Gericht winkelen zonder extra aankopen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a shop, two adults keep a purchase focused on needed shoes and socks while avoiding an unnecessary jacket..

NL → DE / Niveau: B1

Over deze les

Met Gericht winkelen zonder extra aankopen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich bin wegen der Schuhe gekommen, aber die anderen ausgestellten Sachen lenken mich ab.

Iech bin weegen der sjoe-uh gekomen, aa-ber die an-deren aus-guh-sjtel-ten za-chen leng-ken miech ap. Ik kwam voor schoenen, maar de andere artikelen in de winkel leiden me af.
B

Beginne mit dem, wofür du gekommen bist, bevor du etwas anderes dazulegst.

Be-gin-uh mit deem, vo-fuur doe gekomen bist, be-voor doe et-vas an-de-res daa-tsoe-leekst. Begin met waarvoor je gekomen bent voordat je iets anders toevoegt.
A

Die Schuhe brauche ich, aber die Jacke ist nur verlockend.

Die sjoe-uh brau-chen iech, aa-ber die jak-uh ist noer fer-lok-kent. De schoenen heb ik nodig, maar het jasje is alleen maar verleidelijk.
B

Dann leg die Jacke erst einmal nicht in deinen Einkaufskorb.

Dan leek die jak-uh eerst aaïn-maal niecht in dai-nen ain-kaufskorp. Laat het jasje voorlopig uit je mandje.
A

Diese Socken würden zu den Schuhen passen und mein abgetragenes Paar ersetzen.

Die-zuh zok-ken vuur-den tsoe den sjoe-uh pas-sen oent main ap-ge-traa-gen-es paar er-zet-sen. Deze sokken zouden bij de schoenen passen en mijn versleten paar vervangen.
B

Sie passen besser zu deinem Plan als die Jacke.

Zie pas-sen bes-ser tsoe dai-num plaan als die jak-uh. Ze passen beter bij je plan dan het jasje.
A

Ich nehme die Schuhe und Socken und gehe dann raus.

Iech nee-muh die sjoe-uh oent zok-ken oent gee-uh dan raus. Ik neem de schoenen en sokken mee en ga dan weg.
B

So bleibt dein Einkauf zielgerichtet und praktisch.

Zoo blaibt dain ain-kauf tsiel-ge-riechtet oent prak-tiesj. Zo blijft je winkelbezoek doelgericht en praktisch.

