Een toegankelijke route naar het perron vragen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: At a station, a traveler asks staff for an accessible route to the platform because the closest elevator is closed..

NL → DE / Niveau: B1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Een toegankelijke route naar het perron vragen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Entschuldigung, gibt es einen barrierefreien Weg zum richtigen Bahnsteig?

ent-sjoel-die-goeng, gipt es aj-nen ba-rie-e-ren-fraaj-en week tsoem rieg-tie-gen baan-sjtajk? Pardon, is er een toegankelijke route naar het juiste perron?
B

Der nächstgelegene Aufzug ist im Moment wegen Wartungsarbeiten geschlossen.

deer nechst-gelee-ge-ne auf-tsoek is im mo-ment wee-gen var-toengs-ar-baj-ten ge-sjlos-sen. De dichtstbijzijnde lift is momenteel gesloten wegens onderhoud.
A

Das könnte mit meinem schweren Koffer schwierig sein.

das keun-te mit maj-nem sjwee-ren kof-fer sjwie-riech zajn. Dat kan lastig zijn met mijn zware koffer.
B

Nehmen Sie den Aufzug beim Nordeingang. Dafür müssen Sie ein kurzes Stück zu Fuß gehen.

nee-men zie den auf-tsoek bajm nort-ajngang. Daar-fuur mu-sen zie ajn koerts-es sjtuk tsoe foess gee-en. Neem de lift bij de noordelijke ingang. Daarvoor moet u een klein stukje lopen.
A

Könnten Sie mir den Weg dorthin zeigen, oder kann man den Schildern leicht folgen?

keun-ten zie mier den week dort-hien tsaj-gen, oo-der kan man den sjil-dern lajcht fol-gen? Kunt u me de weg wijzen, of zijn de borden makkelijk te volgen?
B

Gehen Sie an den Fahrkartenautomaten vorbei und folgen Sie dann den blauen Schildern.

gee-en zie an den faar-kaar-ten-au-to-maa-ten for-baj oent fol-gen zie dan den blau-en sjil-dern. Ga langs de kaartautomaten en volg daarna de blauwe borden.
A

Erreiche ich den Zug noch, bevor er abfährt?

er-raj-che iech den tsoek noch, be-voor er ap-feert? Zal ik de trein nog halen voordat hij vertrekt?
B

Wenn Sie jetzt losgehen, sollten Sie noch etwas Zeit haben, wenn Sie dort ankommen.

wen zie jetst lohs-gee-en, zol-ten zie noch et-was tsajt haa-ben, wen zie dort an-kom-men. Als u nu vertrekt, zou u er ruim op tijd moeten zijn.
A

Ich gehe jetzt in diese Richtung.

iech gee-e jetst in die-ze rich-toeng. Ik ga nu die kant op.
B

Fragen Sie das Personal am Eingang, wenn Sie unterwegs Hilfe brauchen.

fraa-gen zie das per-zo-naal am ajn-gang, wen zie oen-ter-weeks hil-fe brau-chen. Vraag het personeel bij de toegangspoort om hulp als u onderweg hulp nodig hebt.

Uitleg van de zinnen

  1. Entschuldigung, gibt es einen barrierefreien Weg zum richtigen Bahnsteig?

    Pardon, is er een toegankelijke route naar het juiste perron?

    Entschuldigung
    pardon; excuseert u mij
    gibt es
    is er; zijn er
    barrierefreien
    toegankelijke
    Weg
    route; weg
    richtigen
    juiste
    Bahnsteig
    perron
    Uitgebreide uitleg

