Mein
In «Mein Zug» betekent «Mein» dat de trein van de spreker is: ‘mijn’. Het is de bezittelijke vorm die hier vóór «Zug» staat; hetzelfde patroon gebruik je vóór een zelfstandig naamwoord dat je bezit of waarmee je verbonden bent.
Zug
In «Mein Zug» betekent «Zug» ‘trein’. Het woord verwijst hier naar de trein die de reiziger zou nemen. Je gebruikt het bij reizen per spoor, bijvoorbeeld wanneer je over een trein of treinrit spreekt.
wurde
In «wurde gestrichen» geeft «wurde» aan dat de annulering in het verleden plaatsvond. Het is een vorm die bij «werden» hoort en vormt hier samen met «gestrichen» de passieve uitdrukking ‘werd geannuleerd’.
gestrichen
In «Mein Zug wurde gestrichen» betekent «gestrichen» dat de trein geannuleerd is. Deze vorm hoort bij «streichen» en staat hier samen met «wurde» in de uitdrukking voor een geannuleerde trein.
Ich
In «Ich muss bald» betekent «Ich» ‘ik’, de persoon die over zijn eigen reis praat. De vorm staat als onderwerp vóór het werkwoord. Je gebruikt «Ich» wanneer je iets over jezelf zegt of vraagt.
muss
In «Ich muss bald einen Anschlusszug erreichen» betekent «muss» dat de spreker iets nodig heeft of verplicht is te doen. Het is een vorm van «müssen» en staat bij «Ich» vóór de rest van de zin. Met «Ich muss» geef je een noodzakelijke handeling aan.
bald
In «Ich muss bald» betekent «bald» ‘binnenkort’. Het geeft aan dat de aansluiting in korte tijd bereikt moet worden. Je gebruikt het vóór of bij een handeling die niet lang meer op zich laat wachten.
einen
In «einen Anschlusszug» betekent «einen» ‘een’ of ‘één’. Deze vorm staat vóór «Anschlusszug» in de rol van het doel van «erreichen». Je gebruikt dit lidwoordpatroon om naar één niet nader bepaalde trein te verwijzen.
Anschlusszug
In «einen Anschlusszug erreichen» betekent «Anschlusszug» ‘aansluitende trein’: de trein die je na een andere trein moet halen. Het woord is opgebouwd rond een treinverbinding. Je gebruikt het wanneer je over een overstap of verdere treinreis praat.
erreichen
In «einen Anschlusszug erreichen» betekent «erreichen» hier ‘halen’ of ‘bereiken’. Het gaat niet alleen om bij de trein komen, maar om op tijd zijn om hem te nemen. Je gebruikt het met het doel dat je wilt bereiken, zoals «einen Anschlusszug».
kann
In «Ich kann Ihnen helfen» betekent «kann» dat de medewerker in staat is om te helpen. Het is een vorm van «können» en staat bij «Ich». Met «Ich kann» bied je hulp of geef je een mogelijkheid aan.
Ihnen
In «Ich kann Ihnen helfen» betekent «Ihnen» ‘u’ als formele aangesproken persoon die hulp ontvangt. Deze vorm hoort bij de formele aanspreekvorm «Sie» en staat bij «helfen». Je gebruikt haar in beleefde gesprekken met bijvoorbeeld personeel of onbekenden.
helfen
In «Ihnen helfen» betekent «helfen» ‘helpen’. De medewerker biedt aan de reiziger bij het vinden van een route te helpen. Je gebruikt het met de persoon die hulp krijgt, zoals in «Ihnen helfen».
eine
In «eine andere Verbindung» betekent «eine» ‘een’. Het staat vóór «Verbindung» en introduceert één mogelijke route. Je gebruikt deze vorm wanneer je naar één niet nader bepaalde mogelijkheid verwijst.
andere
In «eine andere Verbindung» betekent «andere» ‘andere’ of ‘een andere’. Het maakt duidelijk dat de medewerker een route voorstelt die niet de oorspronkelijke verbinding is. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord om een alternatief aan te duiden.
Verbindung
In «eine andere Verbindung zu finden» betekent «Verbindung» hier ‘verbinding’ of ‘route’, dus een mogelijke manier om verder te reizen. In deze context gaat het om een treinverbinding na de geannuleerde trein. Je gebruikt het bij het bespreken van overstappen en reismogelijkheden.
zu
In «zu finden» markeert «zu» het werkwoord dat hoort bij «helfen»: helpen om te vinden. Het staat direct vóór «finden». Je gebruikt deze combinatie wanneer iemand hulp biedt bij een handeling.
finden
In «eine andere Verbindung zu finden» betekent «finden» ‘vinden’. De medewerker wil samen met de reiziger een andere reismogelijkheid vinden. Je gebruikt het met datgene waarnaar je zoekt, hier «eine andere Verbindung».
