Gemiste lessen inhalen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: After missed classes, two classmates decide which assignment to handle first and arrange focused practice after class..

NL → DE / Niveau: B1

Over deze les

Met Gemiste lessen inhalen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich habe in letzter Zeit ein paar Unterrichtsstunden verpasst und fühle mich deshalb im Rückstand.

Isj haa-buh in letstuh tsait ain paar oentuh-riesjts-sjtoendun ferspoest oent fuu-luh misj des-halp im ruuk-sjtand. Ik heb onlangs een paar lessen gemist en voel me daardoor achterop.
B

Du kannst das aufholen.

Doe kanst das auf-ho-lun. Je kunt je achterstand inhalen.
B

Aber wenn du versuchst, alles auf einmal zu lernen, wird es schwieriger.

Aa-buh ven doe fer-zoekst, allus auf ain-maal tsoe lehr-nun, virt es sjwie-ri-guh. Maar als je alles tegelijk probeert te leren, wordt het moeilijker.
A

Könntest du mir sagen, welche Aufgabe ich zuerst angehen sollte?

Keun-tust doe mier zaa-gun, vel-sjuh auf-gaa-buh iesj tsoe-eerst aan-gee-un zol-tuh. Kun je me vertellen welke opdracht ik als eerste moet aanpakken?
B

Die mündliche Zusammenfassung ist bald fällig, und das Arbeitsblatt kann bis später warten.

Die muunt-li-sjuh tsoe-zamun-fassoeng ist balt feh-lisj, oent das ar-baits-blat kan bis sjpee-tuh var-tun. De mondelinge samenvatting moet binnenkort af zijn, en het werkblad kan wachten tot later.
A

Dann sollte ich mit der Sprechaufgabe anfangen.

Dahn zol-tuh iesj mit dehr sjpresj-auf-gaa-buh an-fang-un. Dan moet ik met de spreekopdracht beginnen.
B

Fang damit an und bitte den Lehrer um Notizen zu den Unterrichtsstunden, die du verpasst hast.

Fang da-mit aan oent bit-tuh dehr lee-ruh oem no-tiets-un tsoe deen oentuh-riesjts-sjtoendun, die doe ferspoest hast. Begin daarmee en vraag de docent om aantekeningen van de lessen die je hebt gemist.
A

Ich fühle mich weniger sicher, weil die anderen zusammen geübt haben.

Isj fuu-luh misj vee-ni-guh zie-sjuh, vail die an-duh-run tsoe-zamun guh-uupt haa-bun. Ik voel me minder zeker omdat de anderen samen hebben geoefend.
B

Wir können die Aufgabe nach dem Unterricht gemeinsam durchgehen.

Vie-uh keun-un die auf-gaa-buh naach dehm oentuh-riesjt guh-main-zaam doer-sj-gee-un. We kunnen de opdracht na de les samen doornemen.
B

Damit du weißt, was dich erwartet.

Daa-mit doe vaist, vas disj er-var-tut. Zodat je weet wat je kunt verwachten.
A

Dadurch würde sich der nächste Schritt leichter bewältigen lassen.

Daa-doer-sj vuur-duh zisj dehr nekstuh sjrit, laisj-tuh buh-vel-ti-gun laas-un. Daardoor zou de volgende stap beter haalbaar lijken.
B

Eine gezielte Übungseinheit ist besser, als die Arbeit zu vermeiden.

Aine guh-tsiel-tuh uu-boengs-ain-haait ist bes-suh, als die ar-bait tsoe fer-mai-dun. Eén gerichte oefensessie is beter dan het werk vermijden.

