Een conflict over een dubbel geboekte vergaderruimte | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In a shared office, two adults plan how to resolve a double-booked meeting room with a brief use request and a fair compromise..

NL → DE / Niveau: B1

Over deze les

Met Een conflict over een dubbel geboekte vergaderruimte oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Der Besprechungsraum ist im gemeinsamen Bürokalender doppelt gebucht.

Dea besjpreekhoengs-raum ist im gəmajnzaamen buuroo-kalenda doppəlt geboecht. De vergaderruimte staat dubbel geboekt in de gedeelde kantooragenda.
B

Wer braucht den Raum dringender?

Vea braaucht deen raum dringənta? Wie heeft de ruimte dringender nodig?
A

Ich habe einen privaten Anruf mit einem Kunden.

Iech haabe ajnən prievaaten anroef mit ajnəm koendən. Ik heb een privégesprek met een klant.
A

Aber jemand anderes hat den Raum gebucht, um allein zu arbeiten.

Aaba jeemand andəres hat deen raum geboecht, oem alajn tsoe arbajten. Maar iemand anders heeft de ruimte geboekt om alleen te werken.
B

Dann frag, ob du den Raum kurz benutzen darfst.

Dann fraak, op doe deen raum koerts bənoetsən darfst. Vraag dan of je de ruimte even mag gebruiken.
A

Ich möchte nicht so klingen, als wäre meine Aufgabe wichtiger.

Iech meurhtə niecht zoo klingən, als veere maajnə aufgaabə wichtiga. Ik wil niet klinken alsof mijn taak belangrijker is.
B

Biete einen Kompromiss an, zum Beispiel den Raum für den Anruf zu nutzen und direkt danach zu gehen.

Biite ajnən kompromis an, tsoem bajsjpiil deen raum fuur deen anroef tsoe noetsən oent direkt darnaach tsoe ge-en. Bied een compromis aan, bijvoorbeeld door de ruimte voor het gesprek te gebruiken en meteen daarna weg te gaan.
A

Das fühlt sich fair an. Ich kann der Person auch helfen, einen anderen Arbeitsplatz zu finden.

Das fuult zich feer an. Iech kan dea persona auch helfen, ajnən andəren arbajtsplats tsoe findən. Dat voelt eerlijk. Ik kan die persoon ook helpen een andere werkplek te vinden.
B

Damit zeigst du, dass du auch die Buchung der anderen Person respektierst.

Damit tsaikst doe, das doe auch die boechoeng dea andəren persona respektiirst. Daarmee laat je zien dat je de reservering van die andere persoon ook respecteert.
A

Ich kann der Person jetzt eine Nachricht schreiben und die Situation erklären.

Iech kan dea persona jetst ajnə naachricht sjraibən oent die zietoea-tsioon eakleeren. Ik kan die persoon nu een bericht sturen en de situatie uitleggen.
B

Halte die Nachricht kurz und schlag diesen Kompromiss vor.

Haltə die naachricht koerts oent sjlaag diizən kompromis foa. Houd het bericht kort en stel dat compromis voor.

