Even je plek in de rij laten vasthouden | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: While waiting in line, one person asks another to hold their place briefly while staying nearby and visible..

NL → DE / Niveau: B1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Even je plek in de rij laten vasthouden oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Darf ich dich um einen kleinen Gefallen bitten, während wir in der Schlange stehen?

Darf ich dich um aj-nen klaj-nen ge-fa-len bit-ten, vee-rent vier in deer sjlang-uh sjtee-en? Mag ik je om een kleine gunst vragen terwijl we in de rij staan?
B

Sag mir, was du brauchst, dann kann ich dir vielleicht helfen.

Zaak mier, vas doe brau-chst, dan kan ich dier fie-lajcht hel-fen. Vertel me wat je nodig hebt, dan kan ik misschien helpen.
A

Könntest du meinen Platz in der Schlange freihalten, während ich etwas Wasser hole?

Keun-test doe maj-nen plats in deer sjlang-uh fraj-hal-ten, vee-rent ich et-vas vas-uh hoo-luh? Zou je mijn plek in de rij kunnen vasthouden terwijl ik wat water haal?
B

Das kann ich machen, wenn du in der Nähe der Schlange bleibst.

Das kan ich ma-chen, ven doe in deer nee-uh der sjlang-uh blajpst. Dat kan ik doen als je dicht bij de rij blijft.
A

Ich kann dort bleiben, wo du mich sehen kannst, und die Schlange im Auge behalten.

Ich kan dort blaj-ben, voo doe mich zeen kanst, oent die sjlang-uh im au-guh be-hal-ten. Ik kan op een plek blijven waar je me kunt zien en de rij in de gaten houden.
B

Das hilft, weil sich die Leute Sorgen machen könnten, wenn jemand verschwindet.

Das hilft, vajl zich die loi-tuh zor-gen ma-chen keun-ten, ven jee-mant fer-sjvin-det. Dat helpt, want mensen kunnen zich zorgen maken als iemand verdwijnt.
A

Ich möchte nicht, dass jemand denkt, ich drängle mich vor.

Ich meuch-tuh nicht, das jee-mant denkt, ich dreng-luh mich foor. Ik wil niet dat iemand denkt dat ik voordring.
B

Wenn jemand fragt, kann ich erklären, dass du in der Nähe geblieben bist.

Ven jee-mant fraakt, kan ich er-klee-ren, das doe in deer nee-uh ge-blee-ben bist. Als iemand het vraagt, kan ik uitleggen dat je in de buurt bent gebleven.
A

Ich bin schnell zurück. Danke für deine Hilfe.

Ich bin sjnel tsu-ruk. Dan-kuh vuur daj-nuh hil-fuh. Ik ben snel terug. Bedankt voor je hulp.
B

Komm einfach zurück, bevor die Schlange stark vorrückt.

Kom ajn-fach tsu-ruk, be-foor deer sjlang-uh sjtark foor-rukt. Kom gewoon terug voordat de rij veel opschuift.

Uitleg van de zinnen

  1. Darf ich dich um einen kleinen Gefallen bitten, während wir in der Schlange stehen?

    Mag ik je om een kleine gunst vragen terwijl we in de rij staan?

    Darf ich
    mag ik
    dich
    jou
    kleinen
    kleine
    Gefallen
    gunst
    bitten
    vragen
    während
    terwijl
    wir
    wij
    in der Schlange stehen
    in de rij staan
    Uitgebreide uitleg

