Wir
“Wir” betekent hier “wij”: de spreker samen met minstens één andere persoon. Het staat als onderwerp bij de handeling in “Wir haben den Gemeinschaftsraum eine Weile benutzt.” Je gebruikt het wanneer je jezelf en anderen als groep bedoelt.
haben
“haben” helpt in “Wir haben den Gemeinschaftsraum eine Weile benutzt” om te zeggen dat de ruimte eerder gebruikt is. Hier staat het vóór “benutzt”, het werkwoord dat de handeling inhoudelijk weergeeft. Je gebruikt dezelfde structuur om een eerdere handeling te beschrijven.
den
“den” betekent hier “de” in “den Gemeinschaftsraum” en markeert wat gebruikt werd. Het is de vorm van het lidwoord “der” die hier bij dit directe object staat. Je ziet dezelfde objectfunctie in “den Raum”.
Gemeinschaftsraum
“Gemeinschaftsraum” betekent hier “gemeenschappelijke ruimte”: de ruimte die de twee personen samen hebben gebruikt. Het woord benoemt dus de plek van de activiteit. Je gebruikt het in deze context als zelfstandig naamwoord voor een gedeelde ruimte.
eine
“eine” betekent hier “een” in de vaste combinatie “eine Weile”. Het is de vorm van “ein” die hier bij “Weile” staat. Je gebruikt “eine Weile” om een niet precies bepaalde korte periode aan te geven.
Weile
“Weile” betekent hier “tijdje” in “eine Weile”, dus een bepaalde maar niet precies gemeten periode. De betekenis ontstaat samen met “eine”. Je gebruikt “eine Weile” wanneer je wilt zeggen dat iets enige tijd duurde.
benutzt
“benutzt” betekent hier “gebruikt” in “Wir haben den Gemeinschaftsraum eine Weile benutzt”. Het is de vorm van “benutzen” die na “haben” de eerdere handeling uitdrukt. Je gebruikt het met een object, zoals “den Gemeinschaftsraum”.
Räumen
“Räumen” betekent hier “opruimen” in “Räumen wir den Raum auf”. Dit is de vorm van “räumen” waarmee je samen een voorstel doet: “laten we opruimen”. Je gebruikt de constructie “Räumen wir ... auf” met de op te ruimen ruimte als object.
Raum
“Raum” betekent hier “ruimte” in “den Raum”. Het is de plek die opgeruimd moet worden. Je gebruikt het in de constructie “den Raum aufräumen”, waarbij “den Raum” het object is.
auf
“auf” hoort hier bij “Räumen” in de scheidbare combinatie “Räumen wir den Raum auf”. Samen betekenen ze “de ruimte opruimen”; “auf” staat aan het einde van de hoofdzin. Je gebruikt dit patroon met de ruimte of andere spullen die je opruimt.
bevor
“bevor” betekent “voordat” en leidt in “bevor wir gehen” een handeling in die eerst nog moet gebeuren. In deze bijzin staat “gehen” aan het einde. Je gebruikt “bevor” om de volgorde van twee handelingen aan te geven.
gehen
“gehen” betekent hier “gaan” of “weggaan” in “bevor wir gehen” en “und gehen”. Het verwijst naar het vertrek uit de ruimte. Dit is de vorm van “gehen” die na “wir” in de bijzin en na “können” staat.
Ich
“Ich” betekent hier “ik” en verwijst naar de persoon die de volgende taak op zich neemt. Het staat als onderwerp in “Ich stelle die Stühle wieder dahin, wo sie standen.” Je gebruikt het om je eigen handeling of aanbod te beschrijven.
stelle
“stelle” betekent hier “zet” of “plaats” in “Ich stelle die Stühle wieder dahin”. Het is de vorm van “stellen” bij “ich”. Je gebruikt het met iets dat je op een bepaalde plek zet, zoals “die Stühle”, en met de bestemming “dahin”.
die
“die” betekent hier “de” in “die Stühle”. Het hoort bij het meervoudige object dat geplaatst wordt. Hetzelfde woord staat in “die Fenster”, waar het ook bij een meervoudig zelfstandig naamwoord hoort.