Woord voor woord

Der “Der” betekent hier “de” in “Der Besprechungsraum” en verwijst naar de vergaderruimte. Aan het begin van de zin krijgt deze vorm een hoofdletter; dezelfde vorm staat ook als “der” in “der Person”.
Besprechungsraum “Besprechungsraum” betekent hier vergaderruimte. Het is de ruimte die volgens de agenda dubbel geboekt is. Je kunt het woord gebruiken voor een ruimte waarin een bespreking plaatsvindt.
ist “Ist” betekent hier “is” en beschrijft de toestand van de vergaderruimte. De woordenboekvorm is “sein”; “ist” is de vorm die bij “Der Besprechungsraum” hoort. Het patroon “ist ... gebucht” beschrijft een geboekte toestand.
im “Im” betekent hier “in de” in “im gemeinsamen Bürokalender”. Het is de vaste samentrekking van “in dem”. Je gebruikt “im” vaak vóór een plaats of medium waarin iets staat of gebeurt.
gemeinsamen “Gemeinsamen” betekent hier gedeelde of gezamenlijke en beschrijft de kantoorkalender die door meerdere mensen wordt gebruikt. De woordenboekvorm is “gemeinsam”; deze vorm staat vóór “Bürokalender”. Het patroon “gemeinsamen + zelfstandig naamwoord” benoemt iets dat men deelt.
Bürokalender “Bürokalender” betekent hier kantoorkalender, de agenda waarin de boekingen van de vergaderruimte staan. Het woord combineert “Büro” met “Kalender”. Je gebruikt het voor de gedeelde planning van een kantoor.
doppelt “Doppelt” betekent hier dubbel: dezelfde ruimte is twee keer geboekt. Het versterkt in “doppelt gebucht” het idee dat er twee overlappende boekingen zijn. Je kunt “doppelt” gebruiken om een dubbele hoeveelheid of dubbele toewijzing aan te geven.
gebucht “Gebucht” betekent hier geboekt; de ruimte heeft al een reservering. De woordenboekvorm is “buchen”; “gebucht” beschrijft hier samen met “ist” de bestaande boeking. Het patroon “etwas ist gebucht” gebruik je voor een gereserveerde ruimte of afspraak.
Wer “Wer” betekent hier “wie” en vraagt welke persoon de ruimte het dringendst nodig heeft. Het verwijst naar een nog niet genoemde persoon. Je gebruikt “Wer” aan het begin van een vraag naar een persoon.
braucht “Braucht” betekent hier “nodig heeft” in “Wer braucht den Raum?”. De woordenboekvorm is “brauchen”; “braucht” staat hier bij “Wer”. Het patroon “jemand braucht etwas” gebruik je om te zeggen dat iemand iets nodig heeft.
den “Den” is hier het lidwoord bij “Raum” in “den Raum”. De hele woordgroep betekent “de ruimte”, die als nodig object wordt genoemd. Je gebruikt deze vorm vóór het mannelijke woord “Raum” in deze zin.
Raum “Raum” betekent hier ruimte, meer bepaald de vergaderruimte. In “den Raum brauchen” is het de ruimte die iemand nodig heeft. Je kunt “Raum” gebruiken voor een fysieke kamer of beschikbare ruimte.
dringender “Dringender” betekent hier urgenter of dringender en vergelijkt de behoefte van de twee personen. De woordenboekvorm is “dringend”; “dringender” geeft in deze vraag de sterkere urgentie aan. Het patroon “etwas dringender brauchen” helpt om prioriteit te bespreken.
Ich “Ich” betekent “ik” en verwijst naar de spreker. Het staat hier aan het begin van “Ich habe ...” als onderwerp. Je gebruikt “Ich” om over jezelf te spreken.
habe “Habe” betekent hier “heb” in “Ich habe einen privaten Anruf”. De woordenboekvorm is “haben”; “habe” is de vorm bij “Ich”. Het patroon “Ich habe ...” introduceert iets dat je hebt of een afspraak die je hebt.
einen “Einen” betekent hier “een” in “einen privaten Anruf”. Het introduceert het telefoontje dat de spreker heeft. Je gebruikt het vóór “Anruf” in de woordgroep “einen privaten Anruf”.