    Darf ich is een vaste, beleefde vraag om toestemming of om iets te mogen vragen/doen. darf is de vorm van dürfen bij ich; de basisbetekenis is ‘mogen’. Bijvoorbeeld: Darf ich hereinkommen? = ‘Mag ik binnenkomen?’ dich is de accusatiefvorm van du en verwijst hier naar de aangesprokene. Vergelijk: du als onderwerp (‘jij’) en dich als lijdend voorwerp (‘jou’). In Darf ich dich ... bitten? is de aangesprokene degene aan wie de vraag wordt gericht. kleinen komt van het bijvoeglijk naamwoord klein (‘klein’). De vorm krijgt hier de uitgang -en, omdat hij bij Gefallen hoort in de mannelijke accusatief enkelvoud na einen: einen kleinen Gefallen. De uitgang hoort dus bij klein, niet bij het zelfstandig naamwoord. Gefallen betekent hier ‘gunst’ of ‘kleine dienst’. De nuttige combinatie is jemanden um einen Gefallen bitten: iemand om een gunst vragen. Gefallen is hier het zelfstandig naamwoord; het werkwoord met dezelfde spelling, gefallen, heeft een andere betekenis (‘bevallen’) en is niet de basis van dit zelfstandig naamwoord. bitten betekent ‘vragen’ en is hier de infinitief na darf. Voor een verzoek om iets gebruikt het Duits vaak het patroon jemanden um etwas bitten: Ich bitte dich um Hilfe. = ‘Ik vraag je om hulp.’ dich noemt de persoon en um einen kleinen Gefallen noemt datgene waarnaar gevraagd wordt. während betekent ‘terwijl’ en leidt hier een bijzin in. In zo’n Duitse bijzin staat de vervoegde werkwoordsvorm doorgaans aan het einde. Het kan ook als voorzetsel worden gebruikt, maar in deze zin verbindt het een handeling met een gelijktijdige situatie. wir betekent ‘wij’ en is hier het onderwerp van de bijzin. Het is de eerste persoon meervoud van het persoonlijke voornaamwoord; het verwijst naar de spreker samen met ten minste één andere persoon. in der Schlange stehen betekent ‘in de rij staan’. stehen is de infinitief (‘staan’); in deze bijzin verschijnt de vervoegde vorm aan het einde: wir ... stehen. Het patroon in der Schlange stehen is een bruikbare vaste combinatie voor wachten in een rij. Bijvoorbeeld: Wir stehen vor dem Eingang. = ‘Wij staan voor de ingang.’ Geheel samengevoegd: Darf ich dich um einen kleinen Gefallen bitten betekent ‘Mag ik je om een kleine gunst vragen’. während wir in der Schlange stehen voegt de gelijktijdige situatie toe: ‘terwijl we in de rij staan’. De volledige zin is dus: ‘Mag ik je om een kleine gunst vragen terwijl we in de rij staan?’

  2. Sag mir, was du brauchst, dann kann ich dir vielleicht helfen.

    Vertel me wat je nodig hebt, dan kan ik misschien helpen.

    Sag mir
    vertel me
    was
    wat
    du
    je
    brauchst
    nodig hebt
    dann
    dan
    kann ich
    kan ik
    dir
    je / jou
    vielleicht
    misschien
    helfen
    helpen
    Uitgebreide uitleg

    Sag mir is een vaste combinatie van het werkwoord sagen (“zeggen”) en het voornaamwoord mir (“tegen mij / mij”). Sag is de gebiedende wijs voor één aangesproken persoon; het onderwerp du wordt daarbij niet uitgesproken. Vergelijk: Sag mir die Wahrheit. — “Vertel me de waarheid.” was betekent hier “wat” en leidt de indirecte vraag was du brauchst in. In zo’n bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan. Was brauchst du? is de directe vraag; in de indirecte vraag wordt dat was du brauchst. du is de vorm voor één informeel aangesproken persoon. Het is hier het onderwerp van brauchst. brauchst komt van brauchen (“nodig hebben”). Dit is de tegenwoordige tijd voor du: du brauchst. Het werkwoord neemt gewoonlijk een voorwerp: Ich brauche Hilfe. — “Ik heb hulp nodig.” In de vaste zin blijft datgene wat nodig is ongespecificeerd. dann betekent “dan” en verbindt de voorwaarde of aanleiding met wat daarna gebeurt. Na dann staat kann vóór het onderwerp: dann kann ich .... Dat is de normale woordvolgorde in deze hoofdzin, omdat dann de eerste positie inneemt. kann ich bestaat uit de vorm kann van können en het onderwerp ich. kann is de tegenwoordige tijd voor de eerste persoon enkelvoud en drukt hier mogelijkheid of vermogen uit: “ik kan”. Bij een modaal werkwoord staat het andere werkwoord als infinitief aan het einde van de hoofdzin. dir is de datiefvorm van du en betekent hier “jou / voor jou”. Het verwijst naar degene tegen wie wordt gesproken. Bij helfen staat de geholpen persoon in de datief: Ich helfe dir. — “Ik help je.” vielleicht betekent “misschien” en maakt de mogelijkheid minder zeker. Het verandert niet de vorm van het werkwoord kann. helfen is de infinitief van “helpen”. Na können blijft het in de infinitief staan: Ich kann dir helfen. — “Ik kan je helpen.” De combinatie jemandem helfen gebruikt datief voor de persoon die hulp krijgt. Samen vraagt de spreker eerst om informatie — wat de aangesproken persoon nodig heeft — en verbindt dat met het mogelijke gevolg dat de spreker daarna kan helpen. De vaste Nederlandse betekenis is: “Vertel me wat je nodig hebt, dan kan ik misschien helpen.”