Woord voor woord

Ich «Ich» betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de spreker die lessen heeft gemist. Het staat als onderwerp in «Ich habe ... verpasst» en kan in nieuwe voorbeelden ook als onderwerp worden gebruikt.
habe «habe» betekent hier ‘heb’ en helpt samen met «verpasst» om te zeggen dat de lessen gemist zijn. Het hoort bij het onderwerp «Ich»; een bruikbaar patroon is «Ich habe ... verpasst».
in «in» betekent in «in letzter Zeit» ‘in’ en verwijst naar een recente periode. De vaste tijdsaanduiding «in letzter Zeit» gebruik je wanneer je over de afgelopen tijd spreekt.
letzter «letzter» draagt in «in letzter Zeit» bij aan de betekenis ‘laatste’ binnen de uitdrukking ‘de laatste tijd’. Het hoort direct bij «Zeit»; gebruik de volledige uitdrukking «in letzter Zeit» voor ‘onlangs’ of ‘de laatste tijd’.
Zeit «Zeit» betekent hier ‘tijd’ in de vaste uitdrukking «in letzter Zeit». Je gebruikt «Zeit» in zulke tijdsaanduidingen om een periode aan te geven.
ein «ein» betekent in «ein paar Unterrichtsstunden» samen met «paar» ‘een’ in de betekenis van ‘enkele’. Het vormt hier de vaste combinatie «ein paar» met een zelfstandig naamwoord erna.
paar «paar» betekent in «ein paar Unterrichtsstunden» ‘enkele’ of ‘een paar’. De combinatie «ein paar» staat voor een kleine, niet precies genoemde hoeveelheid.
Unterrichtsstunden «Unterrichtsstunden» betekent hier ‘lesuren’ of ‘lessen’ die de spreker heeft gemist. Het woord wordt gebruikt in «ein paar Unterrichtsstunden» en past bij gesprekken over school of lessen.
verpasst «verpasst» betekent hier ‘gemist’, namelijk dat de spreker niet bij bepaalde lessen aanwezig was. Het staat met «habe» in «habe ... verpasst»; hetzelfde patroon kan bij andere gemiste afspraken worden gebruikt.
und «und» verbindt in «verpasst und fühle» twee mededelingen over dezelfde spreker. Je gebruikt het om twee samenhangende handelingen of toestanden naast elkaar te zetten.
fühle «fühle» betekent hier ‘voel’ in «fühle mich ...» en beschrijft de eigen ervaring van de spreker. Het wordt gebruikt met «mich» wanneer iemand zegt hoe die zich voelt.
mich «mich» betekent hier ‘me’ in de combinatie «fühle mich». Samen met «fühle» beschrijft het de toestand van de spreker; een bruikbaar patroon is «Ich fühle mich ...».
deshalb «deshalb» betekent hier ‘daarom’ of ‘daardoor’ en legt een gevolg uit van het missen van lessen. Het verwijst terug naar de voorafgaande reden en kan een gevolg in een nieuwe zin inleiden.
im «im» betekent in «im Rückstand» ‘in het’ en is de verkorte vorm van «in dem». De volledige uitdrukking «im Rückstand» beschrijft dat iemand achterligt.
Rückstand «Rückstand» betekent hier ‘achterstand’ in «im Rückstand». De uitdrukking «im Rückstand sein» gebruik je wanneer iemand achterligt met werk, lessen of een andere taak.
Du «Du» betekent hier ‘jij’ of ‘je’ en spreekt de andere klasgenoot rechtstreeks aan. Het staat als onderwerp in «Du kannst das aufholen».
kannst «kannst» betekent hier ‘kunt’ en drukt uit dat de aangesproken persoon de achterstand kan inhalen. Het staat bij «Du» in «Du kannst ...»; daarna volgt de handeling «aufholen».
das «das» verwijst hier naar de achterstand of het gemiste werk waarover de twee spreken. In «Du kannst das aufholen» is het datgene wat ingehaald kan worden; het patroon «Du kannst das ...» kan naar een eerder genoemde taak verwijzen.
aufholen «aufholen» betekent hier ‘inhalen’, namelijk de gemiste leerstof of achterstand weer bijwerken. Na «kannst» staat het als de handeling in «Du kannst das aufholen».
Aber «Aber» betekent hier ‘maar’ en leidt een beperking of waarschuwing in. Het verbindt het advies om in te halen met de uitleg dat alles tegelijk leren moeilijker wordt.
wenn «wenn» betekent hier ‘als’ en introduceert de voorwaarde «wenn du versuchst ...». Je gebruikt het om een voorwaarde te formuleren; in deze bijzin staat de persoonsvorm aan het einde.
versuchst «versuchst» betekent hier ‘probeert’ en beschrijft de poging om alles tegelijk te leren. Het staat bij «du» in «wenn du versuchst, ...» en wordt gevolgd door een handeling met «zu».
alles «alles» betekent hier ‘alles’ en verwijst naar alle leerstof of taken die ingehaald moeten worden. Het staat als geheel object in «alles auf einmal zu lernen».