Woord voor woord

Ich „Ich“ betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de spreker die naar de winkel is gekomen. Het is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud. Je gebruikt „Ich“ als onderwerp, bijvoorbeeld in „Ich bin gekommen“.
bin „bin“ betekent hier ‘ben’ en vormt samen met „gekommen“ de uitdrukking „Ich bin ... gekommen“: ‘ik ben gekomen’. De vorm hoort bij het werkwoord sein. Je gebruikt „bin“ bij „Ich“, bijvoorbeeld in „Ich bin müde“.
wegen „wegen“ betekent hier ‘vanwege’ of ‘voor’, namelijk met als doel schoenen te kopen. In „wegen der Schuhe“ geeft het aan waarvoor de spreker gekomen is. Je kunt „wegen“ gebruiken vóór de reden of aanleiding, zoals in „wegen des Wetters“ in een nieuw voorbeeld.
der „der“ is hier het bepaalde lidwoord bij „Schuhe“ in de woordgroep „wegen der Schuhe“. Het verwijst naar de specifieke schoenen waarvoor de spreker gekomen is. Het lidwoord hoort dus bij het zelfstandig naamwoord „Schuhe“, niet bij „wegen“ alleen.
Schuhe „Schuhe“ betekent hier ‘schoenen’, de artikelen waarvoor de spreker naar de winkel is gekomen. De vorm is het meervoud van het zelfstandig naamwoord Schuh. Je gebruikt „Schuhe“ als object of onderwerp, bijvoorbeeld in „Ich kaufe Schuhe“ in een nieuw voorbeeld.
gekommen „gekommen“ betekent hier ‘gekomen’ en beschrijft dat de spreker naar de winkel is gekomen. Het is de vorm die samen met „bin“ de voltooide uitdrukking „Ich bin wegen der Schuhe gekommen“ vormt. De bijbehorende infinitief is kommen; die gebruik je bijvoorbeeld in „Ich will kommen“ in een nieuw voorbeeld.
aber „aber“ betekent hier ‘maar’ en verbindt de reden van de komst met een tegenstelling: de spreker kwam voor schoenen, maar wordt door andere spullen afgeleid. Je gebruikt „aber“ om twee tegengestelde of onverwachte delen te verbinden, zoals in „Ich möchte kommen, aber ich habe keine Zeit“ in een nieuw voorbeeld.
die „die“ is hier het bepaalde lidwoord vóór „anderen ausgestellten Sachen“. Het verwijst naar specifieke andere spullen die in de winkel te zien zijn. In deze woordgroep hoort „die“ bij het meervoudige „Sachen“.
anderen „anderen“ betekent hier ‘andere’ en beschrijft de spullen die niet de bedoelde schoenen zijn. De vorm staat vóór „ausgestellten Sachen“ en past zich aan die woordgroep aan. Je kunt „anderen“ gebruiken vóór een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld in „die anderen Kunden“ in een nieuw voorbeeld.
ausgestellten „ausgestellten“ betekent hier ‘uitgestalde’ en beschrijft spullen die in de winkel tentoongesteld zijn. Het staat vóór „Sachen“ in „die anderen ausgestellten Sachen“. Je kunt hetzelfde patroon gebruiken met een ander zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld „die ausgestellten Produkte“ in een nieuw voorbeeld.
Sachen „Sachen“ betekent hier ‘dingen’ of ‘spullen’ en verwijst naar de andere uitgestalde artikelen in de winkel. De vorm is het meervoud van Sache. Je gebruikt „Sachen“ vaak voor concrete of algemene dingen, bijvoorbeeld in „Ich muss einige Sachen kaufen“ in een nieuw voorbeeld.
lenken „lenken“ betekent hier ‘afleiden’ in de constructie „lenken mich ab“. Het onderwerp „die anderen ausgestellten Sachen“ zorgt ervoor dat de aandacht van de spreker van het doel afgaat. Je kunt „jemanden ablenken“ gebruiken wanneer iets iemands aandacht wegtrekt.
mich „mich“ betekent hier ‘mij’ en is de persoon die wordt afgeleid in „lenken mich ab“. De vorm verwijst naar de spreker zelf. Je gebruikt „mich“ na een werkwoord wanneer de spreker het doelwit van de handeling is, bijvoorbeeld in „Das stört mich“ in een nieuw voorbeeld.
ab „ab“ is hier het afgescheiden deel van het werkwoord in „lenken mich ab“ en draagt bij aan de betekenis ‘afleiden’. In een hoofdzin staat dit deel achteraan, terwijl „lenken“ eerder in de zin staat. Het patroon is „jemanden ablenken“ of in een hoofdzin „etwas lenkt mich ab“.
Beginne „Beginne“ betekent hier ‘begin’ en is een directe aansporing aan één persoon. Het is de gebiedende vorm van beginnen in de zin „Beginne mit dem ...“. Je gebruikt „Beginne mit ...“ om iemand te zeggen waarmee die persoon moet starten.