  3. Könntest du meinen Platz in der Schlange freihalten, während ich etwas Wasser hole?

    Zou je mijn plek in de rij kunnen vasthouden terwijl ik wat water haal?

    Könntest du
    zou je kunnen
    meinen Platz
    mijn plek
    freihalten
    vrijhouden
    Schlange
    rij
    während
    terwijl
    Wasser
    water
    hole
    haal
    Uitgebreide uitleg

    Könntest du betekent hier een beleefd verzoek: “zou je kunnen…?”. könntest is de vorm van können voor du in de Konjunktiv II. De vorm maakt het verzoek voorzichtiger dan het directe Kannst du …?; du is het aangesproken enkelvoud. meinen Platz betekent “mijn plek”. Platz is een mannelijk zelfstandig naamwoord. In deze naamwoordgroep staat meinen in de accusatief enkelvoud mannelijk, omdat de plek het directe object is van freihalten. Vergelijk: mein Platz als onderwerp, maar Ich sehe meinen Platz als lijdend voorwerp. freihalten betekent “vrijhouden” of “reserveren”. Het is een samengesteld werkwoord met frei + halten; de vorm staat hier als infinitief na könntest. Een bruikbaar patroon is jemandem etwas freihalten: “iets voor iemand vrijhouden”. Voorbeeld: Ich halte dir einen Sitz frei. — “Ik houd een zitplaats voor je vrij.” Schlange betekent hier “rij”, in de betekenis van een rij wachtende mensen. In in der Schlange staat het woord in de datief na in, omdat het om een plaats gaat. der is hier dus de datiefvorm bij het vrouwelijke woord die Schlange; het betekent niet dat het woord mannelijk is. während betekent “terwijl” en leidt een bijzin in. In de bijzin staat het vervoegde werkwoord doorgaans achteraan. Het patroon is bijvoorbeeld während ich … hole: “terwijl ik … haal”. Wasser betekent “water”. Het is hier een stofnaam en wordt zonder onbepaald lidwoord gebruikt. etwas Wasser betekent “wat water”, waarbij etwas een onbepaalde hoeveelheid aanduidt. hole betekent hier “haal”. Het is de eerste persoon enkelvoud van holen in de tegenwoordige tijd: ich hole. holen betekent iets of iemand gaan halen of ophalen. Voorbeeld: Ich hole Brot. — “Ik haal brood.” Samen is de structuur: Könntest du + meinen Platz freihalten + während ich etwas Wasser hole? De spreker vraagt de aangesprokene beleefd om de plek van de spreker in de rij vrij te houden gedurende de tijd waarin de spreker water gaat halen. De hele zin betekent dus: “Zou je mijn plek in de rij kunnen vasthouden terwijl ik wat water haal?”

  4. Das kann ich machen, wenn du in der Nähe der Schlange bleibst.

    Dat kan ik doen als je dicht bij de rij blijft.

