Reistassen controleren | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: Before leaving for a trip, two adults check travel bags for journey items, chargers, snacks, water, and extra space..

NL → DE / Niveau: B1

Over deze les

Met Reistassen controleren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Unsere Reisetaschen müssen vor der Abfahrt noch einmal überprüft werden.

oen-zuh-ruh rai-zuh-tasj-un mu-sun foor duh ap-faart noch ain-maal uu-buh-pruuft veah-dun. Onze reistassen moeten nog één keer worden gecontroleerd voordat we vertrekken.
B

Beginne mit den Dingen, die du während der Reise brauchst.

bu-gin-uh mit deen ding-un dee doe vea-runt dea rai-zuh braugt. Begin met de spullen die je tijdens de reis nodig hebt.
A

Ich habe meine Schlüssel, Medikamente und eine warme zusätzliche Kleidungsschicht dabei.

ieg haa-buh mai-nuh sjluus-ul, mee-dee-ka-men-tuh oent ai-nuh var-muh tsoe-zet-slieg-uh klai-doengs-sjigt da-bai. Ik heb mijn sleutels, medicijnen en een warme extra laag kleding.
B

Kannst du die Snacks und das Wasser leicht erreichen?

kanst doe dee sneks oent das va-suh laigt ea-rai-gun? Kun je makkelijk bij de snacks en het water komen?
A

Sie sind in der Seitentasche.

zie zint in dea zai-tun-tasjuh. Ze zitten in het zijvak.
B

Und die Ladegeräte und kleinen Dinge für mehr Komfort?

oent dee laa-duh-guh-ray-tuh oent klai-nun ding-un fuur mea kom-foart? En de opladers en kleine dingen voor extra comfort?
A

Ich habe sie zusammen eingepackt, damit sie leicht zu finden sind.

ieg haa-buh zie tsoe-zam-un ain-guh-pakt, da-mit zie laigt tsoe fin-dun zint. Ik heb ze bij elkaar ingepakt, zodat ze makkelijk te vinden zijn.
B

Das sollte die Reise ruhiger machen, falls sich Pläne ändern.

das zol-tuh dee rai-zuh roe-ie-guh maa-gun, fals zich plee-nuh en-dun. Dat zou de reis rustiger moeten maken als de plannen veranderen.
A

Ich habe auch zusätzlichen Platz für Dinge gelassen, die wir unterwegs mitnehmen.

ieg haa-buh aug tsoe-zet-slieg-un plats fuur ding-uh guh-las-un, dee viea oen-tuh-veeks mit-nay-mun. Ik heb ook extra ruimte vrijgelaten voor dingen die we onderweg meenemen.
B

Dann sollten wir abreisen können, ohne am Bahnhof alles neu zu packen.

dan zol-tun viea ap-rai-zun keun-un, oo-nuh am baan-hoof al-lus noi tsoe pak-un. Dan zouden we kunnen vertrekken zonder op het station alles opnieuw in te pakken.