privaten “Privaten” betekent hier privé en beschrijft het telefoontje met de klant. De woordenboekvorm is “privat”; deze vorm staat vóór “Anruf”. Het patroon “ein privater ...” kan een activiteit of contact onderscheiden van iets voor de hele groep.
Anruf “Anruf” betekent hier een telefoontje of telefoongesprek met een klant. In “einen privaten Anruf mit einem Kunden” benoemt het de reden waarvoor de ruimte nodig is. Je gebruikt “Anruf” voor een telefonisch contactmoment.
mit “Mit” betekent hier “met” en verbindt het telefoontje met de klant. In “mit einem Kunden” noemt het de andere deelnemer aan het gesprek. Je gebruikt “mit” vaak om iemand aan te duiden met wie je iets doet of bespreekt.
einem “Einem” betekent hier “een” in “mit einem Kunden”. Na “mit” introduceert het de klant met wie het gesprek plaatsvindt. Het patroon “mit einem + zelfstandig naamwoord” benoemt een persoon of zaak die betrokken is.
Kunden “Kunden” betekent hier klant, de persoon met wie de spreker telefonisch contact heeft. De woordenboekvorm is “Kunde”; “Kunden” staat hier in “mit einem Kunden”. Je gebruikt het woord voor iemand die diensten of producten afneemt.
Aber “Aber” betekent hier “maar” en voegt een tegenstelling toe: de spreker heeft wel een klantgesprek, maar iemand anders heeft de ruimte geboekt. Het verbindt twee tegengestelde mededelingen. Je gebruikt “aber” om een bezwaar of andere omstandigheid in te leiden.
jemand “Jemand” betekent hier “iemand” en verwijst naar een niet nader genoemde persoon. In “jemand anderes” gaat het om de andere gebruiker van de ruimte. Je gebruikt “jemand” wanneer de identiteit van een persoon niet belangrijk of niet bekend is.
anderes “Anderes” maakt in “jemand anderes” duidelijk dat het om iemand anders dan de spreker gaat. De woordenboekvorm is “anders”; deze vorm staat hier als onderdeel van de uitdrukking “jemand anderes”. Het patroon “jemand anderes” gebruik je om een andere persoon aan te wijzen zonder die persoon te benoemen.
hat “Hat” betekent hier “heeft” in “hat den Raum gebucht”. De woordenboekvorm is “haben”; “hat” staat hier bij “jemand anderes”. Het patroon “jemand hat etwas gebucht” gebruik je om een bestaande reservering aan een persoon toe te schrijven.
um “Um” helpt in “um allein zu arbeiten” het doel aan te geven: de persoon heeft de ruimte geboekt om er alleen te werken. Samen met “zu arbeiten” vormt het de doelconstructie; “allein” beschrijft hoe het werken gebeurt. Je gebruikt “um ... zu” om het doel van een handeling te noemen.
allein “Allein” betekent hier alleen, zonder andere mensen, in “um allein zu arbeiten”. Het beschrijft de manier waarop de andere persoon de ruimte wil gebruiken. Je gebruikt “allein” om werken of een andere activiteit zonder gezelschap te beschrijven.
zu “Zu” staat hier vóór het werkwoord “arbeiten” in “um allein zu arbeiten” en markeert het werkwoord als onderdeel van de doelconstructie. De vorm blijft vóór de infinitief staan. Het patroon “um ... zu + werkwoord” geeft aan waarvoor iemand iets doet.
arbeiten “Arbeiten” betekent hier werken, namelijk alleen in de geboekte ruimte. Het is de woordenboekvorm en staat na “zu” in “um allein zu arbeiten”. Je gebruikt “arbeiten” voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden.
Dann “Dann” betekent hier “dan” en leidt het voorgestelde volgende advies in. Het verwijst naar wat de spreker moet doen nadat de situatie is uitgelegd. Je gebruikt “Dann” om een volgende stap of gevolg aan te geven.
