor du ihn dort stehen lässt (“voordat je hem daar laat staan”). Samen betekent de zin: “Plak een label op de bak voordat je hem daar laat staan.”

  3. Soll ich das Datum auch darauf schreiben?

    Moet ik de datum er ook op schrijven?

    Soll ich
    moet ik
    das Datum
    de datum
    auch
    ook
    darauf
    erop
    schreiben
    schrijven
    Uitgebreide uitleg

    Soll ich is een vraagopening met het modale werkwoord sollen. De vorm soll is de tegenwoordige tijd voor de eerste persoon enkelvoud; ich is het onderwerp. In een Duitse ja-neevraag staat de vervoegde vorm voor het onderwerp: Soll ich ...? Hier betekent de combinatie, volgens de vaste vertaling, “moet ik”. Voorbeeld: Soll ich warten? = Moet ik wachten? das Datum betekent “de datum”. Datum is een zelfstandig naamwoord en wordt in het Duits met een hoofdletter geschreven. Het is onzijdig: das Datum. In deze zin is het de zaak die geschreven wordt en staat de woordgroep daarom in de accusatief; bij dit onzijdige woord ziet die vorm er hetzelfde uit als de nominatief. Het meervoud is die Daten, maar dat betekent vaak “gegevens”; voor kalenderdata is Datumsangaben vaak duidelijker. auch betekent “ook”. Het voegt het schrijven van de datum toe aan iets wat al als handeling of mogelijkheid in de context aanwezig is. Het woord verandert zelf de vorm van de andere woorden niet. darauf betekent hier “erop”. Het is een da-voorzetsel, gevormd uit da + auf, en verwijst naar een eerder bedoelde zaak of drager. De precieze referent wordt door darauf zelf niet nader benoemd. Zulke da-voorzetsels verwijzen naar zaken, niet naar personen. Voorbeeld: Schreib die Nummer darauf. = Schrijf het nummer erop. schreiben betekent “schrijven”. Dit is de infinitief. In combinatie met het modale soll staat deze infinitief aan het einde: Soll ich ... schreiben? Voorbeeld: Soll ich den Namen schreiben? = Moet ik de naam schrijven? Samen vormen Soll ich ... schreiben? de vraag “Moet ik ... schrijven?”. das Datum is wat geschreven wordt, auch voegt die handeling toe, en darauf geeft de plaats of drager aan. De hele zin betekent: “Moet ik de datum er ook op schrijven?”

  4. So wissen die Leute, wie lange die Suppe schon darin steht.

    Zo weten mensen hoelang de soep er al staat.

    So
    zo; op die manier
    wissen
    weten
    die Leute
    de mensen
    wie lange
    hoelang
    die Suppe
    de soep
    schon
    al
    darin
    daarin; er ... in
    steht
    staat
    Uitgebreide uitleg

    So betekent hier “zo” of “op die manier”. Het verwijst naar de manier waarop de mensen dit te weten komen; de context maakt niet noodzakelijk een specifieke gevolgrelatie van het woord zelf. wissen is de basisvorm “weten”. In de tegenwoordige tijd is het bijvoorbeeld: ich weiß, du weißt, er/sie/es weiß, maar wir wissen, ihr wisst, sie/Sie wissen. In deze zin hoort wissen bij die Leute, dus de meervoudsvorm wissen is passend. Een bruikbaar contrast is wissen “weten” tegenover kennen “kennen”: Ich weiß die Antwort. = “Ik weet het antwoord.”, maar Ich kenne die Person. = “Ik ken de persoon.” die Leute betekent “de mensen”. Leute is een meervoudsvorm en wordt in het Duits normaal met die gebruikt; het woord verwijst naar mensen. De combinatie is hier het onderwerp van wissen. wie lange vraagt naar de duur: “hoelang”. Het leidt hier een indirecte vraag in die uitlegt wat de mensen weten. Voorbeeld: Wie lange bleibt ihr? = “Hoelang blijven jullie?” In de indirecte vraag staat het vervoegde werkwoord aan het einde: wie lange ... steht. die Suppe betekent “de soep”. Suppe is een zelfstandig naamwoord met grammaticaal vrouwelijk geslacht, daarom staat hier die. Het bepaalde lidwoord verwijst naar de bedoelde soep; het zegt op zichzelf niets over de hoeveelheid. schon betekent hier “al”: het geeft aan dat de toestand al vóór het bedoelde moment bestond en nog voortduurt. Voorbeeld: Die Suppe steht schon hier. = “De soep staat hier al.” In andere contexten kan schon een andere nuance hebben. darin betekent “daarin” of “er ... in”. Het is een vorm met da- en in en verwijst naar iets waarin de soep zich bevindt. Het da--element verwijst niet naar een persoon; voor een persoon gebruikt het Duits gewoonlijk een voorzetsel met een persoonlijk voornaamwoord. De precieze plaats of houder wordt in deze zin niet zelfstandig benoemd. steht komt van stehen, “staan”. Dit is de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd: ich stehe, du stehst, er/sie/es steht. Duits gebruikt stehen ook voor eten of drinken dat ergens staat of bewaard wordt; het hoeft niet te betekenen dat de soep letterlijk rechtop staat. Hier is die Suppe het enkelvoudige onderwerp, zodat steht past. Voorbeeld: Die Suppe steht im Kühlschrank. = “De soep staat in de koelkast.” De zin bouwt als volgt op: So betekent “zo/op die manier”; die Leute wissen betekent “de mensen weten”. Daarna specificeert de indirecte vraag wie lange die Suppe schon darin steht wat zij weten: hoelang de soep daar al staat. Samen betekent de vaste zin: “Zo weten mensen hoelang de soep er al staat.” Een herbruikbaar patroon is: Ich weiß, wie lange ... steht. = “Ik weet hoelang ... staat.”