    Entschuldigung is hier een beleefde manier om iemands aandacht te vragen: “Pardon” of “Neem me niet kwalijk”. Het is de vaste vorm van het vrouwelijke zelfstandig naamwoord die Entschuldigung; in deze uiting functioneert het als een korte aanspreekformule. gibt es is de Duitse existentiële constructie voor “is er” of “zijn er”. De vorm gibt is de derde persoon enkelvoud van geben, maar in deze constructie blijft gibt es ook bij een meervoudige zaak staan. Voorbeeld: Gibt es mehrere Wege? — “Zijn er meerdere routes?” barrierefreien betekent hier “toegankelijk”, in de zin van bruikbaar zonder bepaalde hindernissen. De basisvorm is barrierefrei. De uitgang -en staat omdat dit bijvoeglijk naamwoord vóór het mannelijke zelfstandig naamwoord Weg staat in de accusatief na einen: einen barrierefreien Weg. Voorbeeld: Wir brauchen einen barrierefreien Eingang. — “We hebben een toegankelijke ingang nodig.” Weg betekent hier “route” of “weg”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Weg. Na einen staat het in de accusatief enkelvoud: einen Weg. In zum Weg zou zum de samentrekking zijn van zu dem, met datief; de naamval verandert dus door het voorzetsel, niet door het zelfstandig naamwoord zelf. richtigen betekent hier “juiste” of “correcte”. De basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord is richtig. In zum richtigen Bahnsteig krijgt het de uitgang -en, omdat zu de datief vereist en zum (= zu dem) een bepaald mannelijk zelfstandig naamwoord aankondigt. richtig kan in andere contexten ook “juist” of “correct” betekenen; hier gaat het om het perron dat voor de bedoelde route correct is. Bahnsteig betekent “perron”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Bahnsteig. Na zu staat het hier in de datief enkelvoud: zum Bahnsteig (= zu dem Bahnsteig). Voorbeeld: Der Zug fährt von diesem Bahnsteig ab. — “De trein vertrekt vanaf dit perron.” Samen bestaat de vraag uit de beleefde aanspreekformule Entschuldigung, de constructie gibt es, het gevraagde object einen barrierefreien Weg en het doel zum richtigen Bahnsteig. De volledige betekenis is daarom: “Pardon, is er een toegankelijke route naar het juiste perron?”

  2. Der nächstgelegene Aufzug ist im Moment wegen Wartungsarbeiten geschlossen.

    De dichtstbijzijnde lift is momenteel gesloten wegens onderhoud.

    nächstgelegene
    dichtstbijzijnde
    Aufzug
    lift
    ist
    is
    im Moment
    momenteel
    Wartungsarbeiten
    onderhoudswerkzaamheden
    geschlossen
    gesloten
    Uitgebreide uitleg

    nächstgelegene betekent hier “dichtstbijzijnde”. Het is de attributieve vorm van nächstgelegen, met de uitgang -e in der nächstgelegene Aufzug: het bijvoeglijk naamwoord staat vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord in de nominatief na het bepaalde lidwoord der. Voor vergelijking zijn nah (“dichtbij”), näher (“dichterbij”) en am nächsten (“het dichtstbij”) nuttige vormen; nächstgelegene is de vorm die hier een zelfstandig naamwoord beschrijft. Aufzug is het mannelijke zelfstandig naamwoord voor “lift”. Het meervoud is Aufzüge. In deze zin is het de kern van het onderwerp: de lift is degene waarvan de toestand wordt beschreven. ist is de derde persoon enkelvoud van sein (“zijn”). De keten is sein – ist – sind: sein is de basisvorm, ist hoort bij één persoon of zaak, en sind bij een meervoudig onderwerp. Hier verbindt ist het onderwerp met de toestand geschlossen. im Moment is een tijdsaanduiding met de betekenis “momenteel” of “op dit moment”. im is hier de samensmelting van in dem. Het geeft aan dat de beschreven toestand nu geldt; het zegt op zichzelf niet hoelang die toestand duurt. Wartungsarbeiten betekent “onderhoudswerkzaamheden”. Het is een meervoudsvorm; Arbeiten betekent hier “werkzaamheden”, en Wartungs- specificeert dat ze met onderhoud te maken hebben. In wegen Wartungsarbeiten geeft de hele groep de reden aan: wegens onderhoudswerkzaamheden. Voorbeeld: Wegen Wartungsarbeiten ist der Eingang geschlossen. — “Wegens onderhoudswerkzaamheden is de ingang gesloten.” geschlossen betekent hier “gesloten”. Het is het voltooid deelwoord van schließen (“sluiten”). Na ist beschrijft het hier een bestaande toestand, niet een handeling die iemand op dit moment uitvoert. Voorbeeld: Die Tür ist geschlossen. — “De deur is gesloten.” Samen vormt de zin de structuur Der nächstgelegene Aufzug ist im Moment wegen Wartungsarbeiten geschlossen: “De dichtstbijzijnde lift is momenteel gesloten wegens onderhoud.” Der nächstgelegene Aufzug is het onderwerp, ist ... geschlossen beschrijft zijn huidige toestand, im Moment plaatst die toestand in het heden, en wegen Wartungsarbeiten noemt de reden.

