Nächste
„Nächste“ betekent hier „volgende“ en beschrijft de week die na deze week komt. Het is de verbogen vorm van nächst bij Woche. In „Nächste Woche“ staat het bijvoeglijk naamwoord vóór de tijdsaanduiding; je gebruikt dit bij het plannen van de komende week.
Woche
„Woche“ betekent „week“ en verwijst hier naar de komende periode van zeven dagen. In „Nächste Woche“ gaat het om de week na de huidige week. Je gebruikt Woche bijvoorbeeld om een planning in de tijd te plaatsen.
sieht
„sieht“ betekent hier „ziet eruit“ en beschrijft hoe de week wordt ingeschat. Het is de vorm van sehen en hoort samen met aus bij het werkwoord aussehen. In „sieht voll aus“ beschrijf je dat iets een bepaalde indruk of toestand heeft.
voll
„voll“ betekent hier „vol“ of figuurlijk „drukgepland“. In „sieht voll aus“ zegt het dat de week veel activiteiten of verplichtingen lijkt te bevatten. Je kunt voll gebruiken om een agenda of planning als bezet te beschrijven.
aus
„aus“ is hier het scheidbare deel van „sieht voll aus“ en draagt samen met sieht de betekenis „eruitzien“. Het partikel staat aan het einde van de hoofdzin. Een bruikbaar patroon is „etwas sieht ... aus“.
deshalb
„deshalb“ betekent „daarom“ en verbindt de drukke week met het voorgestelde gevolg. In „deshalb würde es helfen“ introduceert het de conclusie of consequentie. Je gebruikt deshalb om een reden en een resultaat met elkaar te verbinden.
würde
„würde“ betekent hier „zou“ en maakt de uitspraak hypothetisch of voorzichtig. Het is een vorm van werden en staat in „würde es helfen“ samen met een infinitief. Een bruikbaar patroon is „würde“ + infinitief bij een mogelijke uitkomst of suggestie.
es
„es“ betekent hier „het“, maar functioneert als onpersoonlijk onderwerp in „würde es helfen“. Het verwijst niet naar één concreet voorwerp; de daaropvolgende handeling wordt als nuttig voorgesteld. Je gebruikt een dergelijk es wanneer je zegt dat iets helpt of nodig is.
helfen
„helfen“ betekent „helpen“ en geeft in „es würde helfen“ aan dat de voorgestelde voorbereiding nuttig zou zijn. De vorm is gelijk aan de basisvorm helfen. Een bruikbaar patroon is „es würde helfen, ...“ wanneer je een nuttige handeling voorstelt.
einige
„einige“ betekent „enkele“ of „sommige“ en geeft hier een niet nader bepaald aantal maaltijden aan. In „einige Mahlzeiten“ staat het vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord. Je gebruikt einige + meervoud om een beperkte, maar niet precies genoemde hoeveelheid aan te duiden.
Mahlzeiten
„Mahlzeiten“ betekent „maaltijden“ en is het meervoud van Mahlzeit. In „einige Mahlzeiten im Voraus zuzubereiten“ gaat het om meerdere maaltijden die vooraf klaargemaakt worden. Je gebruikt Mahlzeiten wanneer je verschillende eetmomenten of bereide gerechten als geheel benoemt.
im Voraus
„im Voraus“ betekent „van tevoren“ en geeft aan dat iets vóór het betreffende moment gebeurt. In deze vaste uitdrukking betekent im „in het“ en verwijst Voraus naar wat vooraf ligt; samen vormen ze de tijdsbepaling „im Voraus“. Een bruikbaar patroon is „etwas im Voraus zubereiten“ bij het plannen van eten of andere taken.
zuzubereiten
„zuzubereiten“ betekent „te bereiden“ en verwijst hier naar het vooraf klaarmaken van maaltijden. Het is de infinitief van zubereiten met zu, na „es würde helfen“. In „einige Mahlzeiten im Voraus zuzubereiten“ benoemt het de handeling die nuttig zou zijn.
vorzubereiten
„vorzubereiten“ betekent „voor te bereiden“ en vormt in „Mahlzeiten vorzubereiten hilft“ het onderwerp van de zin. Het is de infinitief van vorbereiten met zu. Je gebruikt deze constructie om een activiteit als nuttig of effectief te beoordelen.