auf «auf» betekent in «auf einmal» niet letterlijk alleen ‘op’, maar draagt samen met «einmal» de betekenis ‘in één keer’. Gebruik de volledige uitdrukking «auf einmal» wanneer iets tegelijk gebeurt.
einmal «einmal» betekent in «auf einmal» samen met «auf» ‘in één keer’ of ‘tegelijk’. De combinatie «auf einmal» geeft aan dat alles zonder spreiding wordt gedaan.
zu «zu» hoort in «zu lernen» bij de infinitiefconstructie en maakt duidelijk welke handeling geprobeerd wordt. Een bruikbaar patroon is «versuchen, etwas zu lernen».
lernen «lernen» betekent hier ‘leren’ in «alles auf einmal zu lernen». Het staat als infinitief na «zu» en kan met een object worden gebruikt, zoals «etwas lernen».
wird «wird» betekent hier ‘wordt’ in «wird es schwieriger» en beschrijft dat de situatie moeilijker wordt. Het onderwerp is «es»; een bruikbaar patroon is «Es wird ...» om een verandering te beschrijven.
es «es» is in «wird es schwieriger» het onderwerp bij de algemene situatie die moeilijker wordt. Het verwijst hier niet naar één afzonderlijk zelfstandig naamwoord, maar naar de besproken aanpak.
schwieriger «schwieriger» betekent hier ‘moeilijker’ en vergelijkt de aanpak van alles tegelijk leren met een minder moeilijke aanpak. Het staat in «wird es schwieriger» om een toenemende moeilijkheid te beschrijven.
Könntest «Könntest» betekent hier ‘zou je kunnen’ en maakt het verzoek beleefd en voorzichtig: «Könntest du mir sagen ...?». Dit patroon gebruik je om iemand vriendelijk om informatie te vragen.
mir «mir» betekent hier ‘mij’ of ‘me’ en geeft aan voor wie de informatie bedoeld is in «mir sagen». Het staat bij het werkwoord «sagen» in een verzoek om informatie.
sagen «sagen» betekent hier ‘zeggen’ of ‘vertellen’ in «mir sagen, welche Aufgabe ...». Het bruikbare patroon is «jemandem sagen, ...», gevolgd door de gevraagde informatie.
welche «welche» betekent hier ‘welke’ en vraagt om een keuze tussen opdrachten. In «welche Aufgabe» staat het direct voor het zelfstandig naamwoord dat gekozen moet worden.
Aufgabe «Aufgabe» betekent hier ‘opdracht’ in «welche Aufgabe». Het woord past bij schoolwerk en kan met een werkwoord als «angehen» of «durchgehen» worden gecombineerd.
zuerst «zuerst» betekent hier ‘eerst’ en geeft de prioriteit aan waarin de opdrachten aangepakt moeten worden. Je kunt het gebruiken om de eerste stap in een reeks aan te wijzen.
angehen «angehen» betekent hier ‘aanpakken’ in «welche Aufgabe ich zuerst angehen sollte». Het wordt gebruikt voor het actief beginnen met een taak of probleem; het object kan direct ervoor staan.
sollte «sollte» betekent hier ‘zou moeten’ en drukt uit welke opdracht volgens de spreker als eerste aangepakt hoort te worden. In «ich zuerst angehen sollte» staat het aan het einde van de bijzin.
Die «Die» is hier het bepaalde lidwoord bij «mündliche Zusammenfassung» en betekent ‘de’. Het staat voor het zelfstandig naamwoord dat als eerste prioriteit wordt besproken.
mündliche «mündliche» betekent hier ‘mondelinge’ en beschrijft het soort «Zusammenfassung». De combinatie «mündliche Zusammenfassung» verwijst naar een samenvatting die mondeling moet worden gegeven.
Zusammenfassung «Zusammenfassung» betekent hier ‘samenvatting’, specifiek een «mündliche Zusammenfassung». Je gebruikt het voor een verkorte weergave van de belangrijkste inhoud.
ist «ist» betekent hier ‘is’ en koppelt «Die mündliche Zusammenfassung» aan de beoordeling «bald fällig». Het staat in «ist bald fällig» om de deadline-status te beschrijven.
bald «bald» betekent hier ‘binnenkort’ en geeft aan dat de deadline van de samenvatting dichtbij is. Het staat in «bald fällig» en kan ook andere nabije gebeurtenissen in de tijd aanduiden.
fällig «fällig» betekent hier dat iets binnenkort ingeleverd of afgehandeld moet worden. In «Die mündliche Zusammenfassung ist bald fällig» verwijst het naar een naderende deadline.
Arbeitsblatt «Arbeitsblatt» betekent hier ‘werkblad’, een schriftelijke schoolopdracht of een blad met oefeningen. In «das Arbeitsblatt kann ... warten» wordt gezegd dat deze taak later kan worden gedaan.
kann «kann» betekent hier ‘kan’ en drukt uit dat het werkblad zonder direct probleem later kan worden gedaan. Het staat bij «das Arbeitsblatt» in «kann ... warten».
bis «bis» betekent hier ‘tot’ in «bis später» en markeert het tijdstip waarop iets wordt uitgesteld. De combinatie «bis später» gebruik je om te zeggen dat iets later aan de beurt komt.