  5. Welche Ablage ist für dein eigenes Essen?

    Welke plank is voor je eigen eten?

    Welche
    welke
    Ablage
    plank
    ist für
    is voor
    dein
    je / jouw
    eigenes
    eigen
    Essen
    eten
    Uitgebreide uitleg

    Welche staat hier voor een keuzevraag: “welke?”. Het woord richt zich grammaticaal naar Ablage, dat vrouwelijk enkelvoud is. In andere combinaties verandert de vorm bijvoorbeeld: welcher Tisch (mannelijk), welches Essen (onzijdig) en welche Sachen (meervoud). Voorbeeld: Welche Tasche ist deine? — “Welke tas is van jou?” Ablage betekent hier een plank of opbergplek waarop iets ligt. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Ablage, meervoud die Ablagen. De vertaling “plank” past bij de vaste vertaling; de context specificeert niet welk fysiek type opbergplek bedoeld is. ist für vormt hier de kern “is voor”. ist is de vorm van sein (“zijn”) voor de derde persoon enkelvoud. für leidt een bepaling in die aangeeft waarvoor iets bestemd is of aan wie het toebehoort. Voorbeeld: Der Platz ist für Gäste. — “De plaats is voor gasten.” dein betekent “je/jouw” en geeft aan dat de aangesprokene de bezitter is. De vorm van een bezittelijk woord hangt in het Duits onder meer af van het geslacht en de naamval van het bijbehorende zelfstandig naamwoord, niet alleen van de persoon die iets bezit. Bij het onzijdige Essen blijft dein in deze vorm hetzelfde in de nominatief en accusatief: dein Essen. eigenes voegt de betekenis “eigen” of “van jezelf” toe aan Essen. De basisvorm is eigen; het bijvoeglijk naamwoord krijgt hier de vorm eigenes omdat het bij het onzijdige Essen staat in de accusatief na für. Voorbeeld: Sie bringt ihr eigenes Essen. — “Zij brengt haar eigen eten mee.” Essen betekent hier “eten” als voedsel. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Essen; als zelfstandig naamwoord wordt het in het Duits met een hoofdletter geschreven. Het kan in andere contexten ook een maaltijd aanduiden, maar in deze zin is de bedoelde betekenis het eten waarvoor de plank bestemd is. Samen vormt Welche Ablage de vraag naar de specifieke plank of opbergplek. ist für verbindt die plek met haar bestemming, en dein eigenes Essen benoemt dat die bestemming het eigen eten van de aangesprokene is. De volledige betekenis is daarom: “Welke plank is voor je eigen eten?”

  6. Nimm die oberste Ablage, weg von den gemeinsamen Sachen.

    Gebruik de bovenste plank, weg van de gedeelde spullen.

