Entschuldigung
«Entschuldigung» betekent hier ‘pardon’ en wordt gebruikt om beleefd iemands aandacht te vragen. In «Entschuldigung, ist das die Schlange ...?» staat het aan het begin van een vraag aan een medewerker of andere wachtende.
ist
«ist» betekent hier ‘is’ en verbindt het onderwerp «das» met «die Schlange». In «ist das die Schlange ...?» staat het werkwoord vooraan omdat het een ja-neevraag is.
das
In «ist das die Schlange ...?» verwijst «das» naar de rij die de spreker aanwijst; in «Das passiert oft» verwijst «Das» naar de beschreven situatie. De vorm kan dus zowel naar iets aangewezen als naar een hele gebeurtenis verwijzen.
die
«die» is hier het bepaalde lidwoord bij het vrouwelijke zelfstandig naamwoord «Schlange». Het komt voor in «die Schlange» en in «die Schlange wechsle», dus vóór dezelfde rij in verschillende zinsfuncties.
Schlange
«Schlange» betekent hier ‘rij’ of ‘wachtlijn’, niet een dier. In «die Schlange» en «in der falschen Schlange» gaat het om de plaats waar mensen wachten.
für
«für» betekent hier ‘voor’ en geeft aan waarvoor de rij of hulp bedoeld is. Het staat bijvoorbeeld in «die Schlange für Hilfe» en vóór een doel of soort dienst.
Hilfe
«Hilfe» betekent hier ‘hulp’, namelijk ondersteuning bij een aanvraag. In «für Hilfe bei einer komplizierten Anfrage» wordt het gevolgd door de uitleg waarbij die hulp nodig is.
bei
«bei» betekent hier ‘bij’ of ‘met’ in de betekenis van hulp bij een aanvraag. De vaste combinatie in de dialoog is «Hilfe bei einer komplizierten Anfrage».
einer
«einer» betekent hier ‘een’ en hoort bij «komplizierten Anfrage». Het is de datiefvorm van het onbepaalde lidwoord eine na «bei», zoals in «bei einer komplizierten Anfrage».
komplizierten
«komplizierten» betekent ‘ingewikkelde’ en beschrijft in «einer komplizierten Anfrage» het soort aanvraag. De uitgang past hier bij het lidwoord «einer» en het zelfstandig naamwoord «Anfrage».
Anfrage
«Anfrage» betekent hier ‘aanvraag’ of ‘verzoek om informatie’. In «einer komplizierten Anfrage» benoemt het de gedetailleerde kwestie waarvoor de spreker hulp zoekt.
Diese
«Diese» betekent hier ‘deze’ en wijst samen met «Schlange» naar de rij waarin de gesprekspartners staan. In «Diese Schlange ist für einfache Fragen» staat het vóór het zelfstandig naamwoord.
einfache
«einfache» betekent ‘eenvoudige’ en beschrijft in «einfache Fragen» vragen waarvoor deze rij bedoeld is. Het patroon is een bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord.
Fragen
«Fragen» betekent hier ‘vragen’ en is het meervoud van Frage. In «für einfache Fragen» verwijst het naar gewone, niet-uitgebreide vragen aan de balie.
nicht
«nicht» betekent ‘niet’ en ontkent hier waarvoor de rij bedoeld is. In «nicht für ausführliche Anfragen» vormt het een tegenstelling met «für einfache Fragen».
ausführliche
«ausführliche» betekent ‘uitgebreide’ of ‘gedetailleerde’ en beschrijft in «ausführliche Anfragen» het soort verzoeken dat niet in deze rij wordt behandeld. Het staat vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord.
Anfragen
«Anfragen» betekent hier ‘aanvragen’ of ‘verzoeken om informatie’ en is de meervoudsvorm van Anfrage. In «nicht für ausführliche Anfragen» gaat het om meerdere mogelijke verzoeken.
Schild
«Schild» betekent hier ‘bord’ of ‘informatiebord’. In «Das Schild ist verwirrend» is het bord de bron van de onduidelijkheid over waar men moet wachten.
verwirrend
«verwirrend» betekent ‘verwarrend’ en beschrijft het effect van het bord op de spreker. In «Das Schild ist verwirrend» staat het na «ist» als beschrijving van het onderwerp.
deshalb
«deshalb» betekent ‘daarom’ en verbindt de verwarrende informatie met het gevolg dat de spreker niet wist waar te wachten. In «deshalb war ich mir nicht sicher» staat het gevolg direct na de oorzaak.
war
«war» betekent hier ‘was’ en beschrijft de eerdere onzekerheid van de spreker. Het is een verleden vorm van sein in «war ich mir nicht sicher».
ich
«ich» betekent ‘ik’ en verwijst naar de spreker. In «ich war mir nicht sicher» en «Ich möchte nicht ...» is het de persoon die de onzekerheid of wens uitdrukt.