mit „mit“ betekent hier ‘met’ en geeft aan waarmee de aangesprokene moet beginnen: „mit dem, wofür du gekommen bist“. Het voorzetsel verbindt de handeling met het startpunt. Je kunt „mit“ ook gebruiken in patronen als „mit der Arbeit beginnen“ in een nieuw voorbeeld.
dem „dem“ verwijst hier naar ‘datgene waarvoor’ de persoon gekomen is in „mit dem, wofür du gekommen bist“. Het maakt van de daaropvolgende omschrijving een zelfstandig bedoeld geheel. In deze constructie hoort „dem“ bij het voorzetsel „mit“.
wofür „wofür“ betekent hier ‘waarvoor’ en introduceert de omschrijving van het doel van de komst. In „wofür du gekommen bist“ verwijst het naar de schoenen uit de vorige zin. Je gebruikt „wofür“ om naar een doel of reden te vragen of ernaar te verwijzen.
du „du“ betekent hier ‘je’ en verwijst naar de persoon die advies krijgt over het winkelen. Het is het onderwerp van „gekommen bist“. Je gebruikt „du“ voor één aangesproken persoon in informele communicatie.
bist „bist“ betekent hier ‘bent’ en staat bij „du“ in „du gekommen bist“. Samen met „gekommen“ beschrijft het dat de aangesprokene gekomen is. De vorm hoort bij sein; bij „du“ gebruik je bijvoorbeeld „Du bist hier“ in een nieuw voorbeeld.
bevor „bevor“ betekent hier ‘voordat’ en geeft aan dat er eerst iets moet gebeuren voordat er iets anders wordt toegevoegd. Het leidt de bijzin „bevor du etwas anderes dazulegst“ in. Je gebruikt „bevor“ om twee handelingen in tijdsvolgorde te verbinden.
etwas „etwas“ betekent hier ‘iets’ en verwijst naar een nog niet bepaald ander artikel. Het is het object van „dazulegst“. Je gebruikt „etwas“ wanneer je niet specificeert wat het precies is, zoals in „Ich möchte etwas kaufen“ in een nieuw voorbeeld.
anderes „anderes“ betekent hier ‘iets anders’ en maakt duidelijk dat het om een ander artikel dan het oorspronkelijke doel gaat. Samen met „etwas“ vormt het „etwas anderes“. Je gebruikt deze combinatie vóór of als verwijzing naar een niet nader genoemd alternatief.
dazulegst „dazulegst“ betekent hier ‘erbij legt’ of ‘toevoegt’ aan de inhoud van de winkelmand. Het is de vorm van dazulegen bij „du“ en staat in de bijzin als één geheel. Het herbruikbare patroon is „etwas dazulegen“, wanneer je iets aan een bestaande verzameling toevoegt.
brauche „brauche“ betekent hier ‘nodig heb’ in „Die Schuhe brauche ich“. De schoenen staan vooraan ter nadruk, terwijl „ich“ de persoon is die ze nodig heeft. De infinitief is brauchen; je kunt bijvoorbeeld zeggen „Ich brauche neue Schuhe“ in een nieuw voorbeeld.
Jacke „Jacke“ betekent hier ‘jas’ en verwijst naar het kledingstuk dat verleidelijk maar niet noodzakelijk is. Het woord staat in „die Jacke“ met het bepaalde lidwoord. Je gebruikt „Jacke“ voor een jas als kledingstuk, bijvoorbeeld in „Die Jacke ist warm“ in een nieuw voorbeeld.
ist „ist“ betekent hier ‘is’ en verbindt „die Jacke“ met de beschrijving „nur verlockend“. Het is de vorm van sein bij een derde persoon enkelvoud. Je gebruikt „ist“ om een persoon of zaak te beschrijven, zoals in „Die Jacke ist teuer“ in een nieuw voorbeeld.
nur „nur“ betekent hier ‘alleen maar’ en beperkt de beoordeling van de jas: hij is verleidelijk, maar wordt niet als noodzakelijk beschreven. Het staat direct vóór „verlockend“. Je gebruikt „nur“ om een eigenschap of hoeveelheid te beperken, bijvoorbeeld in „Das ist nur ein Beispiel“ in een nieuw voorbeeld.
verlockend „verlockend“ betekent hier ‘verleidelijk’ en beschrijft de aantrekkingskracht van de jas. In „Die Jacke ist nur verlockend“ staat het als beschrijving na „ist“. Je kunt „verlockend“ gebruiken voor iets dat iemand tot een keuze of aankoop kan aanzetten.
Dann „Dann“ betekent hier ‘dan’ en geeft het gevolg aan van wat eerder is gezegd: als de jas alleen verleidelijk is, moet hij buiten de mand blijven. Het staat aan het begin van de aansporing „Dann leg ...“. Je gebruikt „dann“ om een volgende stap of gevolg aan te kondigen.
leg „leg“ betekent hier ‘leg’ en is een aansporing om de jas niet in de winkelmand te plaatsen. Het is de gebiedende vorm in „leg die Jacke ... nicht in deinen Einkaufskorb“. Je gebruikt „leg“ met een object en vaak met een plaatsaanduiding, bijvoorbeeld „Leg das Buch auf den Tisch“ in een nieuw voorbeeld.