Woord voor woord

Unsere “Unsere” betekent hier “onze” en hoort bij “Reisetaschen”. De basisvorm van dit bezittelijke woord is “unser”; “Unsere” is de vorm die hier bij het meervoudige zelfstandig naamwoord staat.
Reisetaschen “Reisetaschen” betekent hier “reistassen”. Het is de meervoudsvorm van “Reisetasche” en verwijst naar de tassen die voor de reis worden gecontroleerd.
müssen “Müssen” geeft hier aan dat de reistassen noodzakelijk nog gecontroleerd moeten worden. Het staat samen met “überprüft werden” en wordt gebruikt om noodzakelijkheid uit te drukken, bijvoorbeeld bij wat vóór vertrek geregeld moet zijn.
vor “Vor” betekent hier “voor” in de tijd: de controle gebeurt voor het vertrek. In “vor der Abfahrt” leidt het een gebeurtenis aan die nog moet plaatsvinden.
der “Der” is hier het lidwoord bij “Abfahrt”. Samen met “vor” vormt het de tijdsaanduiding “vor der Abfahrt”, dus “voor het vertrek”.
Abfahrt “Abfahrt” betekent hier “vertrek”, vooral het moment waarop een reis of vervoermiddel vertrekt. In “vor der Abfahrt” wordt het gebruikt als tijdsaanduiding vóór vertrek.
noch “Noch” betekent hier “nog” in de combinatie “noch einmal”. Het geeft samen met “einmal” aan dat de controle opnieuw zal gebeuren.
einmal “Einmal” betekent hier “één keer”. Samen met “noch” vormt het “noch einmal”, een veelgebruikte manier om “nog een keer” uit te drukken.
überprüft “Überprüft” betekent hier “gecontroleerd”. Het is de vorm van “überprüfen” die in deze passieve formulering staat; het gecontroleerde onderwerp zijn de reistassen.
werden “Werden” betekent hier “worden” en helpt de passieve formulering voor de noodzakelijke controle te vormen. Het staat na “überprüft” in “überprüft werden”.
Beginne “Beginne” betekent hier “begin” en is een directe opdracht aan één persoon met “du”. De vorm hoort bij het werkwoord “beginnen” en wordt hier gebruikt in “Beginne mit den Dingen”.
mit “Mit” betekent hier “met” en geeft aan waarmee iemand moet beginnen. Na “Beginne mit” volgt in deze zin wat eerst gecontroleerd of klaargelegd moet worden.
den “Den” is hier het lidwoord bij “Dingen” in de woordgroep na “mit”. Het hoort dus bij “mit den Dingen”, dat “met de dingen” betekent.
Dingen “Dingen” betekent hier “dingen” of “spullen” die tijdens de reis nodig zijn. Het is de meervoudsvorm van “Ding” en staat in “mit den Dingen”.
die “Die” verwijst hier terug naar “Dingen” en leidt de bijzin in die uitlegt welke dingen nodig zijn. De bijzin eindigt met “brauchst”, zoals in “die du während der Reise brauchst”.
du “Du” betekent hier “je” en is de aangesproken persoon. Het is het onderwerp in “die du während der Reise brauchst” en past bij de directe opdracht “Beginne”.
während “Während” betekent hier “tijdens” en geeft de periode aan waarin de spullen nodig zijn. In “während der Reise” wordt het gebruikt vóór een zelfstandig naamwoord voor een periode.
Reise “Reise” betekent hier “reis”. In “während der Reise” benoemt het de reis als de periode waarin de spullen nodig zijn.
brauchst “Brauchst” betekent hier “nodig hebt” en is de vorm van “brauchen” bij “du”. Het krijgt als inhoud wat je nodig hebt: “die Dinge, die du während der Reise brauchst”.
Ich “Ich” betekent “ik” en is hier het onderwerp van de mededeling over wat de spreker bij zich heeft. Het staat aan het begin van “Ich habe ... dabei”.
habe “Habe” betekent hier “heb” en is de vorm van “haben” bij “ich”. Het geeft aan welke spullen de spreker bij zich heeft; “dabei” voegt het idee “bij zich” toe.
meine “Meine” betekent hier “mijn” en geeft aan dat de genoemde sleutels van de spreker zijn. De basisvorm is “mein”; vóór “Schlüssel” staat hier de vorm “meine”.
Schlüssel “Schlüssel” betekent hier “sleutels”. Het is een van de voorwerpen die de spreker bij zich heeft, naast “Medikamente” en “Kleidungsschicht”.
Medikamente “Medikamente” betekent hier “medicijnen”. Het is een van de spullen die de spreker voor de reis heeft meegenomen en staat in een opsomming met “Schlüssel”.
und “Und” betekent “en” en verbindt hier onderdelen van een opsomming. Midden in een zin staat het als “und”; aan het begin van de volgende dialoogzin verschijnt het als “Und” door de hoofdletter aan het begin van de zin.
eine “Eine” betekent hier “een” en introduceert één kledinglaag. De basisvorm is “ein”; de vorm “eine” staat hier vóór “Kleidungsschicht”.
warme “Warme” betekent hier “warme” en beschrijft de kledinglaag als geschikt om warmte te geven. De basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord is “warm”; in deze woordgroep staat de vorm “warme”.
zusätzliche “Zusätzliche” betekent hier “extra” of “aanvullende” en beschrijft een kledinglaag naast de gewone kleding. De vorm is afgeleid van “zusätzlich” en staat in “warme zusätzliche Kleidungsschicht”.
Kleidungsschicht “Kleidungsschicht” betekent hier “laag kleding”, dus een extra laag die je kunt aantrekken. Het woord benoemt één concreet kledingstuk of kledinglaag die voor de reis wordt meegenomen.
dabei “Dabei” betekent hier “bij zich” en maakt duidelijk dat de genoemde spullen met de spreker meegaan. Het voegt die betekenis toe aan wat met “habe” en de opgesomde voorwerpen wordt gezegd.
Kannst “Kannst” betekent hier “kun je” en is de vorm van “können” bij “du”. Het opent een vraag naar de mogelijkheid om de snacks en het water gemakkelijk te bereiken.
Snacks “Snacks” betekent hier “snacks” of kleine etenswaren voor onderweg. Het staat samen met “Wasser” als iets waar je tijdens de reis gemakkelijk bij wilt kunnen.
das “Das” is in “das Wasser” het lidwoord bij “Wasser”. Aan het begin van de volgende zin staat “Das” als verwijzend woord voor de vooraf beschreven voorbereiding; de hoofdletter komt daar door de zinspositie.
Wasser “Wasser” betekent hier “water”. In “das Wasser” is het een van de dingen die gemakkelijk bereikbaar moeten zijn tijdens de reis.
leicht “Leicht” betekent hier “gemakkelijk” en beschrijft hoe de snacks en het water bereikt kunnen worden. Het wordt ook gebruikt in “leicht zu finden” om aan te geven dat iets gemakkelijk te vinden is.