mir
«mir» betekent hier ‘voor mij’ of ‘tegenover mij’ in de uitdrukking «mir nicht sicher». Samen met «ich» drukt het uit dat de spreker ergens niet zeker van was.
sicher
«sicher» betekent hier ‘zeker’ in «mir nicht sicher». Met «nicht» beschrijft het dat de spreker niet wist waar hij of zij moest wachten.
wo
«wo» betekent ‘waar’ en introduceert in «wo ich warten sollte» de plaats waar de spreker moest wachten. In zo’n bijzin staat de vervoegde werkwoordsvorm aan het einde.
warten
«warten» betekent hier ‘wachten’ in «wo ich warten sollte». In «zusätzliches Warten» wordt dezelfde vorm als zelfstandig naamwoord gebruikt voor extra wachttijd.
sollte
«sollte» betekent hier ‘zou moeten’ of ‘moest’ en geeft aan welke handeling volgens de spreker passend was. In «wo ich warten sollte» staat het aan het einde van de bijzin.
stellen
«stellen» betekent hier ‘plaatsen’ of ‘zich opstellen’; met «sich» betekent «sich in die Schlange stellen» in de rij gaan staan. De vorm staat in «stellen Sie sich in die Schlange» als beleefde instructie.
Sie
«Sie» betekent in «stellen Sie sich» en «Sagen Sie ihnen» ‘u’ in de formele aanspreekvorm. In «Sie können Ihnen zeigen» betekent dezelfde geschreven vorm ‘zij’; de betekenis blijkt daar uit de zin en het werkwoord.
sich
«sich» verwijst hier naar de persoon die zichzelf in de rij plaatst. In «stellen Sie sich in die Schlange» hoort het bij de constructie voor ergens in de rij gaan staan.
in
«in» geeft hier een plaats of richting aan: «in die Schlange» betekent de rij in, terwijl «in der Nähe» een locatie aanduidt. Het voorzetsel wordt dus gebruikt bij zowel ergens naartoe gaan als ergens zijn.
der
«der» is hier het bepaalde lidwoord bij «Nähe» in de plaatsaanduiding «in der Nähe». Na het plaatsaanduidende «in» staat hier de datiefvorm.
Nähe
«Nähe» betekent ‘nabijheid’ of ‘de buurt’. In «in der Nähe des Hauptschalters» geeft het aan dat de rij dicht bij de hoofdbalie staat.
des
«des» betekent hier ‘van de’ en verbindt «Hauptschalters» met «Nähe». In «der Nähe des Hauptschalters» geeft het aan waarvan de nabijheid wordt bepaald.
Hauptschalters
«Hauptschalters» betekent hier ‘hoofdbalie’ of ‘hoofdschakelaar/balie’ en staat in «des Hauptschalters» als genitiefvorm van Hauptschalter. Het patroon «in der Nähe des Hauptschalters» benoemt een plaats ten opzichte van die balie.
Soll
«Soll» betekent hier ‘zal ik’ of ‘moet ik’ en vraagt welke handeling de spreker moet uitvoeren. In «Soll ich an der Rezeption nachfragen ...?» staat het vooraan om een vraag over een mogelijke actie te vormen.
an
«an» betekent hier ‘bij’ in «an der Rezeption». Het geeft de plaats aan waar de spreker navraag wil doen.
Rezeption
«Rezeption» betekent ‘receptie’ of ‘receptiebalie’. In «an der Rezeption nachfragen» is het de plek waar iemand informatie kan geven.
nachfragen
«nachfragen» betekent hier ‘navraag doen’ of ‘iets navragen’. In «an der Rezeption nachfragen» vraagt de spreker eerst om informatie voordat de rij wordt veranderd.
bevor
«bevor» betekent ‘voordat’ en geeft aan dat de ene handeling eerder moet gebeuren dan de andere. In «bevor ich die Schlange wechsle» leidt het een bijzin in met het werkwoord aan het einde.
wechsle
«wechsle» betekent hier ‘verander’ of ‘wissel’ en verwijst naar het verlaten van de huidige rij voor een andere. Het is de vorm van wechseln in «bevor ich die Schlange wechsle».