erst „erst“ maakt hier deel uit van de combinatie „erst einmal“, die in deze zin betekent dat iets voorlopig zo moet blijven. Het helpt de tijdelijke beperking van de aankoop uit te drukken. Leer „erst einmal“ als geheel wanneer je bedoelt: voorlopig of voor nu.
einmal „einmal“ maakt hier samen met „erst“ de combinatie „erst einmal“ en betekent in deze context niet letterlijk ‘eenmaal’, maar ‘voorlopig’ of ‘voor nu’. De combinatie verzacht de tijdelijke instructie over de jas. Je kunt „erst einmal“ gebruiken om een beslissing of handeling voorlopig te maken.
nicht „nicht“ betekent hier ‘niet’ en ontkent dat de jas in de winkelmand wordt gelegd. Het staat vóór de plaatsbepaling „in deinen Einkaufskorb“. Je gebruikt „nicht“ om een handeling of beschrijving te ontkennen, zoals in „Ich kaufe das nicht“ in een nieuw voorbeeld.
in „in“ betekent hier ‘in’ en geeft de richting naar de binnenkant van de winkelmand aan in „in deinen Einkaufskorb“. Bij „legen“ beschrijft de woordgroep dus waar de jas terecht zou komen. Je gebruikt „in“ met een plaats of bestemming, bijvoorbeeld in „in die Tasche legen“ in een nieuw voorbeeld.
deinen „deinen“ betekent hier ‘jouw’ en hoort bij „Einkaufskorb“ in „in deinen Einkaufskorb“. De vorm past bij het mannelijke zelfstandig naamwoord in deze richtingsconstructie. Je gebruikt „deinen“ vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld in „deinen Mantel“ in een nieuw voorbeeld.
Einkaufskorb „Einkaufskorb“ betekent hier ‘winkelmandje’ en is de plaats waar de jas voorlopig niet in moet worden gelegd. Het is een samenstelling van Einkauf en Korb. Je kunt „Einkaufskorb“ gebruiken met werkwoorden als „legen“ of „nehmen“, bijvoorbeeld in „Ich nehme den Einkaufskorb“ in een nieuw voorbeeld.
Diese „Diese“ betekent hier ‘deze’ en wijst naar de sokken die de spreker op dat moment bekijkt. Het staat direct vóór „Socken“. Je gebruikt „diese“ om iets specifieks in de buurt of in de actuele situatie aan te wijzen.
Socken „Socken“ betekent hier ‘sokken’ en verwijst naar het paar dat bij de schoenen past en een versleten paar kan vervangen. De vorm is het meervoud van Socke. Je gebruikt „Socken“ bijvoorbeeld in „Ich brauche neue Socken“ in een nieuw voorbeeld.
würden „würden“ betekent hier ‘zouden’ en maakt de uitspraak over de sokken voorwaardelijk of voorzichtig: ze zouden bij de schoenen passen en het oude paar vervangen. Het staat samen met de infinitieven „passen“ en „ersetzen“. Je kunt „würden“ gebruiken om een mogelijke beoordeling of keuze uit te drukken.
zu „zu“ betekent hier ‘bij’ in de combinatie „zu den Schuhen passen“. Het geeft aan waarmee de sokken qua combinatie of geschiktheid overeenkomen. Je gebruikt „zu ... passen“ voor kleding of andere dingen die goed bij elkaar horen.
den „den“ is hier het bepaalde lidwoord in „zu den Schuhen“. Het verwijst naar de specifieke schoenen die eerder zijn genoemd. Na „zu“ staat het lidwoord in deze meervoudige woordgroep in de vorm „den“.
passen „passen“ betekent hier ‘passen bij’ en beschrijft de relatie tussen de sokken en de schoenen in „würden zu den Schuhen passen“. Het werkwoord wordt gebruikt met „zu“ voor het bij elkaar passen van dingen. Het patroon is „etwas passt zu etwas“, bijvoorbeeld „Die Farbe passt zu dem Kleid“ in een nieuw voorbeeld.
und „und“ betekent hier ‘en’ en verbindt twee eigenschappen of handelingen van de sokken: ze passen bij de schoenen en vervangen het oude paar. Het verbindt „passen“ met „ersetzen“. Je gebruikt „und“ om gelijkwaardige informatie of handelingen samen te voegen.
mein „mein“ betekent hier ‘mijn’ en verwijst naar het paar dat van de spreker is. Het staat vóór „abgetragenes Paar“. Je gebruikt „mein“ om bezit of betrokkenheid van de spreker aan te geven, bijvoorbeeld in „mein Mantel“ in een nieuw voorbeeld.
abgetragenes „abgetragenes“ betekent hier ‘versleten’ en beschrijft het paar sokken dat niet meer in goede staat is. Het staat vóór „Paar“ in „mein abgetragenes Paar“. Je kunt „abgetragenes“ gebruiken om kleding of een ander voorwerp als door gebruik versleten te beschrijven.