  3. Das könnte mit meinem schweren Koffer schwierig sein.

    Dat kan lastig zijn met mijn zware koffer.

    Das
    dat
    könnte
    zou kunnen
    mit
    met
    meinem
    mijn
    schweren
    zware
    Koffer
    koffer
    schwierig
    lastig
    sein
    zijn
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dat” en staat als onderwerp van de zin. Het verwijst naar een situatie of omstandigheid die in de context duidelijk kan zijn, maar de vaste zin benoemt die niet specifieker. Als aanwijzend voornaamwoord kan das ook naar een concreet onzijdig zelfstandig naamwoord verwijzen; hier is alleen de betekenis “dat” zeker. könnte is de vorm van können voor een voorzichtige of mogelijke bewering: “zou kunnen”. De vorm is Konjunktiv II van können; ze maakt de uitspraak minder stellig dan kann (“kan”). Bijvoorbeeld: Das könnte stimmen. — “Dat zou kunnen kloppen.” mit betekent “met” en krijgt in het Duits de datief. Het leidt hier de omstandigheid in waarmee iets lastig zou zijn. meinem is de datief enkelvoud van het bezittelijk woord bij mein; het betekent hier “mijn”. De vorm past bij het mannelijke zelfstandig naamwoord Koffer na mit. Het bezittelijk woord drukt bezit uit, niet een bepaald aantal. schweren is de verbogen vorm van het bijvoeglijk naamwoord schwer, “zwaar”. In meinem schweren Koffer krijgt het bijvoeglijk naamwoord deze uitgang omdat het na mit in de datief staat en Koffer mannelijk enkelvoud is. schwer kan ook figuurlijk “moeilijk” of “ernstig” betekenen, maar hier gaat het volgens de vertaling om gewicht. Koffer betekent “koffer”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Koffer. In het meervoud is het die Koffer; het woord zelf verandert daar niet van vorm. schwierig betekent “lastig” of “moeilijk”. Hier staat het als naamwoordelijk deel na sein: de situatie “is lastig”. Het is dus niet verbogen voor Koffer; de datiefvorm zit in de woordgroep meinem schweren Koffer. sein is de infinitief van “zijn”. Na een modaal werkwoord zoals könnte staat het andere werkwoord in het Duits aan het einde in de infinitief: könnte ... schwierig sein — “zou ... lastig kunnen zijn”. Samen vormt de zin de structuur Das könnte mit ... schwierig sein: “Dat zou met ... lastig kunnen zijn.” De omstandigheid is mit meinem schweren Koffer (“met mijn zware koffer”), en schwierig sein beschrijft hoe die situatie uitpakt. De volledige betekenis is daarom: “Dat kan lastig zijn met mijn zware koffer.”

  4. Nehmen Sie den Aufzug beim Nordeingang. Dafür müssen Sie ein kurzes Stück zu Fuß gehen.

    Neem de lift bij de noordelijke ingang. Daarvoor moet u een klein stukje lopen.

    Nehmen
    nemen
    Aufzug
    lift
    Nordeingang
    noordelijke ingang
    Dafür
    daarvoor
    müssen Sie
    u moet
    kurzes
    kort
    Stück
    stukje
    zu Fuß
    te voet
    gehen
    lopen
    Uitgebreide uitleg