Stühle
“Stühle” betekent hier “stoelen” en is het meervoud van “Stuhl”. In “Ich stelle die Stühle wieder dahin” gaat het om de stoelen die teruggezet worden. Je gebruikt het met een werkwoord zoals “stelle” wanneer je meerdere stoelen verplaatst.
wieder
“wieder” betekent hier “terug” in “wieder dahin”: naar de eerdere plaats. Het geeft aan dat de stoelen opnieuw op hun oorspronkelijke plek komen. Je gebruikt “wieder” hier samen met een bestemming, zoals “dahin”.
dahin
“dahin” betekent hier “daarheen” of “naar die plek” in “Ich stelle die Stühle wieder dahin”. Het geeft de bestemming van het verplaatsen aan. In “wieder dahin, wo sie standen” wordt die plek nader uitgelegd.
wo
“wo” betekent “waar” en leidt in “wo sie standen” een plaatsbepalende bijzin in. De bijzin legt uit naar welke plek “dahin” verwijst. Je gebruikt “wo” om een plaats verder te beschrijven.
sie
“sie” betekent hier “ze” en verwijst naar “die Stühle”. Het is het onderwerp van “wo sie standen”. Je gebruikt het om binnen de bijzin opnieuw naar de stoelen te verwijzen.
standen
“standen” betekent hier “stonden” in “wo sie standen” en beschrijft de eerdere positie van de stoelen. Het is een vorm van “stehen”. Je gebruikt “wo sie standen” om aan te geven waar iets eerder stond.
räume
“räume” betekent hier “ruim op” of “haal weg” in “Ich räume den Müll von den Tischen weg”. Het is de vorm van “räumen” bij “ich” en vormt samen met “weg” de betekenis “wegruimen”. Je gebruikt het met iets dat verwijderd moet worden, zoals “den Müll”.
Müll
“Müll” betekent hier “afval” in “den Müll”. Het verwijst naar de spullen die van de tafels verwijderd worden. Je gebruikt het in de constructie “den Müll ... weg”, waarbij het afval het object van de handeling is.
von
“von” betekent hier “van” en geeft in “von den Tischen” aan waar het afval vanaf wordt gehaald. Het verbindt het verwijderde voorwerp met de oppervlakte of plaats ervan. Je gebruikt de combinatie “von den Tischen” voor afval dat op de tafels ligt.
Tischen
“Tischen” betekent hier “tafels” in “von den Tischen”. Het is de vorm van “Tisch” die hier na “von” wordt gebruikt. Je gebruikt het in deze combinatie om de plaats aan te geven waarvan iets wordt weggehaald.
weg
“weg” hoort hier bij “räume” in “Ich räume den Müll von den Tischen weg”. Samen betekent dit dat je het afval verwijdert. Als scheidbaar deel staat “weg” aan het einde van de hoofdzin.
Sollen
“Sollen” betekent hier “zullen we” in de vraag “Sollen wir auch das Licht ausmachen?”. Het is een vorm van “sollen” waarmee de spreker een gezamenlijke actie voorstelt. Je gebruikt “Sollen wir ...?” om te vragen of jullie iets samen moeten doen.
auch
“auch” betekent hier “ook” en voegt het uitschakelen van het licht toe aan de andere opruimtaken. In “Sollen wir auch das Licht ausmachen?” heeft het betrekking op de extra handeling. Je gebruikt het om nog een persoon, voorwerp of handeling toe te voegen.
das
“das” betekent hier “het” in “das Licht”. Het is het lidwoord bij “Licht”. Je gebruikt deze combinatie wanneer je in deze situatie naar het licht in de ruimte verwijst.