Paar „Paar“ betekent hier ‘paar’ en verwijst naar het oude paar sokken. Het zelfstandig naamwoord maakt duidelijk dat het om twee bij elkaar horende sokken gaat. Je kunt „ein Paar“ gebruiken met kledingstukken die normaal samen worden gebruikt, zoals in „ein Paar Schuhe“ in een nieuw voorbeeld.
ersetzen „ersetzen“ betekent hier ‘vervangen’ en beschrijft wat de nieuwe sokken met het versleten paar zouden doen. Het staat als infinitief naast „passen“ na „würden“. Je gebruikt „etwas ersetzen“ wanneer iets de plaats van iets anders inneemt.
Sie „Sie“ betekent hier ‘ze’ en verwijst naar „Diese Socken“. Het is dus een meervoudig persoonlijk voornaamwoord voor de sokken, niet de formele aanspreekvorm. Je gebruikt „Sie“ in deze betekenis als onderwerp wanneer het eerder genoemde meervoudige zaken of personen betreft.
besser „besser“ betekent hier ‘beter’ en vergelijkt hoe goed de sokken bij het plan passen met hoe goed de jas daarbij past. Het staat in de vergelijking „besser ... als“. Je gebruikt „besser ... als“ om twee mogelijkheden met elkaar te vergelijken.
deinem „deinem“ betekent hier ‘jouw’ en hoort bij „Plan“ in „zu deinem Plan“. De vorm past bij de woordgroep na „zu“. Je gebruikt „deinem“ vóór een mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord in deze vorm, bijvoorbeeld in „zu deinem Ziel“ in een nieuw voorbeeld.
Plan „Plan“ betekent hier ‘plan’ en verwijst naar het voornemen om gericht alleen de nodige spullen te kopen. In „zu deinem Plan“ is het het doel of voornemen waarmee de sokken beter overeenkomen. Je kunt „Plan“ gebruiken voor een voorgenomen aanpak, bijvoorbeeld in „Das ist mein Plan“ in een nieuw voorbeeld.
als „als“ betekent hier ‘dan’ en vormt samen met „besser“ de vergelijking „besser ... als die Jacke“. Het introduceert de tweede mogelijkheid waarmee de sokken worden vergeleken. Je gebruikt „als“ na een vergelijkingswoord zoals „besser“.
nehme „nehme“ betekent hier ‘neem’ en beschrijft de keuze van de spreker om de schoenen en sokken mee te nemen. Het is de vorm bij „ich“ in „Ich nehme die Schuhe und Socken“. De infinitief is nehmen; je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld in „Ich nehme den Bus“ in een nieuw voorbeeld.
gehe „gehe“ betekent hier ‘ga’ en beschrijft dat de spreker na de aankoop vertrekt. Het staat bij „ich“ in „Ich ... gehe dann raus“. De infinitief is gehen; je gebruikt „gehe“ bij „ich“ om een beweging of vertrek aan te geven.
raus „raus“ betekent hier ‘naar buiten’ en geeft aan dat de spreker de winkel verlaat. Samen met „gehe“ vormt het de alledaagse uitdrukking „gehe dann raus“. Je gebruikt „raus“ in informele taal voor een beweging van binnen naar buiten.
So „So“ betekent hier ‘zo’ en verwijst naar de gekozen manier van winkelen: alleen de schoenen en sokken nemen en daarna vertrekken. Aan het begin van „So bleibt dein Einkauf ...“ leidt het een gevolg in. Je gebruikt „so“ om naar een manier of resultaat te verwijzen.
bleibt „bleibt“ betekent hier ‘blijft’ en beschrijft dat de aankoop doelgericht en praktisch blijft. Het staat bij „dein Einkauf“ in „So bleibt dein Einkauf zielgerichtet und praktisch“. De vorm hoort bij bleiben; je gebruikt dit werkwoord wanneer iets in een bepaalde toestand blijft.
dein „dein“ betekent hier ‘jouw’ en hoort bij „Einkauf“ in „dein Einkauf“. Het verwijst naar de winkeltrip of aankoop van de aangesprokene. Je gebruikt „dein“ vóór een zelfstandig naamwoord om bezit of betrokkenheid van de aangesprokene aan te geven.
Einkauf „Einkauf“ betekent hier ‘winkelbezoek’ of ‘aankoop’ en verwijst naar het geheel van deze gerichte winkelactie. In „dein Einkauf“ gaat het om wat de aangesprokene tijdens het winkelen koopt. Je kunt „Einkauf“ gebruiken voor een aankoop of het boodschappen doen, afhankelijk van de context.
zielgerichtet „zielgerichtet“ betekent hier ‘doelgericht’ en beschrijft een winkelactie die bij het vooraf bepaalde doel blijft. Het staat als beschrijving bij „dein Einkauf“. Je kunt „zielgerichtet“ gebruiken voor een handeling die consequent op een duidelijk doel is gericht.
praktisch „praktisch“ betekent hier ‘praktisch’ en beschrijft de aankoop als nuttig en gericht op wat nodig is. Het staat naast „zielgerichtet“ in „zielgerichtet und praktisch“. Je kunt „praktisch“ gebruiken voor een keuze die bruikbaar is en geen onnodige extra's bevat.