frag “Frag” betekent hier “vraag” en is een direct advies aan één persoon. De woordenboekvorm is “fragen”; “frag” is de gebiedende vorm in “frag, ob ...”. Je gebruikt deze vorm om iemand informeel aan te moedigen een vraag te stellen.
ob “Ob” betekent hier “of” in “ob du den Raum kurz benutzen darfst”. Het leidt een indirecte vraag in over de mogelijkheid om de ruimte te gebruiken. Na “ob” staat de bijzin met het werkwoord “darfst” aan het einde.
du “Du” betekent “je” en verwijst naar de persoon die de ruimte wil gebruiken. Het is het onderwerp in “du ... benutzen darfst”. Je gebruikt “du” wanneer je één persoon informeel aanspreekt.
kurz “Kurz” betekent hier even of voor korte tijd in “den Raum kurz benutzen”. Het beperkt de duur van het gebruik van de ruimte. Je gebruikt “kurz” vaak vóór een werkwoord om een handeling als kortdurend voor te stellen.
benutzen “Benutzen” betekent hier gebruiken, namelijk de vergaderruimte voor korte tijd gebruiken. Het is de woordenboekvorm en staat vóór “darfst” in de bijzin. Je gebruikt het patroon “etwas benutzen” voor het gebruik van een voorwerp of ruimte.
darfst “Darfst” betekent hier “mag” en vraagt of de aangesprokene toestemming heeft om de ruimte te gebruiken. De woordenboekvorm is “dürfen”; “darfst” staat bij “du”. In “ob du den Raum kurz benutzen darfst” staat de vorm aan het einde van de bijzin.
möchte “Möchte” geeft hier een terughoudende wens aan: de spreker wil niet de indruk wekken dat diens taak belangrijker is. De vorm hangt samen met “mögen” en wordt gebruikt om iets beleefd of voorzichtig te willen. Het patroon “Ich möchte nicht ...” gebruik je om een ongewenste indruk of handeling af te wijzen.
nicht “Nicht” betekent hier “niet” en ontkent de wens “möchte ... klingen”. Het maakt duidelijk dat de spreker een bepaalde indruk wil vermijden. Je gebruikt “nicht” om een werkwoord, eigenschap of hele mededeling te ontkennen.
so “So” betekent hier “zo” en verwijst naar de manier waarop de spreker klinkt. In “so klingen” gaat het om de indruk die de woorden kunnen wekken. Je gebruikt “so” vaak vóór een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord om een manier of indruk aan te geven.
klingen “Klingen” betekent hier klinken of overkomen in “so klingen”. De woordenboekvorm is “klingen”; deze infinitief staat na “möchte”. Je gebruikt het om te beschrijven welke indruk een uitspraak of boodschap maakt.
als “Als” betekent hier “alsof” in “als wäre meine Aufgabe wichtiger”. Het leidt een voorgestelde indruk in, niet een vaststaand feit. In het patroon “klingen, als ...” beschrijf je hoe iets op iemand kan overkomen.
wäre “Wäre” betekent hier “zou zijn” en stelt de gedachte voor dat de taak belangrijker is. De woordenboekvorm is “sein”; “wäre” is de voorwaardelijke of hypothetische vorm in “als wäre ...”. Je gebruikt “als wäre” om een indruk of veronderstelde situatie te beschrijven.
meine “Meine” betekent hier “mijn” en geeft aan dat de taak van de spreker is. De woordenboekvorm is “mein”; “meine” staat vóór “Aufgabe”. Het patroon “meine + zelfstandig naamwoord” gebruik je om bezit of betrokkenheid aan te geven.
Aufgabe “Aufgabe” betekent hier taak, namelijk de taak waarvoor de spreker de ruimte nodig heeft. In “meine Aufgabe” verwijst het woord naar het werk van de spreker. Je gebruikt “Aufgabe” voor een concrete opdracht of verantwoordelijkheid.
wichtiger “Wichtiger” betekent hier belangrijker en vergelijkt de taak van de spreker met het solo-werk van de andere persoon. De woordenboekvorm is “wichtig”; “wichtiger” is de vergelijkende vorm. Je gebruikt het om aan te geven dat iets volgens een vergelijking meer belang heeft.