Auf
In «Auf der Anzeigetafel» betekent «Auf» ‘op’ en geeft het de plaats aan waar de informatie staat. Het hoort hier bij «der Anzeigetafel». Je gebruikt «auf» met een oppervlak of plaats waarop iets zichtbaar of aanwezig is.
der
In «der Anzeigetafel» is «der» het bepaalde lidwoord bij «Anzeigetafel», dus ‘de’. Het hoort bij de plaatsaanduiding «Auf der Anzeigetafel». Je gebruikt het hier om naar het specifieke informatiebord op het station te verwijzen.
Anzeigetafel
In «Auf der Anzeigetafel» betekent «Anzeigetafel» ‘informatiebord’ of ‘displaybord’. Het is het bord waarop de trein- en vertrekgegevens worden weergegeven. Je gebruikt het woord in een station wanneer je naar de zichtbare reisinformatie verwijst.
steht
In «Auf der Anzeigetafel steht» betekent «steht» dat er bepaalde informatie op het bord vermeld staat. Het betekent hier dus niet letterlijk dat iets rechtop staat. Je gebruikt het met geschreven of weergegeven informatie, zoals in «dass ein Expresszug ... abfährt».
dass
In «steht, dass ein Expresszug ... abfährt» betekent «dass» ‘dat’ en leidt het de informatie in die op het bord staat. Het verbindt «steht» met de volledige mededeling over de express trein. Je gebruikt «dass» om een bericht, gedachte of vaststelling verder te vertellen.
ein
In «ein Expresszug» betekent «ein» ‘een’. Het introduceert de express trein die volgens het bord vertrekt. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord wanneer het om één niet nader bepaalde persoon of zaak gaat.
Expresszug
In «ein Expresszug» betekent «Expresszug» ‘express trein’. Het verwijst naar de trein die als alternatief op het informatiebord wordt genoemd. Je gebruikt het bij een trein die als express wordt aangeduid.
von
In «von einem anderen Bahnsteig abfährt» betekent «von» ‘vanaf’ of ‘van’. Het geeft het vertrekpunt van de trein aan. Je gebruikt «von» hier vóór de plaats waarvan iets vertrekt.
einem
In «von einem anderen Bahnsteig» betekent «einem» ‘een’ en hoort het bij «Bahnsteig». De vorm staat na «von» om het vertrekpunt te benoemen. Je gebruikt deze combinatie om vanaf één niet nader bepaald perron te spreken.
anderen
In «einem anderen Bahnsteig» betekent «anderen» ‘ander’ of ‘een ander’. Het maakt duidelijk dat het perron verschilt van het eerder verwachte perron. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord om een alternatief aan te duiden.
Bahnsteig
In «einem anderen Bahnsteig» betekent «Bahnsteig» ‘perron’. Het is de plaats waarvan de genoemde trein vertrekt. Je gebruikt het bij aanwijzingen op een station, bijvoorbeeld wanneer je naar een perron moet gaan.
abfährt
In «ein Expresszug ... abfährt» betekent «abfährt» ‘vertrekt’. Het is een vorm van «abfahren» en beschrijft hier het vertrek van de trein vanaf een perron. Je gebruikt «abfahren» bij treinen, bussen of andere vervoermiddelen die vertrekken.
Das
In «Das könnte funktionieren» verwijst «Das» naar de voorgestelde andere verbinding en betekent het ‘dat’. Het neemt de vooraf genoemde mogelijkheid als geheel op. Je gebruikt «Das» zo om op een voorstel of situatie te reageren.
könnte
In «Das könnte funktionieren» maakt «könnte» de uitspraak voorzichtig: ‘dat zou kunnen werken’. Het is een vorm van «können» en geeft hier een mogelijkheid aan, geen zekerheid. Je gebruikt deze vorm wanneer je een voorstel of uitkomst voorlopig inschat.
funktionieren
In «Das könnte funktionieren» betekent «funktionieren» ‘werken’ of ‘lukken’. Het gaat hier om de vraag of de voorgestelde route praktisch bruikbaar is. Je gebruikt het met een plan, oplossing of regeling waarvan je het resultaat beoordeelt.
aber
In «aber ich prüfe» betekent «aber» ‘maar’. Het verbindt de mogelijke oplossing met de beperking dat de medewerker eerst het ticket controleert. Je gebruikt het om een tegenstelling of aanvulling in te leiden.
prüfe
In «ich prüfe» betekent «prüfe» ‘ik controleer’. Het is een vorm van «prüfen» bij «ich» en beschrijft de handeling die de medewerker nu uitvoert. Je gebruikt het met datgene waarvan je de geldigheid of juistheid nagaat.
ob
In «prüfe, ob Ihr Ticket dafür gültig ist» betekent «ob» ‘of’ in de betekenis van ‘of iets wel of niet het geval is’. Het leidt de vraag in die de medewerker controleert. Je gebruikt «ob» bij een indirecte ja-neevraag.