Grammatica

ablenken → lenkt ... ab

Das lenkt ab.

Das lengkt ap.

Dat leidt af.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel aan het einde van de hoofdzin.

wofür + Verb

Wofür brauche ich Schuhe?

Vo-fuur brau-che iech sjoe-uh?

Waarvoor heb ik schoenen nodig?

Wofür betekent ‘waarvoor’ en vraagt naar het doel of nut van iets.

Duits woordenschat

ablenken werkwoord
ap-leng-ken afleiden lenken ... ab

die anderen ausgestellten Sachen lenken mich ab

ausgestellt bijvoeglijk naamwoord
aus-guh-sjtelt tentoongesteld ausgestellten

die anderen ausgestellten Sachen

beginnen werkwoord
be-gin-nen beginnen Beginne

Beginne mit dem, wofür du gekommen bist.

brauchen werkwoord
brau-chen nodig hebben brauche

Die Schuhe brauche ich.

dazulegen werkwoord
daa-tsoe-lee-gen erbij leggen; toevoegen dazulegst

bevor du etwas anderes dazulegst

erst einmal bijwoord
eerst aaïn-maal voorlopig; eerst maar eens

Dann leg die Jacke erst einmal nicht in deinen Einkaufskorb.

kommen werkwoord
kom-men komen gekommen

Ich bin wegen der Schuhe gekommen.

Sache zelfstandig naamwoord
za-che zaak; ding Sachen

die anderen ausgestellten Sachen

Schuh zelfstandig naamwoord
sjoe schoen Schuhe

Ich bin wegen der Schuhe gekommen.

verlockend bijvoeglijk naamwoord
fer-lok-kent verleidelijk

die Jacke ist nur verlockend

wegen voorzetsel
wee-gen vanwege

Ich bin wegen der Schuhe gekommen.

wofür voornaamwoord
vo-fuur waarvoor

Beginne mit dem, wofür du gekommen bist.

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

erbij leggen; toevoegen

Antwoord tonendazulegst

beginnen

Antwoord tonenBeginne

vanwege

Antwoord tonenwegen

schoen

Antwoord tonenSchuhe