    Nehmen staat hier in de beleefde gebiedende wijs: Nehmen Sie ... betekent “neemt u ...” of natuurlijker “neem ...”. De vorm Nehmen blijft gelijk aan de infinitief; Sie is de formele aanspreekvorm en staat bij deze gebiedende wijs na het werkwoord. Voorbeeld: Nehmen Sie den Bus. — “Neem de bus.” Aufzug betekent hier “lift”. Het zelfstandig naamwoord heeft als basisvorm der Aufzug; het meervoud is die Aufzüge. Samen met den staat het in de accusatief: den Aufzug. Nordeingang is een samenstelling van Nord en Eingang en betekent “noordelijke ingang”. Het laatste deel bepaalt het grammaticale geslacht: der Eingang, dus ook der Nordeingang. In beim Nordeingang is beim de verkorte vorm van bei dem. Dafür betekent hier “daarvoor” of “om dat te doen”. Het verwijst naar de voorafgaande instructie als doel, zonder een nieuw zelfstandig naamwoord te noemen. Het woord kan in andere zinnen ook “daarvoor/in ruil daarvoor” betekenen, maar hier gaat het om het doel van de volgende handeling. Müssen Sie drukt noodzakelijkheid uit: “u moet”. Müssen is de vervoegde vorm van müssen; met de formele Sie krijgt het de vorm müssen. Na een modaal werkwoord staat het andere werkwoord aan het einde in de infinitief, zoals in Sie müssen warten. — “U moet wachten.” Kurzes is de verbogen vorm van het bijvoeglijk naamwoord kurz, “kort”. Het beschrijft Stück, dat onzijdig en enkelvoudig is: ein kurzes Stück. De uitgang -es hoort dus bij de combinatie van het onzijdige zelfstandig naamwoord met het onbepaalde lidwoord ein in deze naamval. Stück betekent “stuk”. In ein kurzes Stück gaat het idiomatisch om een korte afstand of een klein stukje, niet noodzakelijk om een afgescheiden voorwerp. Voorbeeld: Gehen Sie ein Stück weiter. — “Loop nog een stukje verder.” Zu Fuß is een vaste uitdrukking voor “te voet” of “lopend”. Ze geeft de manier van verplaatsen aan. Voorbeeld: Wir gehen zu Fuß. — “Wij gaan te voet.” Gehen betekent “gaan” of, in deze context, “lopen”. Hier staat het als infinitief aan het einde omdat het afhankelijk is van müssen: Sie müssen ... gehen. De infinitief is gehen; een vervoegde vorm is bijvoorbeeld Sie gehen — “u gaat/loopt”. Samen vormen de delen eerst de instructie Nehmen Sie den Aufzug beim Nordeingang: neem de lift bij de noordelijke ingang. Dafür koppelt daarna het doel aan de noodzakelijke manier om dat te doen: Dafür müssen Sie ein kurzes Stück zu Fuß gehen — daarvoor moet u een klein stukje te voet lopen. De volledige betekenis is dus: “Neem de lift bij de noordelijke ingang. Daarvoor moet u een klein stukje lopen.”

  5. Könnten Sie mir den Weg dorthin zeigen, oder kann man den Schildern leicht folgen?

    Kunt u me de weg wijzen, of zijn de borden makkelijk te volgen?

    Könnten Sie
    kunt u …?
    mir
    mij
    Weg
    weg
    dorthin
    daarheen
    zeigen
    wijzen; laten zien
    kann man
    kan men; is het mogelijk om …?
    Schildern
    borden
    leicht
    gemakkelijk
    folgen
    volgen
    Uitgebreide uitleg