    Das
    dat
    kann ich
    kan ik
    machen
    doen
    wenn
    als
    du
    je
    in der Nähe
    dichtbij; in de buurt
    der Schlange
    de rij
    bleibst
    blijft
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dat” en verwijst naar de voorgaande handeling of situatie als geheel. Het is een aanwijzend voornaamwoord; het verwijst hier dus niet noodzakelijk naar een zelfstandig naamwoord met een bepaald grammaticaal geslacht. In kann ich staat kann als eerste werkwoord in de hoofdzin, vóór het onderwerp ich. Kann is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud van können; samen met een infinitief drukt können mogelijkheid of bereidheid uit. Het patroon is: kann + persoon + infinitief, bijvoorbeeld: Das kann ich verstehen. — “Dat kan ik begrijpen.” Machen is de infinitief van machen, “doen” of “maken”. Na het modale werkwoord kann blijft het hoofdwerkwoord in de infinitief en staat het aan het einde van de hoofdzin: Ich kann das machen. — “Ik kan dat doen.” In deze zin verwijst das naar de aangeboden handeling, zonder dat die handeling opnieuw wordt benoemd. Wenn leidt een voorwaardelijke bijzin in en betekent hier “als”. In zo’n bijzin staat het vervoegde werkwoord doorgaans achteraan. Het patroon is: wenn + onderwerp + ... + werkwoord, bijvoorbeeld: Ich helfe dir, wenn du Zeit hast. — “Ik help je als je tijd hebt.” Du is de informele tweede persoon enkelvoud: “je/jij”. De vorm hoort bij één aangesproken persoon; de context identificeert die aangesproken persoon, maar de zin zegt niet dat er meer dan één persoon aanwezig is. In der Nähe betekent “in de buurt” of “dichtbij”. Nähe is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; in deze vaste voorzetselgroep staat Nähe na in in de datief: in der Nähe. De groep geeft hier de plaatsrelatie aan, niet een beweging naar die plaats. Der Schlange betekent hier “de rij”. Schlange kan in andere contexten ook “slang” betekenen, maar de vaste vertaling en de context van een plek in een rij bepalen hier de betekenis “rij”. In der Schlange is der de genitiefvorm van het vrouwelijke lidwoord bij Schlange. De groep geeft aan van welke rij sprake is: in der Nähe der Schlange betekent dat iets zich in de buurt van de rij bevindt. De datief staat eerder in in der Nähe; der Schlange is daarvan een genitiefbepaling. Bleibst is de vorm voor de tweede persoon enkelvoud van bleiben, “blijven”, in de tegenwoordige tijd: du bleibst. Het werkwoord staat achteraan omdat het deel uitmaakt van de bijzin met wenn. De zin stelt als voorwaarde dat je in de buurt van de rij blijft; bleiben beschrijft het voortduren van een verblijf, niet het gaan naar die plek. De hoofdzin Das kann ich machen betekent “Dat kan ik doen”. De voorwaardelijke bijzin wenn du in der Nähe der Schlange bleibst voegt de voorwaarde toe: “als je dicht bij de rij blijft”. Samen betekent de hele uiting: “Dat kan ik doen als je dicht bij de rij blijft.”

  5. Ich kann dort bleiben, wo du mich sehen kannst, und die Schlange im Auge behalten.

    Ik kan op een plek blijven waar je me kunt zien en de rij in de gaten houden.

    Ich kann
    ik kan
    dort
    daar
    bleiben
    blijven
    wo
    waar
    sehen
    zien
    du mich sehen kannst
    je me kunt zien
    die Schlange
    de rij
    im Auge behalten
    in de gaten houden
    Uitgebreide uitleg