Licht
“Licht” betekent hier “licht” in “das Licht ausmachen”. Het is datgene wat de personen willen uitschakelen. Je gebruikt het in de constructie “das Licht ausmachen”.
ausmachen
“ausmachen” betekent hier “uitdoen” of “uitschakelen” in “das Licht ausmachen”. Het is de volledige werkwoordsvorm die na “Sollen wir” staat. Je gebruikt het met iets dat je uit wilt zetten, zoals “das Licht”.
Mach
“Mach” betekent hier “doe” in de opdracht “Mach das Licht aus”. Het is de gebiedende vorm van “machen” voor één persoon die informeel wordt aangesproken. Je gebruikt “Mach ... aus” om iemand direct te vragen iets uit te schakelen.
aus
“aus” hoort hier bij “Mach” in “Mach das Licht aus”. Samen betekent de constructie dat het licht uitgeschakeld moet worden. Als scheidbaar deel staat “aus” aan het einde van de opdracht.
Schließ
“Schließ” betekent hier “sluit” in “Schließ die Fenster”. Het is de gebiedende vorm van “schließen” voor één informeel aangesproken persoon. Je gebruikt het met wat gesloten moet worden, hier “die Fenster”.
Fenster
“Fenster” betekent hier “ramen” in “die Fenster”. Het verwijst naar de ramen die vóór het afsluiten dicht moeten. Je gebruikt het in de combinatie “die Fenster schließen”.
abschließen
“abschließen” betekent hier “afsluiten” of “op slot doen”. In “bevor wir abschließen” verwijst het naar het afsluiten van de ruimte, en in “die Tür abschließen” naar het op slot doen van de deur. Je gebruikt het met een object zoals “die Tür”.
Der
“Der” betekent hier “de” in “Der Raum”. Het staat vóór “Raum”, dat het onderwerp van de zin is. Je gebruikt de combinatie “Der Raum” om naar de ruimte te verwijzen.
sieht
“sieht” draagt in “Der Raum sieht für die nächste Gruppe bereit aus” bij aan de betekenis “ziet eruit”. Het is een vorm van “sehen” bij “der Raum”. Je gebruikt de constructie “sieht ... aus” om een indruk of uiterlijk te beschrijven.
für
“für” betekent hier “voor” in “für die nächste Gruppe”. Het geeft aan voor wie de ruimte klaar is. Je gebruikt het vóór de persoon of groep waarvoor iets bedoeld of geschikt is.
nächste
“nächste” betekent hier “volgende” in “die nächste Gruppe”. Het beschrijft de groep die na de huidige gebruikers komt. Je gebruikt het vóór “Gruppe” om de volgorde aan te geven.
Gruppe
“Gruppe” betekent hier “groep” in “die nächste Gruppe”. Het verwijst naar de mensen die de ruimte hierna zullen gebruiken. Je gebruikt het samen met een beschrijving zoals “die nächste”.
bereit
“bereit” betekent hier “klaar” in “sieht für die nächste Gruppe bereit aus”. Het beschrijft dat de ruimte geschikt is voor het volgende gebruik. Je gebruikt het hier samen met “für” om aan te geven voor wie iets klaar is.
Dann
“Dann” betekent hier “dan” en verwijst naar het moment nadat de ruimte klaar is. In “Dann können wir die Tür abschließen und gehen” leidt het de daaropvolgende handelingen in. Je gebruikt het om een gevolg of volgende stap aan te kondigen.
können
“können” betekent hier “kunnen” in “Dann können wir die Tür abschließen und gehen”. Het geeft aan dat de volgende handelingen nu mogelijk zijn. Je gebruikt het met een infinitief, zoals “abschließen” en “gehen”.
Tür
“Tür” betekent hier “deur” in “die Tür abschließen”. Het is het voorwerp dat op slot wordt gedaan. Je gebruikt het in de constructie “die Tür abschließen”.
und
“und” betekent “en” en verbindt in “die Tür abschließen und gehen” twee handelingen. De twee handelingen zijn de deur op slot doen en vertrekken. Je gebruikt het om gelijkwaardige acties met elkaar te verbinden.