    Könnten Sie betekent hier een beleefde vraag: “Kunt u …?” Könnten is de Konjunktiv-II-vorm van können (“kunnen”) en maakt de vraag beleefder dan het directe Können Sie …?. Sie is de formele aanspreekvorm voor één of meer personen; het werkwoord staat daarbij in de derde persoon meervoud. Voor een informele persoon gebruik je bijvoorbeeld Könntest du …?. mir is de datiefvorm van ich en betekent “mij” als ontvanger of belanghebbende. Een nuttig contrast is mir (“mij”, datief) tegenover mich (“mij”, accusatief). In jemandem etwas zeigen staat de persoon die iets te zien krijgt in de datief: Sie zeigen mir den Weg = “U wijst mij de weg.” Weg betekent hier “weg” of “route”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Weg. In deze zin staat het als lijdend voorwerp in de accusatief: den Weg; het bepaalde lidwoord verandert dus van der naar den. Het meervoud is die Wege. dorthin betekent “daarheen”: het wijst op een richting naar een bestemming. Het zegt zelf niet welke concrete plaats de bestemming is. Het is verwant aan dort (“daar”), maar dorthin benadrukt de richting ernaartoe. Voorbeeld: Wir gehen dorthin. = “We gaan daarheen.” zeigen betekent “wijzen” of “laten zien”. Na het modale werkwoord könnten staat het als infinitief aan het einde van de eerste deelzin. Het bruikbare patroon is jemandem etwas zeigen: iemand iets wijzen of laten zien. Voorbeeld: Sie zeigt mir den Eingang. = “Zij wijst mij de ingang.” kann man betekent hier “kan men” of natuurlijker “is het mogelijk om …?” Kann is de derde persoon enkelvoud van können; man is een onbepaald persoonlijk voornaamwoord voor mensen in het algemeen, niet voor een specifiek genoemde persoon. Na kann staat de infinitief aan het einde van de deelzin. Schildern betekent “borden” en staat hier in de datief meervoud. Het enkelvoud is das Schild, het meervoud die Schilder, en de datief meervoud krijgt de vorm den Schildern. Het Duitse werkwoord folgen wordt gebruikt met een datief: den Schildern folgen = “de borden volgen”. leicht betekent hier “gemakkelijk” of “makkelijk”. Het is een bijwoord dat beschrijft hoe het volgen gebeurt; het beschrijft niet rechtstreeks een zelfstandig naamwoord. Als bijvoeglijk naamwoord kan dezelfde vorm bijvoorbeeld vóór een zelfstandig naamwoord staan: ein leichter Weg = “een gemakkelijke weg”. folgen betekent “volgen”. Hier is het een infinitief na kann, en het krijgt de datiefconstructie jemandem/einer Sache folgen: iemand of iets volgen. Voorbeeld: Folgen Sie den roten Schildern. = “Volg de rode borden.” De eerste deelzin vormt met Könnten Sie ... zeigen een beleefde vraag om een route aan te wijzen: mir den Weg dorthin zeigen betekent “mij de weg daarheen wijzen”. oder verbindt daarmee de tweede mogelijkheid: kann man den Schildern leicht folgen? — “kan men de borden makkelijk volgen?” Samen vraagt de spreker dus of de aangesprokene de weg naar die bestemming kan wijzen, of dat de route eenvoudig aan de hand van de borden te volgen is.

  6. Gehen Sie an den Fahrkartenautomaten vorbei und folgen Sie dann den blauen Schildern.

    Ga langs de kaartautomaten en volg daarna de blauwe borden.

    Gehen Sie
    gaat u / ga
    an … vorbei
    langs ... heen
    Fahrkartenautomaten
    kaartautomaat
    folgen
    volgen
    dann
    daarna
    blauen
    blauwe
    Schildern
    borden
    Uitgebreide uitleg

    Gehen Sie betekent hier een formele aansporing: “gaat u” of beleefd “ga”. gehen is de infinitief “gaan”; Sie is de formele aanspreekvorm. Samen vormen ze de formele gebiedende wijs Gehen Sie. Voor een informele aangesprokene zou Duits een andere vorm gebruiken, maar die staat hier niet. an ... vorbei vormt samen de vaste route-uitdrukking “langs ... heen” of “voorbij ...”. Bij vorbeigehen staat het object waarlangs men gaat met an; in deze zin is den Fahrkartenautomaten meervoud in de datief. De twee delen van de constructie staan niet naast elkaar: an komt vóór het zelfstandig naamwoord en vorbei erna. Fahrkartenautomaten betekent “kaartautomaten” of specifieker “automaten voor kaartjes”. Het enkelvoud is der Fahrkartenautomat, het meervoud die Fahrkartenautomaten. Het woord is een samenstelling van Fahrkarte (“kaartje/vervoersbewijs”) en Automat (“automaat”). Hier staat het meervoud na an, in de datief; bij dit meervoud is de vorm den Fahrkartenautomaten gelijk aan die in de andere naamvallen. folgen betekent “volgen”. In het Duits neemt folgen gewoonlijk een datiefobject: daarom staat “de borden” hier als den Schildern. De combinatie folgen Sie is de formele gebiedende wijs: “volgt u” of “volg”. Een bruikbaar voorbeeld is: Folgen Sie der Straße. — “Volg de straat.” dann betekent “daarna” of “dan” en ordent de volgende handeling in de tijd. Het maakt duidelijk dat het volgen van de borden na het voorbijgaan aan de automaten komt. blauen betekent hier “blauwe”. Het bijvoeglijk naamwoord heeft als basisvorm blau. In den blauen Schildern krijgt blau de uitgang -en, omdat het bijvoeglijk naamwoord vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord staat in de datief, na het bepaalde lidwoord den. De kleur hoort bij Schildern, niet bij het voorafgaande object. Schildern betekent hier “borden”, in de context bewegwijzeringsborden. Het enkelvoud is das Schild, het meervoud die Schilder. In den Schildern staat het meervoud in de datief; de uitgang -n verschijnt op het zelfstandig naamwoord. Dat is dus niet een deel van het bijvoeglijk naamwoord blauen. Samen betekent Gehen Sie an den Fahrkartenautomaten vorbei “Ga langs de kaartautomaten heen” en folgen Sie dann den blauen Schildern “volg daarna de blauwe borden”. De twee formele aansporingen zijn met und verbonden: ga eerst langs de kaartautomaten en volg vervolgens de blauwe borden. De volledige betekenis is: “Ga langs de kaartautomaten en volg daarna de blauwe borden.”