später «später» betekent hier ‘later’ in «bis später». Het verwijst naar een later moment dan het moment waarop de andere opdracht eerst wordt gedaan.
warten «warten» betekent hier ‘wachten’ in «Das Arbeitsblatt kann bis später warten» en wordt figuurlijk gebruikt voor een taak die uitgesteld kan worden. Het staat na «kann» als infinitief.
Dann «Dann» betekent hier ‘dan’ en geeft de conclusie of volgende stap aan na het advies over de prioriteit. Het leidt «Dann sollte ich ...» in.
mit «mit» betekent hier ‘met’ in «mit der Sprechaufgabe anfangen» en markeert waarmee de spreker begint. Een bruikbaar patroon is «mit etwas anfangen» voor ‘met iets beginnen’.
der «der» hoort in «mit der Sprechaufgabe» bij het genoemde object waarmee de spreker begint. De combinatie met «mit» maakt deel uit van het patroon «mit der Sprechaufgabe anfangen».
Sprechaufgabe «Sprechaufgabe» betekent hier ‘spreekopdracht’, de opdracht die mondeling moet worden uitgevoerd. In «mit der Sprechaufgabe anfangen» wordt deze taak als eerste startpunt gekozen.
anfangen «anfangen» betekent hier ‘beginnen’ in «mit der Sprechaufgabe anfangen». Het wordt vaak gebruikt met «mit» plus de taak of activiteit waarmee iemand start.
Fang «Fang» betekent hier ‘begin’ of ‘start’ in het verzoek «Fang damit an». Het is een directe aansporing aan één persoon; de rest van het werkwoord verschijnt als «an» aan het einde.
damit «damit» betekent hier ‘daarmee’ en verwijst naar de spreekopdracht in «Fang damit an». Het bruikbare patroon is «mit etwas anfangen» of, zoals hier, «damit anfangen» wanneer de taak al bekend is.
an «an» is hier het scheidbare deel van «anfangen» in de aansporing «Fang damit an». Samen betekenen «Fang damit an» ‘begin daarmee’; het deel «an» staat bij deze vorm achteraan.
bitte «bitte» maakt «bitte den Lehrer um Notizen» tot een beleefd verzoek. Je gebruikt het om een vraag of opdracht vriendelijker te formuleren.
den «den» is hier het lidwoord bij «Lehrer» in «bitte den Lehrer». Het markeert de docent die om de notities gevraagd wordt.
Lehrer «Lehrer» betekent hier ‘leraar’ of ‘docent’, de persoon aan wie de leerling om notities vraagt. Het staat in het patroon «jemanden um etwas bitten».
um «um» hoort in «um Notizen bitten» bij het verzoek om iets te krijgen. Het vaste patroon is «jemanden um etwas bitten», dus iemand om iets vragen.
Notizen «Notizen» betekent hier ‘notities’ of ‘aantekeningen’ van de gemiste lessen. In «um Notizen bitten» is het datgene waar de leerling de docent om vraagt.
hast «hast» betekent hier ‘hebt’ en vormt samen met «verpasst» de mededeling dat de lessen gemist zijn. Het staat bij «du» in «die du verpasst hast».
weniger «weniger» betekent hier ‘minder’ en vermindert de mate van zekerheid in «weniger sicher». Het vormt samen met «sicher» de vergelijking ‘minder zelfverzekerd’.
sicher «sicher» betekent hier ‘zelfverzekerd’ en niet ‘veilig’, omdat het in «fühle mich weniger sicher» over vertrouwen in de eigen prestatie gaat. Het kan met «fühle mich» worden gebruikt om iemands zelfvertrouwen te beschrijven.
weil «weil» betekent hier ‘omdat’ en introduceert de reden voor het mindere vertrouwen. In de bijzin «weil die anderen zusammen geübt haben» staat de persoonsvorm aan het einde.
anderen «anderen» betekent hier ‘de anderen’ en verwijst naar de overige klasgenoten. In «die anderen» gaat het om mensen die samen hebben geoefend.
zusammen «zusammen» betekent hier ‘samen’ en beschrijft dat de andere leerlingen gezamenlijk hebben geoefend. Het staat bij «geübt» en kan in nieuwe voorbeelden een gezamenlijke activiteit beschrijven.
geübt «geübt» betekent hier ‘geoefend’ in «zusammen geübt haben». Het beschrijft de oefenactiviteit van de andere leerlingen en staat samen met «haben».
Wir «Wir» betekent hier ‘wij’ of ‘we’ en omvat de twee klasgenoten die samen willen oefenen. Het staat als onderwerp in «Wir können ... durchgehen».
können «können» betekent hier ‘kunnen’ en drukt uit dat de twee sprekers de opdracht samen kunnen doornemen. Het staat bij «Wir» en wordt gevolgd door de infinitief «durchgehen».
nach «nach» betekent hier ‘na’ in «nach dem Unterricht». Het geeft aan dat het doornemen van de taak plaatsvindt nadat de les voorbij is.
dem «dem» hoort in «nach dem Unterricht» bij «Unterricht» en maakt de tijdsaanduiding compleet. De combinatie «nach dem Unterricht» betekent ‘na de les’ of ‘na het onderwijs’.