    Ich kann bevat können in de eerste persoon enkelvoud: ich kann. Het drukt hier mogelijkheid of vermogen uit. Na een vorm van können staat het andere werkwoord als infinitief aan het einde van de betreffende woordgroep, zoals in Ich kann bleiben — “Ik kan blijven”. dort betekent “daar” en verwijst naar een plaats. Samen met bleiben vormt het de concrete gedachte “daar blijven”. bleiben is de infinitief; de tegenwoordige vormen zijn bijvoorbeeld ich bleibe en du bleibst. Het betekent dat iemand op een plaats blijft, niet dat iemand erheen gaat. wo leidt hier een plaatsbepalende bijzin in: “waar”. Het verwijst naar de plaats die door dort wordt aangeduid. In het Duits staat het vervoegde werkwoord in zo’n bijzin achteraan. sehen is de infinitief “zien”. In du mich sehen kannst is du het onderwerp, mich het object (“mij”), en kannst de vorm van können voor du. De volgorde du mich sehen kannst betekent dus “je mij kunt zien”; in natuurlijk Nederlands: “je me kunt zien”. Voorbeeld: Ich bleibe hier, wo du mich sehen kannst. — “Ik blijf hier, waar je me kunt zien.” du mich sehen kannst maakt concreet welke plaats met dort bedoeld wordt: het is een plaats waar de spreker zichtbaar blijft voor de aangesprokene. De bijzin staat na bleiben en verklaart de plaatsvoorwaarde. die Schlange is hier volgens de vaste vertaling “de rij”. Schlange is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; die is hier het bepaald lidwoord en drukt op zichzelf geen aantal uit. In deze zin staat de woordgroep als lijdend voorwerp bij behalten. Hetzelfde Duitse woord kan in een andere context ook “slang” betekenen, maar de gegeven betekenis is hier “rij”. im Auge behalten is een vaste uitdrukking met de betekenis “in de gaten houden” of “blijven opletten”. Letterlijk bevat zij im (= in dem) en Auge (“oog”), maar de combinatie moet als geheel worden geleerd. behalten is hier de infinitief; na kann blijft die vorm staan. Voorbeeld: Behalte die Tür im Auge. — “Houd de deur in de gaten.” De zin begint met de mogelijkheid van de spreker: Ich kann dort bleiben. De plaats wordt daarna verduidelijkt met wo du mich sehen kannst. Na und wordt een tweede handeling toegevoegd: die Schlange im Auge behalten. Omdat kann beide handelingen omvat, wordt kann niet opnieuw herhaald: “Ik kan daar blijven waar je me kunt zien en de rij in de gaten houden.”

  6. Das hilft, weil sich die Leute Sorgen machen könnten, wenn jemand verschwindet.

    Dat helpt, want mensen kunnen zich zorgen maken als iemand verdwijnt.

    Das
    dat
    hilft
    helpt
    Leute
    mensen
    sich … Sorgen machen
    zich zorgen maken
    könnten
    zouden kunnen
    jemand
    iemand
    verschwindet
    verdwijnt
    Uitgebreide uitleg

    Das betekent hier “dat” en verwijst naar een al bekende zaak of situatie. De precieze referent wordt in deze zin niet zelfstandig genoemd. Als aanwijzend voornaamwoord kan das ook naar een hele voorafgaande handeling of situatie verwijzen. hilft is de derde persoon enkelvoud van helfen in de tegenwoordige tijd: helfen – hilft. Het onderwerp is Das, daarom staat het werkwoord in het enkelvoud. Voorbeeld: Das hilft mir. = “Dat helpt mij.” Leute betekent “mensen” en is in deze betekenis een meervoudig zelfstandig naamwoord zonder normaal enkelvoud. Als je over één persoon spreekt, gebruik je bijvoorbeeld eine Person of ein Mensch; dat zijn geen enkelvoudsvormen van Leute. Hier is Leute het onderwerp van de constructie sich Sorgen machen. In sich Sorgen machen betekent Sorgen machen hier “zich zorgen maken”; sich hoort bij de mensen die zich zorgen maken. De wederkerende vorm wisselt mee met de persoon: Ich mache mir Sorgen = “Ik maak me zorgen”, maar Sie machen sich Sorgen = “Zij maken zich zorgen”. In de vaste zin staat sich vóór het onderwerp die Leute, terwijl Sorgen machen daarna staat. könnten komt van können en drukt hier een mogelijkheid uit: de mensen zouden zich zorgen kunnen maken. Het is de vorm van de Konjunktiv II bij het meervoudige onderwerp die Leute; de vorm kan ook een voorzichtige of niet-zekere formulering geven. Voorbeeld: Sie könnten später kommen. = “Ze zouden later kunnen komen.” jemand betekent “iemand” en gedraagt zich hier als een grammaticaal enkelvoudig onderwerp. Daarom staat het werkwoord in wenn jemand verschwindet in de derde persoon enkelvoud. verschwindet is de derde persoon enkelvoud van verschwinden in de tegenwoordige tijd: verschwinden – verschwindet. Hier betekent het “verdwijnt”. In een bijzin met wenn staat het vervoegde werkwoord achteraan. Voorbeeld: Wenn er verschwindet, rufe ich an. = “Als hij verdwijnt, bel ik.” weil leidt de reden in en plaatst het vervoegde werkwoord aan het einde van die bijzin: weil sich die Leute Sorgen machen könnten. De bijzin met wenn geeft de situatie aan waarin dat mogelijk is: wenn jemand verschwindet. Samen betekenen de delen Das hilft + weil sich die Leute Sorgen machen könnten + wenn jemand verschwindet: “Dat helpt, want mensen kunnen zich zorgen maken als iemand verdwijnt.”