Ihr
In «Ihr Ticket» betekent «Ihr» ‘uw’ en verwijst het naar het ticket van de formeel aangesproken reiziger. De hoofdletter hoort bij de formele aanspreekvorm. Je gebruikt deze bezittelijke vorm in beleefde gesprekken met één persoon die je met «Sie» aanspreekt.
Ticket
In «Ihr Ticket» betekent «Ticket» ‘ticket’ of ‘kaartje’. Het verwijst hier naar het vervoersbewijs waarvan de geldigheid wordt gecontroleerd. Je gebruikt het bij een vervoersbewijs voor een reis.
dafür
In «dafür gültig» betekent «dafür» ‘daarvoor’ of ‘voor die verbinding’. Het verwijst naar de eerder genoemde alternatieve trein of route. Je gebruikt «dafür» om terug te verwijzen naar een eerder besproken doel of gebruik.
gültig
In «Ihr Ticket dafür gültig ist» betekent «gültig» ‘geldig’. Het beschrijft of het ticket voor de voorgestelde verbinding gebruikt mag worden. Je gebruikt het bij tickets, documenten of regels die wel of niet van toepassing zijn.
ist
In «Ihr Ticket dafür gültig ist» betekent «ist» ‘is’. Het verbindt «Ihr Ticket» met de eigenschap «gültig». Het is een vorm van «sein» en wordt hier gebruikt in de indirecte vraag na «ob».
Soll
In «Soll ich dieses Ticket weiter benutzen?» vraagt «Soll» of de spreker iets moet of behoort te doen. Het is een vorm van «sollen» en leidt hier een beleefde vraag om advies in. Je gebruikt «Soll ich» wanneer je wilt weten welke handeling verstandig of gewenst is.
dieses
In «dieses Ticket» betekent «dieses» ‘dit’. Het wijst naar het ticket dat de reiziger al heeft. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord om iets specifieks in de huidige situatie aan te wijzen.
weiter
In «weiter benutzen» betekent «weiter» ‘verder’ of ‘blijven’. Het geeft aan dat het gebruik van hetzelfde ticket wordt voortgezet. Je gebruikt het vóór een werkwoord wanneer een handeling doorgaat.
benutzen
In «dieses Ticket weiter benutzen» betekent «benutzen» ‘gebruiken’. De reiziger vraagt of hij hetzelfde ticket mag blijven gebruiken. Je gebruikt het met het voorwerp dat je gebruikt, hier «dieses Ticket».
oder
In «weiter benutzen oder ein neues holen» betekent «oder» ‘of’. Het verbindt de twee mogelijkheden waaruit de reiziger moet kiezen. Je gebruikt het om alternatieven naast elkaar te zetten.
neues
In «ein neues holen» betekent «neues» ‘een nieuw exemplaar’ en verwijst het terug naar «Ticket». Het zelfstandig naamwoord wordt hier niet opnieuw genoemd, maar de betekenis blijft duidelijk uit de context. Je gebruikt zo’n vorm wanneer het eerder genoemde voorwerp niet herhaald hoeft te worden.
holen
In «ein neues holen» betekent «holen» ‘halen’ of ‘bemachtigen’. De reiziger vraagt of hij een nieuw ticket moet halen. Je gebruikt het met het voorwerp dat je ergens gaat verkrijgen, hier «ein neues».
Sie
In «Sie können dieses Ticket benutzen» betekent «Sie» ‘u’ als formele aanspreekvorm. Het is hier het onderwerp van de mededeling van de medewerker. Je gebruikt «Sie» in beleefde gesprekken met onbekenden, personeel of klanten.
können
In «Sie können dieses Ticket benutzen» betekent «können» ‘kunnen’ of ‘mogen’. De medewerker geeft aan dat de reiziger het ticket mag gebruiken. Het is de vorm die bij «Sie» hoort; je gebruikt haar om mogelijkheid of toestemming uit te drukken.
weil
In «weil Ihr ursprünglicher Zug gestrichen wurde» betekent «weil» ‘omdat’. Het introduceert de reden waarom het ticket gebruikt mag worden. Je gebruikt «weil» om een oorzaak of motivering aan een mededeling toe te voegen.
ursprünglicher
In «Ihr ursprünglicher Zug» betekent «ursprünglicher» ‘oorspronkelijke’. Het maakt duidelijk dat het om de trein gaat die de reiziger oorspronkelijk zou nemen. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord om de eerste of aanvankelijke optie te onderscheiden van een alternatief.