erreichen “Erreichen” betekent hier “bereiken” en verwijst naar toegang krijgen tot de snacks en het water. Na “Kannst du” staat het als infinitief in “die Snacks und das Wasser leicht erreichen”.
Sie “Sie” verwijst hier naar de snacks en het water en betekent “ze”. In deze zin staat het aan het begin, daarom heeft het een hoofdletter; het is hier geen formele aanspreekvorm.
sind “Sind” betekent hier “zijn” en is de vorm van “sein” bij “Sie”. Het geeft samen met “in der Seitentasche” de plaats van de snacks en het water aan.
in “In” betekent hier “in” en geeft de plaats aan waar de spullen zich bevinden. In “in der Seitentasche” leidt het de locatie van de snacks en het water in de tas aan.
Seitentasche “Seitentasche” betekent hier “zijvak”. Het benoemt het deel van de tas waarin de snacks en het water zijn opgeborgen.
Ladegeräte “Ladegeräte” betekent hier “opladers”. Het woord noemt samen met “kleinen Dinge” andere spullen die in de tas gecontroleerd moeten worden.
kleinen “Kleinen” betekent hier “kleine” en beschrijft de dingen voor extra comfort. Het staat vóór “Dinge” in de opsomming “die Ladegeräte und kleinen Dinge für mehr Komfort”.
für “Für” betekent hier “voor” en geeft het doel van de genoemde dingen aan. In “für mehr Komfort” maakt het duidelijk dat deze spullen het comfort tijdens de reis verhogen.
mehr “Mehr” betekent hier “meer” en geeft aan dat de spullen voor extra comfort zorgen. Het staat vóór “Komfort” in de vaste woordgroep “mehr Komfort”.
Komfort “Komfort” betekent hier “comfort” of gemak tijdens de reis. In “für mehr Komfort” benoemt het het doel waarvoor bepaalde kleine spullen worden meegenomen.
zusammen “Zusammen” betekent hier “samen” en geeft aan dat de spullen bij elkaar zijn ingepakt. Het staat vóór “eingepackt” in “zusammen eingepackt”.
eingepackt “Eingepackt” betekent hier “ingepakt”. Het is de vorm van “einpacken” die met “habe” wordt gebruikt om te zeggen dat de spreker de spullen heeft ingepakt.
damit “Damit” betekent hier “zodat” en leidt het doel of gewenste gevolg van het samen inpakken in. In “damit sie leicht zu finden sind” verklaart het waarom de spullen bij elkaar zijn gedaan.
zu “Zu” is hier de infinitiefmarkeerder in “zu finden”. Samen met “leicht” vormt het de uitdrukking “leicht zu finden”, dus “gemakkelijk te vinden”.
finden “Finden” betekent hier “vinden”. In “leicht zu finden” beschrijft het dat de ingepakte spullen later gemakkelijk teruggevonden kunnen worden.
sollte “Sollte” drukt hier een verwachting uit: deze voorbereiding zou de reis rustiger moeten maken. Het is een vorm van “sollen” en staat in “Das sollte die Reise ruhiger machen”.
ruhiger “Ruhiger” betekent hier “rustiger” en beschrijft het verwachte effect op de reis. De vorm komt van “ruhig” en staat bij “machen” in “die Reise ruhiger machen”.
machen “Machen” betekent hier “maken” en verbindt de voorbereiding met het resultaat dat de reis rustiger wordt. In “die Reise ruhiger machen” krijgt het de betekenis iets in een bepaalde toestand brengen.
falls “Falls” betekent hier “als” of “voor het geval dat” en introduceert een mogelijke voorwaarde. In “falls sich Pläne ändern” gaat het om de mogelijkheid dat de plannen veranderen.
sich “Sich” hoort hier bij “ändern” en verwijst naar de plannen die veranderen. In “falls sich Pläne ändern” maakt het deel uit van de uitdrukking voor “de plannen veranderen”.
Pläne “Pläne” betekent hier “plannen”. Het is het onderwerp van “ändern” in de bijzin “falls sich Pläne ändern”.
ändern “Ändern” betekent hier “veranderen” en staat aan het einde van de bijzin “falls sich Pläne ändern”. Met “sich” beschrijft het dat de plannen anders worden.
auch “Auch” betekent hier “ook” en voegt een extra voorbereiding toe naast de eerder genoemde ingepakte spullen. Het staat in “Ich habe auch zusätzlichen Platz gelassen”.
zusätzlichen “Zusätzlichen” betekent hier “extra” en beschrijft de ruimte die bewust is vrijgehouden. De vorm staat bij “Platz” in “zusätzlichen Platz”.
Platz “Platz” betekent hier “ruimte”. In “zusätzlichen Platz gelassen” gaat het om vrije ruimte in de tas voor dingen die onderweg worden meegenomen.
wir “Wir” betekent “we” en verwijst naar de twee reizigers. Het is het onderwerp in “die wir unterwegs mitnehmen”, dus van de dingen die zij onderweg meenemen.
unterwegs “Unterwegs” betekent hier “onderweg” of tijdens de reis. Het geeft aan wanneer de twee reizigers eventueel nog dingen meenemen.
mitnehmen “Mitnehmen” betekent hier “meenemen”. Het staat als infinitief aan het einde van “die wir unterwegs mitnehmen” en verwijst naar dingen die tijdens de reis worden meegenomen.
Dann “Dann” betekent hier “dan” en trekt een conclusie uit de eerdere voorbereiding. In “Dann sollten wir abreisen können” leidt het het verwachte gevolg in.
sollten “Sollten” drukt hier een verwachting uit bij “wir”: volgens de spreker zouden ze moeten kunnen vertrekken. Het is een vorm van “sollen” en staat vóór “abreisen können”.
abreisen “Abreisen” betekent hier “vertrekken” of aan de reis beginnen. Het staat in “abreisen können” als de handeling die mogelijk moet zijn.
können “Können” betekent hier “kunnen” en geeft de mogelijkheid aan om te vertrekken. In “abreisen können” staat het als infinitief na “sollten”.
ohne “Ohne” betekent hier “zonder” en introduceert iets wat niet nodig zou moeten zijn. In “ohne am Bahnhof alles neu zu packen” gaat het om vertrekken zonder de tassen opnieuw in te pakken.
am “Am” betekent hier “op het” of “bij het” en geeft de plaats aan. Het is de vaste samentrekking van “an dem” in “am Bahnhof”.
Bahnhof “Bahnhof” betekent hier “station”. In “am Bahnhof” benoemt het de plaats waar de reizigers anders alles opnieuw zouden moeten inpakken.
alles “Alles” betekent hier “alles” en verwijst naar de volledige inhoud van de tassen. Het is het object bij “packen” in “alles neu zu packen”.
neu “Neu” betekent hier “opnieuw” of “weer helemaal opnieuw”, niet “nieuw” als eigenschap. In “alles neu zu packen” geeft het aan dat het inpakken nogmaals zou gebeuren.
packen “Packen” betekent hier “inpakken”. Het staat in de infinitiefconstructie “ohne am Bahnhof alles neu zu packen” en beschrijft de handeling die de reizigers willen vermijden.