hilft
„hilft“ betekent „helpt“ en zegt hier dat maaltijden voorbereiden nuttig is. Het is een vorm van helfen; het onderwerp is „Mahlzeiten vorzubereiten“. Een bruikbaar patroon is „etwas hilft“ wanneer je het nut van een handeling beschrijft.
aber
„aber“ betekent „maar“ en introduceert hier een beperking op het voordeel van meal prep. In „hilft, aber iss nicht jeden Tag dasselbe“ volgt een tegenadvies. Je gebruikt aber om twee ideeën met elkaar te verbinden die niet volledig dezelfde richting hebben.
iss
„iss“ betekent „eet“ en is hier een directe aansporing aan één persoon. Het is de gebiedende vorm van essen. In „iss nicht jeden Tag dasselbe“ geeft het advies over een eetgewoonte; een bruikbaar patroon is „iss“ + object.
nicht
„nicht“ ontkent hier de handeling of de combinatie „jeden Tag dasselbe“. In „iss nicht jeden Tag dasselbe“ betekent het dat de aangesproken persoon niet dagelijks hetzelfde moet eten. Je gebruikt nicht om een werkwoordelijke handeling of uitspraak te ontkennen.
jeden
„jeden“ betekent hier „elke“ en maakt van Tag de herhaalde tijdsaanduiding „jeden Tag“. Het is een vorm van jeder. Een bruikbaar patroon is „jeden Tag“ om dagelijkse herhaling aan te geven.
Tag
„Tag“ betekent „dag“ en vormt samen met „jeden“ de betekenis „elke dag“. In „jeden Tag dasselbe“ wordt aangegeven dat dezelfde maaltijd dagelijks terugkomt. Je gebruikt Tag vaak in tijdsaanduidingen voor een dagelijkse planning.
dasselbe
„dasselbe“ betekent „hetzelfde“ en verwijst hier naar steeds hetzelfde eten of dezelfde maaltijd. In „iss nicht jeden Tag dasselbe“ staat het zelfstandig voor wat iemand eet. Je gebruikt dasselbe om naar één identieke zaak of keuze te verwijzen.
Ich
„Ich“ betekent „ik“ en is hier het onderwerp van wat spreker A dacht en van haar plan. Het verwijst naar de persoon die zelf het voorstel doet. Je gebruikt Ich om een eigen gedachte, behoefte of handeling uit te drukken.
dachte
„dachte“ betekent „dacht“ en beschrijft hier een gedachte of plan dat spreker A had. Het is een vorm van denken. In „Ich dachte daran, ...“ introduceert het een idee dat de spreker overweegt; dit is een bruikbaar patroon om een voorstel voorzichtig aan te kondigen.
daran
„daran“ betekent hier „eraan“ en verwijst vooruit naar de handeling die volgt. In „Ich dachte daran, eine große Menge Gemüsecurry zu machen“ koppelt het de gedachte aan het voorgestelde maken van curry. Je gebruikt daran in patronen waarin iemand aan iets denkt of iets overweegt.
eine
„eine“ betekent hier „een“ en bepaalt Menge als één niet nader bepaalde hoeveelheid. Het is een vorm van ein. In „eine große Menge“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord; je gebruikt eine + zelfstandig naamwoord om iets als één hoeveelheid te introduceren.
große
„große“ betekent „grote“ en beschrijft de omvang van de hoeveelheid. Het is de vorm van groß vóór Menge in „eine große Menge“. Je gebruikt een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord om de hoeveelheid nader te omschrijven.
Menge
„Menge“ betekent „hoeveelheid“ en verwijst hier naar een grote hoeveelheid groentecurry die in één keer wordt gemaakt. In „eine große Menge Gemüsecurry“ bepaalt het hoeveel van het gerecht wordt bereid. Je gebruikt Menge voor een hoeveelheid van eten, materiaal of andere zaken.
Gemüsecurry
„Gemüsecurry“ betekent „groentecurry“ en benoemt het gerecht dat spreker A wil maken. In „eine große Menge Gemüsecurry“ is het de inhoud van de genoemde hoeveelheid. Je gebruikt dit woord om specifiek naar curry met groenten te verwijzen.
zu
„zu“ is hier het infinitiefpartikel in „zu machen“ en betekent „te“. Samen met machen vormt het de handeling die spreker A overweegt. Je gebruikt „zu“ + infinitief in een constructie als „daran, ... zu machen“.
machen
„machen“ betekent hier „maken“ of „bereiden“ en verwijst naar het klaarmaken van de groentecurry. Het staat als infinitief na zu in „Gemüsecurry zu machen“. Je gebruikt machen met een object wanneer je zegt dat je een gerecht of iets anders maakt.