  7. Ich möchte nicht, dass jemand denkt, ich drängle mich vor.

    Ik wil niet dat iemand denkt dat ik voordring.

    möchte nicht
    wil niet
    jemand
    iemand
    denkt
    denkt
    mich
    mij; me
    drängle … vor
    dring voor
    Uitgebreide uitleg

    möchte nicht drukt hier uit dat de spreker iets niet wil. möchte is de ik-vorm van mögen in de Konjunktiv II; deze vorm wordt vaak gebruikt om een wens uit te drukken en betekent hier “wil”. Het is dus niet correct om möchten als de infinitief van deze vorm te behandelen. Voorbeeld: Ich möchte gehen. — Ik wil gaan. jemand betekent hier “iemand” en is het onderwerp van denkt. Het is een onbepaald voornaamwoord voor een niet nader aangeduide persoon. In deze zin is het grammaticaal enkelvoud, daarom staat het werkwoord in de derde persoon enkelvoud. denkt komt van denken en is de tegenwoordige tijd, derde persoon enkelvoud: jemand denkt. In de bijzin met dass staat het vervoegde werkwoord achteraan: dass jemand denkt — dat iemand denkt. mich is de accusatiefvorm van het persoonlijke voornaamwoord bij ich: ich = ik als onderwerp, mich = mij als voorwerp. Hier is het ook het wederkerende voornaamwoord bij ich in sich vordrängeln; bij de eerste persoon wordt dat mich. drängle ... vor hoort bij het scheidbare werkwoord sich vordrängeln, hier met de betekenis “voordringen”. drängle komt van drängeln en is de tegenwoordige tijd bij ich; vor staat in deze hoofdzin aan het einde. Samen met mich ontstaat ich drängle mich vor — ik dring voor. Voorbeeld: Ich drängle mich nicht vor. — Ik dring niet voor. De structuur is Ich möchte nicht, dass ...: “Ik wil niet dat ...”. Na dass volgt jemand denkt; ich drängle mich vor geeft vervolgens weer wat die persoon denkt. Samen betekent de hele zin: “Ik wil niet dat iemand denkt dat ik voordring.”

  8. Wenn jemand fragt, kann ich erklären, dass du in der Nähe geblieben bist.

    Als iemand het vraagt, kan ik uitleggen dat je in de buurt bent gebleven.

    Wenn jemand
    als iemand
    fragt
    vraagt
    kann ich
    kan ik
    erklären
    uitleggen
    du
    je
    in der Nähe
    in de buurt
    geblieben bist
    bent gebleven
    Uitgebreide uitleg