Unterricht «Unterricht» betekent hier ‘les’ of ‘onderwijs’ in «nach dem Unterricht». Deze uitdrukking gebruik je om een activiteit na afloop van de les te plaatsen.
gemeinsam «gemeinsam» betekent hier ‘samen’ of ‘gezamenlijk’ en beschrijft dat beide klasgenoten de taak samen doornemen. Het staat bij «durchgehen» en geeft de manier van samenwerken aan.
durchgehen «durchgehen» betekent hier ‘doornemen’ in «die Aufgabe ... gemeinsam durchgehen». Het wordt gebruikt voor het samen bekijken of bespreken van een taak; na «können» staat het als infinitief.
weiß «weiß» betekent hier ‘weet’ in «Damit du weißt ...» en verwijst naar kennis over de volgende opdracht. Een bruikbaar patroon is «Du weißt, was ...» voor informatie over wat er gebeurt.
was «was» betekent hier ‘wat’ in «was dich erwartet» en introduceert de informatie die de leerling moet kennen. De hele uitdrukking «was dich erwartet» betekent ‘wat je te wachten staat’.
dich «dich» betekent hier ‘je’ of ‘jou’ in «was dich erwartet» en verwijst naar de leerling die de volgende stap zal meemaken. Het hoort bij de uitdrukking «was dich erwartet».
erwartet «erwartet» betekent hier ‘te wachten staat’ in «was dich erwartet». Het beschrijft wat de leerling later zal tegenkomen; het patroon «was dich erwartet» is bruikbaar om naar een komende situatie te verwijzen.
Dadurch «Dadurch» betekent hier ‘daardoor’ en verbindt het samen doornemen van de taak met het gemakkelijker aankunnen van de volgende stap. Het verwijst naar een zojuist genoemde oorzaak of maatregel.
würde «würde» betekent hier ‘zou’ en maakt de uitspraak over het mogelijke effect voorzichtig of voorwaardelijk. In «würde sich ... bewältigen lassen» beschrijft het een verwacht gevolg van de oefensessie.
sich «sich» hoort hier bij «sich ... bewältigen lassen» en geeft aan dat de volgende stap zelf hanteerbaar wordt gemaakt. De volledige constructie «sich leichter bewältigen lassen» betekent dat iets gemakkelijker te doen of aan te kunnen is.
nächste «nächste» betekent hier ‘volgende’ en beschrijft de stap die na de huidige voorbereiding komt. Het staat direct voor «Schritt» in «der nächste Schritt».
Schritt «Schritt» betekent hier ‘stap’, namelijk de volgende afzonderlijke handeling in het leerproces. De combinatie «der nächste Schritt» gebruik je om naar de eerstvolgende fase of actie te verwijzen.
leichter «leichter» betekent hier ‘gemakkelijker’ en geeft aan dat de volgende stap beter hanteerbaar zou voelen. Het staat in «sich ... leichter bewältigen lassen» als vergelijking van de moeilijkheid.
bewältigen «bewältigen» betekent hier ‘aankunnen’ of ‘afhandelen’ en verwijst naar het succesvol uitvoeren van de volgende stap. In «sich leichter bewältigen lassen» gaat het om een taak of situatie die hanteerbaar is.
lassen «lassen» draagt in «sich leichter bewältigen lassen» bij aan de betekenis ‘zich laten afhandelen’ of ‘te doen zijn’. De volledige constructie gebruik je wanneer iets op een bepaalde manier uitvoerbaar blijkt.
Eine «Eine» betekent hier ‘een’ en introduceert één gerichte oefensessie in «Eine gezielte Übungseinheit». Het staat voor het zelfstandig naamwoord dat als concreet advies wordt genoemd.
gezielte «gezielte» betekent hier ‘gerichte’ en beschrijft een oefensessie met een duidelijk doel. In «Eine gezielte Übungseinheit» geeft het aan dat de oefening geconcentreerd op de taak is gericht.
Übungseinheit «Übungseinheit» betekent hier ‘oefensessie’ of ‘oefeneenheid’. De combinatie «Eine gezielte Übungseinheit» verwijst naar één afgebakend moment om doelgericht te oefenen.
besser «besser» betekent hier ‘beter’ en leidt een vergelijking in tussen oefenen en het werk vermijden. Het staat in het patroon «besser als ...» om de voorkeursoptie aan te geven.
als «als» betekent hier ‘dan’ in de vergelijking «besser, als die Arbeit zu vermeiden». Het verbindt de betere optie met datgene waarmee deze wordt vergeleken.
Arbeit «Arbeit» betekent hier ‘werk’ en verwijst naar de taken die nog gedaan moeten worden. In «die Arbeit zu vermeiden» is het werk dat de leerling niet moet blijven ontlopen.
vermeiden «vermeiden» betekent hier ‘vermijden’ of ‘ontlopen’ in «die Arbeit zu vermeiden». Het wordt gebruikt voor het bewust niet aangaan van een taak; in deze zin staat het als infinitief na «zu».