Das
„Das“ betekent „dat“ en verwijst hier naar het plan om een grote hoeveelheid curry te maken. In „Das funktioniert“ is het de zaak waarvan wordt gezegd dat die werkt. Je gebruikt Das om naar een eerder genoemd idee, plan of voorstel te verwijzen.
funktioniert
„funktioniert“ betekent „werkt“ of „is haalbaar“ en beoordeelt hier het voorgestelde plan. Het is een vorm van funktionieren. In „Das funktioniert, wenn ...“ wordt de haalbaarheid aan een voorwaarde gekoppeld; dit patroon is bruikbaar bij praktische plannen.
wenn
„wenn“ betekent hier „als“ en introduceert de voorwaarde waaronder het plan werkt. In „wenn du es richtig portionierst“ volgt de voorwaarde; aan het begin van een zin verschijnt dezelfde vorm als „Wenn“. Je gebruikt wenn + bijzin om een voorwaarde of een terugkerend moment te benoemen.
du
„du“ betekent „jij“ en verwijst naar de persoon die de maaltijden verdeelt en bewaart. In deze dialoog spreken de twee volwassenen elkaar informeel aan. Je gebruikt du als onderwerp bij een directe aanspreking van één persoon.
richtig
„richtig“ betekent hier „goed“ of „op de juiste manier“ en beschrijft hoe de porties verdeeld moeten worden. In „du es richtig portionierst“ versterkt het de handeling portionierst. Je gebruikt richtig vaak bij een werkwoord om aan te geven dat iets correct wordt uitgevoerd.
portionierst
„portionierst“ betekent „in porties verdeelt“ en beschrijft hier het verdelen van het eten. Het is een vorm van portionieren in de voorwaardelijke bijzin „wenn du es richtig portionierst“. Een bruikbaar patroon is „etwas richtig portionieren“ wanneer je voedsel over meerdere porties verdeelt.
und
„und“ betekent „en“ en verbindt hier het correct verdelen met het veilig bewaren. In „portionierst und sicher aufbewahrst“ worden twee handelingen van dezelfde persoon gekoppeld. Je gebruikt und om gelijkwaardige handelingen of eigenschappen samen te voegen.
sicher
„sicher“ betekent hier „veilig“ en beschrijft de manier waarop het eten wordt bewaard. In „sicher aufbewahrst“ gaat het om veilig omgaan met de opgeslagen maaltijden. Je gebruikt sicher bij handelingen waarbij bescherming of voedselveiligheid belangrijk is.
aufbewahrst
„aufbewahrst“ betekent „bewaart“ en verwijst hier naar het bewaren van het eten. Het is een vorm van aufbewahren bij du. In „sicher aufbewahrst“ staat het samen met sicher; een bruikbaar patroon is ook „etwas im Kühlschrank aufbewahren“.
Soll
„Soll“ betekent hier „zal ik“ of „moet ik“ en vraagt om advies over wat de spreker moet doen. Het is een vorm van sollen in de vraag „Soll ich einen Teil einfrieren ...?“. Je gebruikt „Soll ich ...?“ om een voorstel te doen en bevestiging of raad te vragen.
einen
„einen“ betekent hier „een“ en bepaalt Teil als een deel van het geheel. Het is een vorm van ein. In „einen Teil einfrieren“ benoemt het welk deel van het eten de spreker eventueel wil invriezen.
Teil
„Teil“ betekent „deel“ en verwijst hier naar een gedeelte van de bereide hoeveelheid. In „einen Teil einfrieren“ wordt dit gedeelte tegenover „den Rest“ geplaatst. Je gebruikt Teil om een gedeelte van een geheel aan te duiden.
einfrieren
„einfrieren“ betekent „invriezen“ en is de handeling waarover spreker A een vraag stelt. Het staat als infinitief na Soll ich. Een bruikbaar patroon is „etwas einfrieren“ voor voedsel dat in de vriezer wordt bewaard.
den
„den“ is hier het bepaalde lidwoord bij Rest en maakt duidelijk dat het om de overgebleven rest gaat. In „den Rest im Kühlschrank aufbewahren“ bepaalt het welk deel bewaard moet worden. Je gebruikt dit lidwoord om naar een specifieke, eerder genoemde zaak te verwijzen.