Schaffe
In «Schaffe ich am nächsten Bahnhof noch meinen Anschluss?» betekent «Schaffe» hier ‘haal ik’ of ‘red ik het om te halen’. Het is een vorm van «schaffen» in een vraag over het op tijd bereiken van een aansluiting. Je gebruikt «schaffen» in deze betekenis met een doel dat op tijd bereikt moet worden.
am
In «am nächsten Bahnhof» betekent «am» ‘bij het’ of ‘op het’. Het is de vaste samentrekking van «an dem» en geeft de plaats van de aansluiting aan. Je gebruikt «am» vóór een plaatsaanduiding zoals «nächsten Bahnhof».
nächsten
In «am nächsten Bahnhof» betekent «nächsten» ‘volgende’. Het bepaalt welk station bedoeld wordt: het station dat na het huidige komt. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je naar het daaropvolgende punt of moment verwijst.
Bahnhof
In «am nächsten Bahnhof» betekent «Bahnhof» ‘station’. Het verwijst hier naar de plaats waar de reiziger zijn aansluiting moet halen. Je gebruikt het bij treinreizen en andere situaties rond een spoorwegstation.
noch
In «Schaffe ich ... noch meinen Anschluss?» betekent «noch» ‘nog’ of ‘alsnog’. De reiziger vraagt of de aansluiting ondanks de vertraging nog gehaald kan worden. Je gebruikt het wanneer een mogelijkheid tot op dat moment blijft bestaan.
meinen
In «meinen Anschluss» betekent «meinen» ‘mijn’. Het verwijst naar de aansluiting van de spreker. Deze vorm hoort hier vóór «Anschluss» en past bij het voorwerp van «schaffen».
Anschluss
In «meinen Anschluss» betekent «Anschluss» ‘aansluiting’, dus de verdere trein die de reiziger moet halen. Het woord verwijst hier naar de geplande overstap. Je gebruikt het bij een verbinding die je na een eerdere trein of reis moet nemen.
sollte
In «Das sollte klappen» betekent «sollte» ‘zou moeten’ en drukt het een voorzichtige verwachting uit. Het is een vorm van «sollen» en betekent hier niet dat iemand een bevel krijgt. Je gebruikt het om aan te geven dat iets volgens de omstandigheden waarschijnlijk lukt.
klappen
In «Das sollte klappen» betekent «klappen» ‘lukken’ of ‘goed uitpakken’. Het verwijst naar het halen van de aansluiting. Je gebruikt het met een plan of verloop wanneer je zegt dat iets waarschijnlijk zal lukken.
gehen
In «gehen Sie jetzt zum Bahnsteig» betekent «gehen» ‘gaan’. De medewerker geeft de reiziger de opdracht om naar het perron te gaan. In combinatie met «Sie» vormt het een formele aanwijzing.
jetzt
In «gehen Sie jetzt» betekent «jetzt» ‘nu’. Het geeft aan dat de reiziger meteen naar het perron moet gaan. Je gebruikt het om het moment van een handeling duidelijk te maken.
zum
In «zum Bahnsteig» betekent «zum» ‘naar het’. Het is de samentrekking van «zu dem» en geeft de bestemming van de beweging aan. Je gebruikt «zum» vóór een mannelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord wanneer iemand ergens naartoe gaat.
und
In «gehen Sie jetzt zum Bahnsteig und prüfen Sie es» betekent «und» ‘en’. Het verbindt twee aanwijzingen: naar het perron gaan en daarna opnieuw controleren. Je gebruikt het om handelingen of mededelingen aan elkaar te koppelen.
prüfen
In «prüfen Sie es noch einmal» betekent «prüfen» ‘controleren’. Hier staat het in een formele opdracht aan de reiziger om de informatie opnieuw na te gaan. Je gebruikt het met datgene wat je controleert, hier «es».
es
In «prüfen Sie es noch einmal» verwijst «es» naar de kwestie die opnieuw gecontroleerd moet worden, namelijk of de aansluiting nog lukt. Het voorkomt dat die hele kwestie wordt herhaald. Je gebruikt zo’n voornaamwoord om naar een eerder genoemde situatie of informatie terug te verwijzen.
einmal
In «noch einmal» draagt «einmal» de betekenis ‘een keer’ bij. Samen betekent de uitdrukking hier ‘opnieuw’ of ‘nog een keer’. Je gebruikt deze combinatie wanneer een handeling herhaald moet worden.
wenn
In «wenn Sie ankommen» betekent «wenn» ‘wanneer’ of ‘als’. Het leidt het moment in waarop de reiziger de informatie opnieuw moet controleren. Je gebruikt «wenn» om een tijdstip of voorwaarde bij een handeling te noemen.
ankommen
In «wenn Sie ankommen» betekent «ankommen» ‘aankomen’. Het verwijst naar het moment waarop de reiziger op het volgende station arriveert. Je gebruikt het bij het bereiken van een bestemming, zoals een station of andere plaats.