    Nimm
    neem / gebruik
    oberste
    bovenste
    Ablage
    plank
    weg von
    weg van
    gemeinsamen
    gedeelde
    Sachen
    spullen
    Uitgebreide uitleg

    Nimm is de gebiedende wijs van nehmen voor du. In deze zin betekent het, mede door de vaste vertaling, “neem/gebruik”. De vorm richt zich tot één persoon; het onderwerp du wordt in een Duitse gebiedende wijs normaal niet uitgesproken. Vergelijk: Nimm die Tasse. — “Neem de kop.” oberste betekent hier “bovenste” en staat vóór Ablage. Het is de overtreffende vorm van ober in de betekenis “bovenste/hoogst gelegen”: ober — oberer — oberste zijn verwante vormen met verschillende grammaticale functies; oberste is hier de bepaalde vorm vóór een zelfstandig naamwoord. De vorm krijgt hier de uitgang -e omdat hij bij het vrouwelijke zelfstandig naamwoord Ablage in de accusatiefgroep die oberste Ablage hoort. De overtreffende betekenis wijst op de bovenste plank binnen de relevante reeks; hij betekent niet alleen “hoog”. Ablage is hier een plank of plaats waarop iets wordt neergelegd. Het woord is vrouwelijk: die Ablage; in deze naamwoordgroep blijft het lidwoord die in de accusatief gelijk aan de vorm in de nominatief. Meervoud: Ablagen. Voorbeeld: Die Ablage ist leer. — “De plank is leeg.” weg von is een vaste combinatie met de betekenis “weg van” of “op afstand van”. von leidt hier de plaats of het referentiepunt in: weg von den Sachen betekent dat de gekozen plank niet bij die spullen moet zijn. Na von staat de datief. gemeinsamen betekent hier “gedeelde” en beschrijft Sachen. Het basisadjectief is gemeinsam (“gemeenschappelijk/gedeeld”). In von den gemeinsamen Sachen staat het bijvoeglijk naamwoord in de datief meervoud; het lidwoord den en de uitgang -en laten die vorm zien. Voorbeeld: Wir teilen die gemeinsamen Kosten. — “We delen de gezamenlijke kosten.” Sachen is het meervoud van Sache, “zaak” of, zoals hier, “spul/ding”. In deze zin verwijst het naar spullen die als gedeeld worden aangeduid. Het enkelvoud is die Sache, het meervoud die Sachen; het meervoud staat hier na den in de datief: von den Sachen. Samen vormen de delen de instructie Nimm die oberste Ablage, weg von den gemeinsamen Sachen.: neem of gebruik de bovenste plank, op een plek weg van de gedeelde spullen. De komma scheidt de opdracht van de aanvullende plaatsaanduiding. De hele zin is een directe, beknopte instructie in de du-vorm.

  7. Ich lasse es dort und nehme es bald mit nach Hause.

    Ik laat het daar staan en neem het binnenkort mee naar huis.

    Ich
    ik
    lasse
    laat achter; laat staan
    es
    het
    dort
    daar
    nehme … mit
    neem mee
    bald
    binnenkort
    nach Hause
    naar huis
    Uitgebreide uitleg

    Ich betekent hier “ik” en is het onderwerp. De vorm blijft bij deze persoon enkelvoud ich; vergelijk bijvoorbeeld du (“jij”) en wir (“wij”), die andere werkwoordsvormen vragen. lasse is de vorm van lassen bij ich: ich lasse. In deze zin betekent lassen dat de spreker iets ergens laat staan of achterlaat. Het voorwerp is hier es, en lasse ... dort vormt samen de betekenis “laat het daar staan”. Voorbeeld: Ich lasse das Buch hier. — “Ik laat het boek hier.” es betekent hier “het” en is een persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon enkelvoud, onzijdig. De vertaling bevestigt de bedoeling “het”, maar noemt niet welk concreet voorwerp es aanduidt. De vorm es kan ook andere grammaticale functies hebben; de functie moet dus uit de zin blijken. dort betekent “daar” en verwijst naar een plaats die niet als de plaats van de spreker wordt voorgesteld. Hier hoort het bij lasse: iets wordt daar achtergelaten. hier is een nuttig plaatscontrast: Ich lasse es hier. — “Ik laat het hier.” nehme ... mit komt van het scheidbare werkwoord mitnehmen, “meenemen”. Bij ich is de tegenwoordige vorm ich nehme mit; het vervoegde deel nehme staat hier vóór het voorwerp, terwijl mit aan het einde van de hoofdzin staat. Voorbeeld: Ich nehme den Schlüssel mit. — “Ik neem de sleutel mee.” bald betekent “binnenkort” en geeft aan dat het meenemen in de nabije toekomst wordt verwacht. Het is geen verleden-tijdsvorm en verandert niet omdat het onderwerp ich is. nach Hause is de vaste uitdrukking voor “naar huis”, met beweging in de richting van thuis. Hause wordt in deze uitdrukking met een hoofdletter geschreven. Vergelijk zu Hause — “thuis”, zonder beweging: Ich bin zu Hause. — “Ik ben thuis.” De zin bestaat uit twee delen die met und verbonden zijn: Ich lasse es dort (“Ik laat het daar staan”) en nehme es bald mit nach Hause (“neem het binnenkort mee naar huis”). Hetzelfde es staat in beide delen als voorwerp: in het tweede deel komt het direct na het vervoegde werkwoord nehme, vóór het scheidbare deel mit. Samen betekent de hele uiting: “Ik laat het daar staan en neem het binnenkort mee naar huis.”