Rest
„Rest“ betekent „rest“ en verwijst hier naar het deel dat niet wordt ingevroren. In „den Rest im Kühlschrank aufbewahren“ gaat het om de overgebleven hoeveelheid eten. Je gebruikt Rest voor wat na een verdeling of gebruik overblijft.
im
„im“ betekent hier „in het“ en is de samentrekking van in dem. In „im Kühlschrank“ geeft het de plaats aan waar de rest wordt bewaard. Je gebruikt im vóór een mannelijke of onzijdige plaatsaanduiding met de betekenis „in het“.
Kühlschrank
„Kühlschrank“ betekent „koelkast“ en benoemt de plaats waar de rest wordt bewaard. In „im Kühlschrank aufbewahren“ staat het na im. Je gebruikt dit woord bij het bewaren van eten in de koelkast.
aufbewahren
„aufbewahren“ betekent „bewaren“ en beschrijft hier het in de koelkast houden van de rest. Het staat als infinitief in „den Rest im Kühlschrank aufbewahren“. Een bruikbaar patroon is „etwas im Kühlschrank aufbewahren“.
Friere
„Friere“ betekent „vries in“ en is hier een directe instructie aan één persoon. Het is de gebiedende vorm van einfrieren. In „Friere ein paar Portionen ein“ staat het werkwoord aan het begin en wordt het door ein aan het einde aangevuld.
ein
„ein“ is hier het scheidbare partikel van einfrieren en draagt samen met Friere de betekenis „invriezen“. In „Friere ein paar Portionen ein“ staat het partikel aan het einde van de opdracht, na het object. Een bruikbaar patroon is een scheidbaar werkwoord waarbij het partikel achteraan staat.
paar
„paar“ betekent hier „een paar“ of „enkele“ en geeft een klein, niet precies bepaald aantal aan. In „ein paar Portionen“ bepaalt het de hoeveelheid porties. Je gebruikt ein paar + meervoud om een kleine hoeveelheid te benoemen.
Portionen
„Portionen“ betekent „porties“ en is het meervoud van Portion. In „ein paar Portionen“ gaat het om meerdere afzonderlijk verdeelde hoeveelheden eten. Je gebruikt Portionen bij voedsel dat per hoeveelheid wordt klaargemaakt of opgeslagen.
Beschrifte
„Beschrifte“ betekent „label“ of „schrijf een etiket op“ en is hier een directe instructie. Het is de gebiedende vorm van beschriften. In „Beschrifte jeden Behälter“ wordt aangegeven wat met elke voedselcontainer moet gebeuren.
Behälter
„Behälter“ betekent „bakje“ of „container“ en verwijst hier naar een houder voor een portie eten. In „jeden Behälter“ gaat het om iedere afzonderlijke houder. Je gebruikt Behälter voor voorwerpen waarin je iets bewaart of vervoert.
damit
„damit“ betekent „zodat“ en introduceert hier het doel van het labelen. In „damit die Auswahl leichter ist“ wordt uitgelegd welk voordeel de handeling heeft. Je gebruikt damit + bijzin om een doel of gewenst gevolg te formuleren.
die
„die“ is hier het bepaalde lidwoord bij Auswahl en verwijst naar de concrete selectie waaruit gekozen wordt. In „die Auswahl“ maakt het duidelijk dat het om deze keuze gaat. Je gebruikt het bepaalde lidwoord vóór een zelfstandig naamwoord dat als bekend of specifiek wordt voorgesteld.
Auswahl
„Auswahl“ betekent „keuze“ of „selectie“ en verwijst hier naar het kiezen tussen de gelabelde bakjes. In „die Auswahl leichter ist“ wordt gezegd dat die keuze gemakkelijker wordt. Je gebruikt Auswahl wanneer er meerdere mogelijkheden zijn waaruit iemand kiest.
leichter
„leichter“ betekent „gemakkelijker“ en vergelijkt de keuze met een eerdere, minder gemakkelijke situatie. Het is de vergrotende vorm van leicht. In „die Auswahl leichter ist“ beschrijft het het resultaat van duidelijke etiketten.
ist
„ist“ betekent „is“ en verbindt hier Auswahl met de eigenschap leichter. Het is een vorm van sein in de bijzin „damit die Auswahl leichter ist“. Je gebruikt ist om een toestand of eigenschap aan een onderwerp toe te schrijven.