    Wenn jemand betekent hier “als iemand”. Wenn leidt een bijzin in en kan, afhankelijk van de context, “als” of “wanneer” betekenen. jemand is een onbepaald voornaamwoord voor een persoon en staat hier als onderwerp. fragt komt van fragen (“vragen”). Dit is de tegenwoordige tijd, derde persoon enkelvoud: jemand fragt. Voorbeelden: Ich frage. — “Ik vraag.” Sie fragt. — “Zij vraagt.” kann ich gebruikt het modale werkwoord können (“kunnen”) in de eerste persoon enkelvoud: ich kann. Na een modaal werkwoord staat het andere werkwoord doorgaans als infinitief aan het einde van de hoofdzin; hier is dat erklären. Omdat de bijzin vooropstaat, begint de hoofdzin met het vervoegde werkwoord: Wenn ..., kann ich .... erklären betekent “uitleggen”. De infinitief blijft onveranderd na kann: Ich kann es erklären. — “Ik kan het uitleggen.” du is het persoonlijke voornaamwoord voor de tweede persoon enkelvoud, hier vertaald als “je”. Het is het onderwerp van de daaropvolgende bijzin. De vorm verschilt van de beleefde aanspreekvorm Sie. in der Nähe betekent “in de buurt” of “dichtbij”. Nähe is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; in deze vaste plaatsaanduiding staat het met der. Een bruikbaar patroon is in der Nähe von ...: Das Geschäft ist in der Nähe. — “De winkel is in de buurt.” geblieben bist komt van bleiben (“blijven”). De vorm geblieben is het voltooid deelwoord. In de voltooide tijd gebruikt bleiben het hulpwerkwoord sein: du bist geblieben — “je bent gebleven”. In een Duitse bijzin staat het vervoegde hulpwerkwoord aan het einde, waardoor de volgorde hier geblieben bist is. De tweede persoon enkelvoud herken je aan bist, de vorm van sein bij du. Samen vormen de delen: Wenn jemand fragt = “Als iemand het vraagt”, kann ich erklären = “kan ik uitleggen”, en dass du in der Nähe geblieben bist = “dat je in de buurt bent gebleven”. Dass leidt de inhoudelijke bijzin in; daarin staat het werkwoordelijke geheel aan het einde. De volledige betekenis is: “Als iemand het vraagt, kan ik uitleggen dat je in de buurt bent gebleven.”

  9. Ich bin schnell zurück. Danke für deine Hilfe.

    Ik ben snel terug. Bedankt voor je hulp.

    Ich bin
    ik ben
    schnell
    snel
    zurück
    terug
    Danke
    bedankt
    für
    voor
    deine
    je/jouw
    Hilfe
    hulp
    Uitgebreide uitleg

    Ich bin bevat het persoonlijk voornaamwoord ich voor de eerste persoon enkelvoud en de tegenwoordige vorm bin van sein (“zijn”). Samen vormt dit hier de mededeling “ik ben”. Andere vormen van sein zijn bijvoorbeeld du bist en wir sind; de vorm verandert dus volgens de persoon en het getal van het onderwerp. schnell betekent hier “snel”. In Ich bin schnell zurück geeft het aan dat de spreker snel terug zal zijn; in de vaste vertaling is dat “Ik ben snel terug”. Dezelfde vorm kan ook als bijvoeglijk naamwoord bij een zelfstandig naamwoord staan, bijvoorbeeld ein schnelles Auto — “een snelle auto”. zurück betekent “terug”. Met sein drukt het hier uit dat de spreker terug is of terug zal zijn: Ich bin zurück betekent “Ik ben terug”. In een andere constructie kan zurück deel zijn van een scheidbaar werkwoord, zoals zurückkommen — “terugkomen”: Ich komme zurück — “Ik kom terug”. Danke is de gebruikelijke dankuitdrukking voor “bedankt”. Het hangt samen met het werkwoord danken — “danken”. Danke! kan in een andere context ook de gebiedende wijs van danken zijn, maar in deze zin is het een dankuitdrukking. für is een voorzetsel met de vierde naamval (accusatief). Het betekent hier “voor” en verbindt de dank met datgene waarvoor iemand dank zegt. Een bruikbaar patroon is Danke für ... — “Bedankt voor ...”. deine betekent hier “je/jouw” en hoort bij Hilfe. Het is de vorm van het bezittelijk woord dein bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud. In deze naamwoordgroep staat Hilfe na für in de accusatief, maar bij vrouwelijk enkelvoud is deine in de nominatief en accusatief hetzelfde: deine Hilfe ist wichtig — “je hulp is belangrijk”. Hilfe is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Hilfe, “de hulp”. Het meervoud is Hilfen, bijvoorbeeld verschiedene Hilfen — “verschillende hulpmiddelen” of “verschillende vormen van hulp”, afhankelijk van de context. De eerste zin combineert Ich bin met schnell zurück: “Ik ben snel terug.” Danke für deine Hilfe betekent vervolgens “Bedankt voor je hulp.” Samen vormt de uiting dus: “Ik ben snel terug. Bedankt voor je hulp.”