Grammatica

zu + Infinitiv

neu zu packen

noi tsoe pak-un

opnieuw inpakken

Na bepaalde werkwoorden en uitdrukkingen gebruikt het Duits zu vóór het infinitief, vergelijkbaar met te in het Nederlands.

Komparativ mit -er

ruhiger

roe-ie-guh

rustiger

Bij veel Duitse bijvoeglijke naamwoorden vormt -er de vergrotende trap: ruhig wordt ruhiger.

Duits woordenschat

Abfahrt zelfstandig naamwoord
ap-faart vertrek der Abfahrt

vor der Abfahrt

beginnen werkwoord
bu-gin-un beginnen Beginne

Beginne mit den Dingen

Ding zelfstandig naamwoord
ding ding Dingen

mit den Dingen

Kleidungsschicht zelfstandig naamwoord
klai-doengs-sjigt laag kleding

eine warme zusätzliche Kleidungsschicht

Medikament zelfstandig naamwoord
mee-dee-ka-ment medicijn Medikamente

Medikamente

Reise zelfstandig naamwoord
rai-zuh reis der Reise

während der Reise

Reisetasche zelfstandig naamwoord
rai-zuh-tasj-uh reistas Reisetaschen

Unsere Reisetaschen

Schlüssel zelfstandig naamwoord
sjluus-ul sleutel

meine Schlüssel

Snack zelfstandig naamwoord
sneks snack Snacks

die Snacks

überprüfen werkwoord
uu-buh-pruu-fun controleren überprüft

überprüft werden

Wasser zelfstandig naamwoord
va-suh water

das Wasser

zusätzlich bijvoeglijk naamwoord
tsoe-zet-slieg extra zusätzliche

eine warme zusätzliche Kleidungsschicht

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ze zitten in het zijvak.

Antwoord tonenSie sind in der Seitentasche.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

beginnen

Antwoord tonenBeginne

medicijn

Antwoord tonenMedikamente

sleutel

Antwoord tonenSchlüssel

controleren

Antwoord tonenüberprüft