  7. Erreiche ich den Zug noch, bevor er abfährt?

    Zal ik de trein nog halen voordat hij vertrekt?

    Erreiche
    haal
    Zug
    trein
    noch
    nog
    bevor
    voordat
    abfährt
    vertrekt
    Uitgebreide uitleg

    Erreiche is de ik-vorm van erreichen in de tegenwoordige tijd: “halen” of “bereiken”. In een ja-neevraag staat het vervoegde werkwoord vooraan: Erreiche ich ...? = “Haal ik ...?” Zug betekent “trein”. In den Zug staat het zelfstandig naamwoord in de accusatief, omdat de trein het directe object is van erreichen. Het lidwoord den laat hier de mannelijke accusatief zien; der Zug is de basisvorm in de nominatief. noch betekent hier “nog” in de betekenis “nog op tijd kunnen”. Het geeft aan dat de mogelijkheid op dit moment nog bestaat. Een bruikbaar patroon is etwas noch erreichen = “iets nog halen”. bevor betekent “voordat” en leidt een bijzin in. In zo’n Duitse bijzin staat het vervoegde werkwoord aan het einde. abfährt betekent hier “vertrekt”. De vorm hoort bij het scheidbare werkwoord abfahren (“vertrekken”): er fährt ab in een hoofdzin, maar bevor er abfährt in de bijzin wordt het als één vorm aan het einde geschreven. er verwijst in deze zin naar de trein, zoals ook uit de vaste vertaling blijkt. abfährt is de derde persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd. Samen vormt Erreiche ich den Zug noch ...? de vraag of de spreker de trein nog kan halen. bevor er abfährt specificeert het tijdstip: voordat de trein vertrekt. De volledige betekenis is: “Zal ik de trein nog halen voordat hij vertrekt?”

  8. Wenn Sie jetzt losgehen, sollten Sie noch etwas Zeit haben, wenn Sie dort ankommen.

    Als u nu vertrekt, zou u er ruim op tijd moeten zijn.

    Wenn
    als
    losgehen
    vertrekken
    sollten Sie
    zou u moeten
    noch
    nog
    etwas
    wat / enige
    Zeit
    tijd
    haben
    hebben
    dort
    daar
    ankommen
    aankomen
    Uitgebreide uitleg