  10. Komm einfach zurück, bevor die Schlange stark vorrückt.

    Kom gewoon terug voordat de rij veel opschuift.

    Komm
    kom!
    einfach
    gewoon
    zurück
    terug
    bevor
    voordat
    die Schlange
    de rij
    stark
    sterk; veel
    vorrückt
    opschuift
    Uitgebreide uitleg

    Komm is de gebiedende wijs van kommen (komen), gericht aan één persoon met du. De stamvorm is kommen; de bevelsvorm voor du is hier komm. Voorbeeld: Komm bitte herein. — Kom alsjeblieft binnen. einfach betekent hier “gewoon” en maakt het verzoek eenvoudig en ongecompliceerd van toon. Het betekent in andere contexten ook “eenvoudig”, maar die betekenis past hier niet als beschrijving van een zelfstandig naamwoord. zurück betekent “terug” en geeft de richting van de beweging aan. Samen vormen Komm en zurück het herbruikbare patroon Komm zurück — kom terug. zurück kan ook bij andere bewegingswerkwoorden staan, bijvoorbeeld Geh zurück. — Ga terug. bevor betekent “voordat” en leidt een bijzin in die een eerder tijdstip aangeeft. In deze bijzin staat het vervoegde werkwoord achteraan: bevor ... vorrückt. Voorbeeld: Ruf mich an, bevor du gehst. — Bel me voordat je weggaat. die Schlange betekent hier “de rij”. die hoort bij het grammaticale geslacht van Schlange; het aanwijzen van die zegt op zichzelf niet hoeveel rijen er zijn. Schlange kan in andere contexten ook “slang” betekenen, maar de vaste vertaling maakt hier de betekenis “rij” duidelijk. stark betekent hier niet letterlijk “sterk” als eigenschap van de rij. Het beschrijft de mate waarin de rij opschuift: “veel” of “aanzienlijk”. In stark vorrücken versterkt het dus het bewegingswerkwoord. Een ander voorbeeld is Der Wind weht stark. — De wind waait hard. vorrückt komt van het werkwoord vorrücken, “vooruitgaan” of “opschuiven”. De vorm is tegenwoordige tijd, derde persoon enkelvoud: die Schlange rückt vor wordt in deze bijzin die Schlange vorrückt. Het werkwoord is scheidbaar in een hoofdzin (Die Schlange rückt vor), maar in deze bevor-bijzin staat de volledige werkwoordsvorm aan het einde. Voorbeeld: Die Schlange rückt langsam vor. — De rij schuift langzaam op. De hoofdzin Komm einfach zurück geeft het verzoek om gewoon terug te komen. De bijzin bevor die Schlange stark vorrückt bepaalt wanneer: vóórdat de rij veel opschuift. Samen betekent de hele uiting: “Kom gewoon terug voordat de rij veel opschuift.”

Grammatica

Trennbare Verben: vorrücken → rückt ... vor

Die Schlange rückt vor.

Die sjlang-uh rukt foor.

De rij schuift op.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel in een hoofdzin achteraan.

Duits woordenschat

bitten werkwoord
bit-ten vragen

um einen kleinen Gefallen bitten

bleiben werkwoord
blaj-ben blijven bleibst

wenn du ... bleibst

brauchen werkwoord
brau-chen nodig hebben brauchst

was du brauchst

freihalten werkwoord
fraj-hal-ten vrijhouden

meinen Platz ... freihalten

Gefallen zelfstandig naamwoord
ge-fa-len gunst

einen kleinen Gefallen

helfen werkwoord
hel-fen helpen
holen werkwoord
hoo-luh halen

Wasser holen

im Auge behalten uitdrukking
im au-guh be-hal-ten in de gaten houden

die Schlange im Auge behalten

Nähe zelfstandig naamwoord
nee-uh buurt

in der Nähe

Platz zelfstandig naamwoord
plats plek

meinen Platz

Schlange zelfstandig naamwoord
sjlang-uh rij

in der Schlange

Wasser zelfstandig naamwoord
vas-uh water

etwas Wasser

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

nodig hebben

Antwoord tonenbrauchst

plek

Antwoord tonenPlatz

halen

Antwoord tonenholen

helpen

Antwoord tonenhelfen