brauche
„brauche“ betekent „heb nodig“ en is de vorm van brauchen bij Ich. In „Ich brauche zum Mittagessen ...“ benoemt spreker A wat nodig is voor de lunch. Een bruikbaar patroon is „Ich brauche ...“ om een concrete behoefte uit te drukken.
zum
„zum“ betekent hier „voor het“ en is de samentrekking van zu dem. In „zum Mittagessen“ geeft het aan dat iets voor de lunch bedoeld is. Je gebruikt zum + zelfstandig naamwoord om een doel, gelegenheid of eetmoment aan te duiden.
Mittagessen
„Mittagessen“ betekent „lunch“ en benoemt het eetmoment waarvoor iets nodig is. In „zum Mittagessen“ wordt het doel van het eten aangegeven. Je gebruikt Mittagessen bij het plannen of beschrijven van de middagmaaltijd.
auch
„auch“ betekent „ook“ en voegt een extra behoefte toe aan wat spreker A nodig heeft. In „auch etwas Ausgewogenes“ gaat het naast de al genoemde rijst om nog iets anders. Je gebruikt auch om aanvullende informatie of een extra element toe te voegen.
etwas
„etwas“ betekent „iets“ en verwijst hier naar een niet nader bepaald voedingsmiddel of gerecht. In „etwas Ausgewogenes“ wordt dat onbepaalde iets verder omschreven. Je gebruikt etwas wanneer het precieze voorwerp of de precieze hoeveelheid niet wordt genoemd.
Ausgewogenes
„Ausgewogenes“ betekent hier „iets gebalanceerds“ en verwijst naar voedsel dat als evenwichtig wordt beschouwd. Het is een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord, gevormd van ausgewogen. In „etwas Ausgewogenes“ beschrijft het wat voor soort eten de spreker voor de lunch nodig heeft.
nur
„nur“ betekent „alleen“ of „slechts“ en beperkt hier wat als lunch wordt genoemd. In „nicht nur Reis“ maakt het duidelijk dat rijst niet het enige onderdeel moet zijn. Een bruikbaar patroon is „nicht nur ...“ wanneer je aangeeft dat er meer nodig is.
Reis
„Reis“ betekent „rijst“ en benoemt het voedsel dat niet als enige lunchcomponent gewenst is. In „nicht nur Reis“ staat het na de beperking nur. Je gebruikt Reis om dit specifieke voedingsmiddel aan te duiden.
Füge
„Füge“ betekent „voeg toe“ en is hier een directe instructie. Het is de gebiedende vorm van hinzufügen. In „Füge Eier, Bohnen oder Hähnchen hinzu“ staat het object tussen het werkwoord en het scheidbare partikel hinzu.
Eier
„Eier“ betekent „eieren“ en noemt één van de mogelijke ingrediënten die aan de maaltijd kunnen worden toegevoegd. Het is het meervoud van Ei. In „Füge Eier, Bohnen oder Hähnchen hinzu“ staat het als een van drie alternatieven.
Bohnen
„Bohnen“ betekent „bonen“ en noemt een tweede mogelijke toevoeging aan de maaltijd. Het is het meervoud van Bohne. In „Eier, Bohnen oder Hähnchen“ maakt het deel uit van een reeks alternatieven.
oder
„oder“ betekent „of“ en verbindt hier drie mogelijke ingrediënten. In „Eier, Bohnen oder Hähnchen“ hoeft niet alles tegelijk gekozen te worden. Je gebruikt oder om alternatieven naast elkaar te zetten.
Hähnchen
„Hähnchen“ betekent „kip“ en noemt een derde mogelijk ingrediënt. In „Füge Eier, Bohnen oder Hähnchen hinzu“ staat het als alternatief naast eieren en bonen. Je gebruikt Hähnchen voor kip als voedingsmiddel.
hinzu
„hinzu“ betekent hier „toe“ of „eraan“ en is het scheidbare partikel van hinzufügen. Samen met Füge vormt het de instructie „Füge Eier, Bohnen oder Hähnchen hinzu“. Een bruikbaar patroon is „Füge ... hinzu“, met het toe te voegen object in het midden.
je nachdem
„je nachdem“ is een vaste uitdrukking die „afhankelijk van“ betekent. Binnen deze uitdrukking maakt je de keuze variabel en koppelt nachdem die keuze aan de omstandigheid die volgt. In „je nachdem, worauf du Lust hast“ hangt het gekozen ingrediënt af van waar iemand zin in heeft; dit patroon gebruik je om keuzes van een voorwaarde te laten afhangen.
worauf
„worauf“ betekent hier „waarop“ en verwijst in „worauf du Lust hast“ naar datgene waar iemand zin in heeft. Het hoort bij de uitdrukking Lust haben auf iets. Je gebruikt worauf in een vraag of bijzin over wat iemand graag wil eten of doen.