    Wenn staat hier aan het begin van een voorwaardelijke bijzin: “als”. Dezelfde vorm kan ook “wanneer” betekenen; in deze vaste zin introduceert het eerste Wenn de voorwaarde. In een wenn-bijzin staat de persoonsvorm typisch achteraan. Voorbeeld: Wenn ich Zeit habe, komme ich. — Als ik tijd heb, kom ik. losgehen betekent hier “vertrekken”. Het is een scheidbaar werkwoord: losgehen heeft de delen los en gehen. In deze bijzin staan die delen samen aan het einde in de vervoegde vorm losgehen; in een hoofdzin worden ze gescheiden: Wir gehen um acht los. — We vertrekken om acht uur. sollten Sie gebruikt sollten, de Konjunktiv-II-vorm van sollen, met het formele Sie voor “u”. In deze zin geeft de combinatie een voorzichtige verwachting weer: “zou u … moeten”. Het is dus niet simpelweg de tegenwoordige tijd sollen Sie, die directer zou klinken. Sie blijft als formeel “u” met een hoofdletter geschreven. noch betekent hier “nog”: bij het moment van aankomen resteert er nog enige tijd. De precieze betekenis ontstaat samen met etwas Zeit haben; op zichzelf betekent noch niet “ruim op tijd”. etwas betekent hier “wat/enige” in de betekenis van een onbepaalde hoeveelheid. Het drukt hier geen exact aantal uit. Voorbeeld: Ich brauche etwas Wasser. — Ik heb wat water nodig. Zeit is het zelfstandig naamwoord voor “tijd”. Het staat hier in de woordgroep etwas Zeit, dus “wat tijd”. Het Duitse Zeit is hier een enkelvoudig massanomen. haben betekent “hebben”. Het is hier een infinitief die na sollten staat: Sie sollten ... haben. Vergelijk: Sie sollten genug Geld haben. — U zou genoeg geld moeten hebben. dort betekent “daar” en verwijst naar de plaats waar de aangesproken persoon aankomt. Het woord zelf noemt niet welke plaats dat precies is. In dort ankommen vormt het de plaatsaanduiding bij “daar aankomen”. ankommen betekent “aankomen”. Het is een scheidbaar werkwoord (an + kommen). In deze bijzin staan de delen samen aan het einde in de vervoegde vorm ankommen: wenn Sie dort ankommen. In een hoofdzin wordt het persoonsvormdeel gescheiden: Sie kommen dort an. — U komt daar aan. De zin bouwt zich op als: Wenn Sie jetzt losgehen — als u nu vertrekt; sollten Sie noch etwas Zeit haben — zou u nog wat tijd moeten hebben; wenn Sie dort ankommen — wanneer u daar aankomt. Samen betekent de vaste uiting: “Als u nu vertrekt, zou u er ruim op tijd moeten zijn.” De eerste wenn-bijzin geeft de voorwaarde, de tweede het moment waarop de resterende tijd wordt beoordeeld.

  9. Ich gehe jetzt in diese Richtung.

    Ik ga nu die kant op.

    Ich
    ik
    gehe
    ga
    jetzt
    nu
    in
    naar/in
    diese
    deze
    Richtung
    richting
    Uitgebreide uitleg

    Ich is the first-person singular subject: the speaker is the one who moves. The form is nominative, the case used here for the subject. Compare ich with du for one addressee and wir for a group including the speaker. gehe is the first-person singular present form of gehen (“gaan”). The pattern is ich gehe; the present tense can describe movement happening now or a current planned action. Example: Ich gehe nach Hause. — “Ik ga naar huis.” jetzt means “nu” and places the action in the present moment. It does not change form. In this sentence it specifies when the going takes place; it is not part of the meaning of gehe itself. in is a preposition. With movement toward or into a destination, German commonly uses the accusative: in + accusative. This differs from a stationary location, where in takes the dative. Example: Ich gehe in den Park. — “Ik ga het park in.” But: Ich bin im Park. — “Ik ben in het park.” diese means “deze” here and modifies Richtung. Because Richtung is feminine and the phrase is accusative after movement-oriented in, the feminine form is diese; in the feminine, nominative and accusative have the same visible form. The demonstrative pattern is dieser (masculine), diese (feminine), dieses (neuter), with plural diese. Richtung is the feminine noun “richting” or “kant” in the sense of a direction. Its basic form is die Richtung; after in with movement it appears as die Richtung in the accusative, because feminine nouns have the same article form in nominative and accusative. Example: Welche Richtung ist richtig? — “Welke richting is juist?” Together, Ich gehe jetzt says “Ik ga nu”. The movement phrase in diese Richtung adds the destination or orientation: “die kant op” / “in deze richting”. The complete utterance is therefore: “Ik ga nu die kant op.”

  10. Fragen Sie das Personal am Eingang, wenn Sie unterwegs Hilfe brauchen.

    Vraag het personeel bij de toegangspoort om hulp als u onderweg hulp nodig hebt.