Sagen
«Sagen» betekent hier ‘zeg’ of ‘vertel’ en staat als beleefde instructie aan een formeel aangesproken persoon. In «Sagen Sie ihnen, was Sie brauchen» wordt aangegeven dat iemand zijn behoefte moet uitleggen.
ihnen
«ihnen» betekent in «Sagen Sie ihnen» ‘aan hen’ of ‘tegen hen’. De hoofdlettervorm «Ihnen» in «Sie können Ihnen zeigen» betekent daar ‘aan u’ in de formele aanspreekvorm.
was
«was» betekent hier ‘wat’ en leidt de inhoud in van wat de persoon nodig heeft. In «was Sie brauchen» staat het in een bijzin waarin het werkwoord aan het einde staat.
brauchen
«brauchen» betekent ‘nodig hebben’ in «was Sie brauchen». Het neemt hier als inhoud aan wat de bezoeker bij de receptie nodig heeft of wil regelen.
können
«können» betekent hier ‘kunnen’ en drukt de mogelijkheid uit dat de medewerkers de bezoeker de juiste richting wijzen. In «Sie können Ihnen zeigen» staat daarna de infinitief «zeigen».
zeigen
«zeigen» betekent hier ‘laten zien’ of ‘aanwijzen’. In «Ihnen zeigen, wo Sie hinmüssen» krijgt iemand informatie over de plaats waar hij of zij naartoe moet.
hinmüssen
«hinmüssen» betekent hier ‘ergens naartoe moeten gaan’. In «wo Sie hinmüssen» combineert het de richting van hin met de noodzaak van müssen en staat het aan het einde van de bijzin.
möchte
«möchte» drukt een beleefde wens of voorkeur uit, hier: de spreker wil niet in de verkeerde rij wachten. In «Ich möchte nicht ...» zorgt «nicht» ervoor dat die wens wordt ontkend.
falschen
«falschen» betekent ‘verkeerde’ en beschrijft in «in der falschen Schlange» de rij waarin de spreker niet wil wachten. De uitgang past bij «der» en «Schlange» in deze plaatsaanduiding.
passiert
«passiert» betekent hier ‘gebeurt’ in «Das passiert oft». Het verwijst naar het regelmatig terechtkomen in of bijna wachten in de verkeerde rij.
oft
«oft» betekent ‘vaak’ en geeft aan dat de beschreven vergissing regelmatig voorkomt. In «Das passiert oft» versterkt het de algemene observatie van de medewerker.
weil
«weil» betekent ‘omdat’ en geeft de reden voor het vaak gebeuren. In «weil das Schild nicht besonders klar ist» leidt het een bijzin in met «ist» aan het einde.
besonders
«besonders» betekent hier ‘bijzonder’ of ‘erg’ in de ontkennende combinatie «nicht besonders klar». De combinatie maakt duidelijk dat het bord niet echt duidelijk is, zonder de bewering sterker te maken dan nodig.
klar
«klar» betekent hier ‘duidelijk’ en beschrijft of de informatie op het bord gemakkelijk te begrijpen is. In «nicht besonders klar» wordt die duidelijkheid ontkend of afgezwakt.
Lassen
«Lassen» betekent hier ‘laat’ in de beleefde constructie «Lassen Sie mich zuerst fragen». Daarmee vraagt de spreker toestemming om eerst zelf iets te vragen.
mich
«mich» betekent ‘mij’ en verwijst naar de spreker als degene die de handeling uitvoert. In «Lassen Sie mich zuerst fragen» is de spreker degene die eerst zal vragen.
zuerst
«zuerst» betekent ‘eerst’ en geeft de volgorde van de handelingen aan. In «zuerst fragen und mich dann ... stellen» komt het vragen vóór het in de juiste rij gaan staan.
und
«und» betekent ‘en’ en verbindt twee opeenvolgende handelingen. In «zuerst fragen und mich dann ... stellen» koppelt het vragen aan daarna in de rij gaan staan.
dann
«dann» betekent ‘dan’ of ‘daarna’ en markeert de tweede stap in de volgorde. In «mich dann in die richtige Schlange stellen» volgt het in de juiste rij gaan staan op het vragen.
richtige
«richtige» betekent hier ‘juiste’ en beschrijft in «die richtige Schlange» de rij die bij de behoefte van de spreker past. Het staat vóór «Schlange» en vormt samen met het lidwoord de volledige plaatsaanduiding.
helfen
«helfen» betekent hier ‘helpen’ in «Ihnen helfen, zusätzliches Warten zu vermeiden». De constructie geeft aan wie hulp krijgt en welk doel die hulp heeft.
zusätzliches
«zusätzliches» betekent ‘extra’ of ‘aanvullend’ en beschrijft in «zusätzliches Warten» wachttijd die boven op de normale wachttijd komt. De vorm hoort bij het als zelfstandig naamwoord gebruikte «Warten».
zu
«zu» is hier de infinitiefmarkeerder in «zu vermeiden», niet het voorzetsel ‘naar’. Samen met het werkwoord vormt het de doelhandeling in «helfen, zusätzliches Warten zu vermeiden».
vermeiden
«vermeiden» betekent ‘vermijden’ of ‘voorkomen’ en heeft hier «zusätzliches Warten» als datgene wat men wil voorkomen. In «zu vermeiden» staat het na «zu» als doel van de geboden hulp.