Lust
„Lust“ betekent hier „zin“ of „behoefte om iets te doen“ en maakt deel uit van de uitdrukking „worauf du Lust hast“. De betekenis komt uit de hele combinatie met haben en auf, niet uit Lust alleen. Je gebruikt Lust haben auf iets om een voorkeur of trek uit te drukken.
hast
„hast“ betekent „hebt“ en is hier onderdeel van de uitdrukking „Lust hast“, die betekent dat iemand ergens zin in heeft. Het is een vorm van haben. Een bruikbaar patroon is „Lust haben auf ...“ om naar iemands voorkeur te vragen of die te beschrijven.
Reste
„Reste“ betekent „restjes“ en is het meervoud van Rest. In „Wenn die Reste langweilig werden“ verwijst het naar het overgebleven bereide eten. Je gebruikt Reste voor voedsel dat na een eerdere maaltijd of bereiding over is.
langweilig
„langweilig“ betekent „saai“ en beschrijft hier hoe de restjes na herhaling kunnen aanvoelen. In „langweilig werden“ wordt dit een veranderende eigenschap van de restjes. Je gebruikt langweilig voor eten, activiteiten of situaties die weinig afwisseling of plezier bieden.
werden
„werden“ betekent hier „worden“ of „gaan aanvoelen als“ en beschrijft een verandering in de toestand van de restjes. In „die Reste langweilig werden“ staat het bij het onderwerp Reste. Een bruikbaar patroon is „iets wordt + bijvoeglijk naamwoord“ om een verandering te beschrijven.
kann
„kann“ betekent „kan“ en geeft hier de mogelijkheid aan om het bijgerecht te veranderen. Het is een vorm van können. In „kann ich die Beilage ändern“ staat kann samen met een infinitief; dit patroon gebruik je voor een mogelijkheid of beschikbare oplossing.
Beilage
„Beilage“ betekent „bijgerecht“ en verwijst naar het onderdeel dat naast het hoofdgerecht wordt geserveerd. In „die Beilage ändern“ is het bijgerecht het object dat kan worden aangepast. Je gebruikt Beilage bij rijst, groenten of andere aanvullingen op een maaltijd.
ändern
„ändern“ betekent „veranderen“ en beschrijft hier het aanpassen van het bijgerecht. Het staat als infinitief na kann in „kann ich die Beilage ändern“. Een bruikbaar patroon is „etwas ändern“ wanneer je een bestaand onderdeel aanpast.
Kleine
„Kleine“ betekent „kleine“ en beschrijft de beperkte omvang van de veranderingen. Het is de vorm van klein vóór Veränderungen in „Kleine Veränderungen“. Je gebruikt een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord om de omvang of aard ervan te beschrijven.
Veränderungen
„Veränderungen“ betekent „veranderingen“ en is het meervoud van Veränderung. In „Kleine Veränderungen machen vorbereitete Mahlzeiten angenehmer“ gaat het om kleine aanpassingen die de maaltijden verbeteren. Je gebruikt Veränderungen voor wijzigingen aan een bestaand plan, gerecht of situatie.
vorbereitete
„vorbereitete“ betekent „voorbereide“ en beschrijft hier maaltijden die al klaargemaakt zijn. Het hangt samen met het werkwoord vorbereiten en staat vóór Mahlzeiten in „vorbereitete Mahlzeiten“. Je gebruikt deze vorm om eten te benoemen dat vooraf voor later gebruik is klaargemaakt.
angenehmer
„angenehmer“ betekent „aangenamer“ en beschrijft het positieve effect van kleine veranderingen op de voorbereide maaltijden. Het is de vergrotende vorm van angenehm. In „machen vorbereitete Mahlzeiten angenehmer“ geeft het aan dat de maaltijden prettiger worden om te eten.