  8. So füllt sich der Kühlschrank nicht mit altem Essen.

    Zo raakt de koelkast niet vol met oud eten.

    So
    zo; op die manier
    füllt sich
    raakt vol; vult zich
    Kühlschrank
    koelkast
    nicht
    niet
    altem
    oud
    Essen
    eten
    Uitgebreide uitleg

    So betekent hier “zo” of “op die manier” en verwijst naar de manier waarop iets gebeurt. Het staat aan het begin van de zin en vormt samen met de rest de betekenis “Zo …”. Voorbeeld: So funktioniert es. — “Zo werkt het.” füllt sich komt van het werkwoord sich füllen, “vol raken” of “zich vullen”. In deze zin is füllt de tegenwoordige tijd van füllen bij het onderwerp der Kühlschrank; sich hoort bij de wederkerende constructie. De nadruk ligt hier op het resultaat: de koelkast raakt vol. Het werkwoord füllen kan ook een object nemen: Ich fülle den Kühlschrank. — “Ik vul de koelkast.” Vergelijk dat met Der Kühlschrank füllt sich. — “De koelkast raakt vol.” der Kühlschrank betekent “de koelkast”. Het zelfstandig naamwoord is mannelijk; daarom staat hier het lidwoord der in de nominatief als onderwerp. De meervoudsvorm is die Kühlschränke. Voorbeeld: Der Kühlschrank ist leer. — “De koelkast is leeg.” nicht maakt het predicaat negatief. Hier wordt dus ontkend dat de koelkast op deze manier met oud eten vol raakt. Voorbeeld: Der Kühlschrank füllt sich nicht. — “De koelkast raakt niet vol.” altem betekent hier “oud” en beschrijft Essen. De vorm is de datief enkelvoud van het bijvoeglijk naamwoord alt, omdat mit in deze betekenis een datiefgroep inleidt: mit altem Essen. De uitgang hoort bij alt, niet bij Essen. In een andere datiefgroep staat bijvoorbeeld mit frischem Brot — “met vers brood”. Essen betekent hier “eten” als stof of voedsel in het algemeen. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord (das Essen) en heeft in deze betekenis meestal geen meervoud nodig. Na mit staat het samen met het bijvoeglijk naamwoord in de datief: mit altem Essen — “met oud eten”. Samen betekent füllt sich der Kühlschrank “de koelkast raakt vol”, nicht mit altem Essen “niet met oud eten”, en So “zo/op die manier”. De volledige zin is daarom: “Zo raakt de koelkast niet vol met oud eten.”

Grammatica

bevor + bijzin met werkwoord aan het einde

Bevor du die Suppe in den Behälter füllst.

Be-foor doe dee zoe-pe in deen be-hel-ter fulst.

Voordat je de soep in de bak doet.

Na „bevor” staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.

Imperativ: Klebe / Nimm + voorwerp

Klebe das Etikett auf den Behälter.

Klee-be das ee-ti-ket auf deen be-hel-ter.

Plak het label op de bak.

De gebiedende wijs voor „du” gebruikt vaak de werkwoordstam zonder persoonlijk voornaamwoord.

Duits woordenschat

Behälter zelfstandig naamwoord
be-hel-ter bak
bevor voegwoord
be-foor voordat
darauf bijwoord
daa-rauf erop
Datum zelfstandig naamwoord
daa-toem datum
Etikett zelfstandig naamwoord
ee-ti-ket label
gemeinsam bijvoeglijk naamwoord
ge-main-zaam gemeenschappelijk gemeinsamen
kleben werkwoord
klee-ben plakken Klebe
Kühlschrank zelfstandig naamwoord
kuul-sjrank koelkast
stehen lassen uitdrukking
sjtee-en las-sen laten staan stehen lässt
stellen werkwoord
sjtel-len zetten
Suppe zelfstandig naamwoord
zoe-pe soep
wissen werkwoord
wis-sen weten

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

plakken

Antwoord tonenKlebe

label

Antwoord tonenEtikett

zetten

Antwoord tonenstellen

koelkast

Antwoord tonenKühlschrank