    Fragen Sie
    vraag (formeel)
    Personal
    personeel
    Eingang
    ingang
    unterwegs
    onderweg
    Hilfe
    hulp
    brauchen
    nodig hebben
    Uitgebreide uitleg

    Fragen Sie is de beleefde gebiedende wijs voor één of meer aangesproken personen. Het patroon werkwoord + Sie gebruikt de formele aanspreekvorm: Fragen Sie! = “Vraag!” of “Vraagt u!” In de zin is het werkwoord fragen (“vragen”); Sie is hier het formele onderwerp en niet het informele enkelvoud du. Personal betekent hier “personeel”: de medewerkers als groep. Het is een zelfstandig naamwoord met onzijdig grammaticaal geslacht: das Personal. Een voorbeeld: Das Personal hilft den Reisenden. — “Het personeel helpt de reizigers.” am Eingang betekent “bij de ingang”. am is de samengevoegde vorm van an dem; Eingang is het zelfstandig naamwoord “ingang” en heeft mannelijk geslacht: der Eingang. De hele combinatie geeft hier de plaats van het personeel aan. Voorbeeld: Wir warten am Eingang. — “We wachten bij de ingang.” unterwegs is een bijwoord en betekent “onderweg” of “tijdens de reis”. Het verandert niet mee met persoon of getal. Voorbeeld: Ich brauche unterwegs eine Pause. — “Ik heb onderweg een pauze nodig.” Hilfe betekent “hulp”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Hilfe. In Hilfe brauchen vormt het samen met het werkwoord de betekenis “hulp nodig hebben”. Voorbeeld: Sie bietet Hilfe an. — “Zij biedt hulp aan.” brauchen betekent “nodig hebben”. In wenn Sie unterwegs Hilfe brauchen is brauchen de tegenwoordige tijd voor de formele tweede persoon Sie. De vorm is hier toevallig gelijk aan de infinitief brauchen; het is dus niet de infinitief die na Sie staat. In een bijzin met wenn staat de persoonsvorm achteraan. Vergelijk: Sie brauchen Hilfe. — “U hebt hulp nodig”; wenn Sie Hilfe brauchen — “als u hulp nodig hebt”. Samen bestaat de zin uit een formele opdracht, de plaatsbepaling am Eingang, en de voorwaarde wenn Sie unterwegs Hilfe brauchen: “Vraag het personeel bij de ingang om hulp als u onderweg hulp nodig hebt.” De gebiedende wijs Fragen Sie richt de opdracht formeel tot de aangesproken persoon of personen; wenn leidt de voorwaardelijke bijzin in.

Grammatica

Trennbare Verben: abfahren → Der Zug fährt ab.

Der Zug fährt ab.

deer tsoek feert ap.

De trein vertrekt.

Bij scheidbare werkwoorden staat het voorvoegsel aan het einde van de zin: fährt ... ab.

Adjektivendungen vor Nomen: der nächstgelegene Bahnsteig

der nächstgelegene Bahnsteig

deer nechst-gelee-ge-ne baan-sjtajk

het dichtstbijzijnde perron

Na der krijgt het bijvoeglijk naamwoord in de nominatief vaak de uitgang -e.

Duits woordenschat

Aufzug zelfstandig naamwoord
auf-tsoek lift
Bahnsteig zelfstandig naamwoord
baan-sjtajk perron
barrierefrei bijvoeglijk naamwoord
ba-rie-e-re-fraaj toegankelijk; drempelvrij barrierefreien
Entschuldigung tussenwerpsel
ent-sjoel-die-goeng pardon; neem me niet kwalijk
geschlossen bijvoeglijk naamwoord
ge-sjlos-sen gesloten
Koffer zelfstandig naamwoord
kof-fer koffer
nächstgelegen bijvoeglijk naamwoord
nechst-ge-lee-ge-gen dichtstbijzijnde nächstgelegene
Nordeingang zelfstandig naamwoord
nort-ajngang noordelijke ingang
richtig bijvoeglijk naamwoord
riech-tiech juist; correcte richtigen
schwer bijvoeglijk naamwoord
sjweer zwaar schweren
Wartungsarbeit zelfstandig naamwoord
var-toengs-ar-bajt onderhoudswerkzaamheid Wartungsarbeiten
Weg zelfstandig naamwoord
week weg; route

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik ga nu die kant op.

Antwoord tonenIch gehe jetzt in diese Richtung.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

perron

Antwoord tonenBahnsteig

lift

Antwoord tonenAufzug

gesloten

Antwoord tonengeschlossen

juist; correcte

Antwoord tonenrichtigen