Grammatica

weil + werkwoord aan het einde

Wir üben zusammen, weil wir die Aufgabe zuerst angehen.

Vie-uh uu-bun tsoe-zamun, vail vie-uh die auf-gaa-buh tsoe-eerst aan-gee-un.

We oefenen samen omdat we de opdracht eerst aanpakken.

Na „weil” staat het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.

versuchen, etwas zu tun

Wir versuchen, die Aufgabe gezielt zu bewältigen.

Vie-uh fer-zoek-un, die auf-gaa-buh guh-tsielt tsoe buh-vel-ti-gun.

We proberen de opdracht gericht aan te kunnen.

Na „versuchen” gebruik je „zu” met het hele werkwoord.

Duits woordenschat

auf einmal uitdrukking
auf ain-maal alles tegelijk
Aufgabe zelfstandig naamwoord
auf-gaa-buh opdracht
aufholen werkwoord
auf-ho-lun inhalen
deshalb bijwoord
des-halp daarom
in letzter Zeit uitdrukking
in letstuh tsait de laatste tijd
sagen werkwoord
zaa-gun zeggen
schwierig bijvoeglijk naamwoord
sjwie-risj moeilijk schwieriger
sich im Rückstand fühlen uitdrukking
zisj im ruuk-sjtand fuu-lun zich achterop voelen fühle mich deshalb im Rückstand
Unterrichtsstunde zelfstandig naamwoord
oentuh-riesjts-sjtoenduh lesuur Unterrichtsstunden
verpassen werkwoord
fer-pass-un missen verpasst
versuchen werkwoord
fer-zoek-un proberen versuchst
zuerst bijwoord
tsoe-eerst eerst

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Je kunt je achterstand inhalen.

Antwoord tonenDu kannst das aufholen.

Zodat je weet wat je kunt verwachten.

Antwoord tonenDamit du weißt, was dich erwartet.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

daarom

Antwoord tonendeshalb

moeilijk

Antwoord tonenschwieriger

inhalen

Antwoord tonenaufholen

missen

Antwoord tonenverpasst