Biete “Biete” betekent hier “bied aan” in “Biete einen Kompromiss an”. De woordenboekvorm is “anbieten”; “Biete” is de gebiedende vorm van het afgescheiden werkwoord. Je gebruikt “Biete ... an” om iemand te adviseren een voorstel of mogelijkheid aan te bieden.
Kompromiss “Kompromiss” betekent hier compromis: een oplossing waarbij de spreker de ruimte kort gebruikt en daarna vertrekt. Het woord staat als object bij “Biete ... an”. Je gebruikt “Kompromiss” wanneer beide betrokkenen hun belangen gedeeltelijk kunnen behouden.
an “An” is hier geen zelfstandig “aan”, maar het afgescheiden deel van “anbieten” in “Biete einen Kompromiss an”. Het staat aan het einde van de gebiedende zin. Bij dit werkwoord blijft het betekenisvolle geheel “etwas anbieten” behouden.
zum “Zum” betekent hier onderdeel van “zum Beispiel” en leidt een voorbeeld in. Het is de samentrekking van “zu dem”, maar in deze vaste uitdrukking betekent het geheel “bijvoorbeeld”. Je gebruikt “zum Beispiel” om een concrete mogelijkheid of illustratie te noemen.
Beispiel “Beispiel” betekent hier voorbeeld in de vaste uitdrukking “zum Beispiel”. Het introduceert de voorgestelde manier om het compromis uit te voeren. Je gebruikt “zum Beispiel” om één mogelijke optie uit meerdere mogelijkheden te noemen.
für “Für” betekent hier “voor” in “für den Anruf”. Het geeft aan waarvoor de ruimte gebruikt wordt: voor het telefoongesprek. Je gebruikt “für” vaak vóór een zelfstandig naamwoord om doel of bestemming aan te geven.
nutzen “Nutzen” betekent hier gebruiken in “den Raum für den Anruf zu nutzen”. Het is de woordenboekvorm en staat na “zu”. Het patroon “etwas für etwas nutzen” gebruik je om te zeggen waarvoor je een ruimte of voorwerp inzet.
und “Und” betekent “en” en verbindt de twee onderdelen van het compromis: de ruimte gebruiken en daarna vertrekken. Het voegt de tweede handeling toe zonder tegenstelling. Je gebruikt “und” om gelijkwaardige woorden, zinsdelen of handelingen te verbinden.
direkt “Direkt” betekent hier meteen of direct en versterkt “danach”: de spreker vertrekt onmiddellijk na het telefoongesprek. Het geeft aan dat er geen onnodige tussenruimte is. Je gebruikt “direkt” vóór een tijdsaanduiding om een onmiddellijke volgorde aan te geven.
danach “Danach” betekent hier daarna en verwijst naar de tijd na het telefoongesprek. In “direkt danach zu gehen” bepaalt het wanneer de spreker vertrekt. Je gebruikt “danach” om naar een gebeurtenis te verwijzen die net genoemd is.
gehen “Gehen” betekent hier gaan of weggaan uit de ruimte. Het is de woordenboekvorm en staat in “direkt danach zu gehen”. Je gebruikt het voor het vertrekken na een activiteit of afspraak.
Das “Das” betekent hier “dat” en verwijst naar het voorgestelde compromis. Het onderwerp is dus de oplossing die net besproken is. Je gebruikt “Das” om naar een eerder genoemde zaak, voorstel of situatie te verwijzen.
fühlt “Fühlt” betekent hier voelt in “Das fühlt sich fair an”: het compromis komt eerlijk over voor de spreker. De woordenboekvorm is “sich anfühlen”; “fühlt” is het vervoegde deel van dit afgescheiden werkwoord. Het patroon “sich ... anfühlen” gebruik je om een persoonlijke indruk te beschrijven.
sich “Sich” is hier het wederkerende deel van “sich anfühlen” in “Das fühlt sich fair an”. Het hoort bij de uitdrukking die beschrijft hoe iets aanvoelt of overkomt. Je gebruikt het patroon “sich + bijvoeglijk naamwoord + anfühlen” voor een persoonlijke beoordeling.
fair “Fair” betekent hier eerlijk of redelijk en beschrijft het compromis als evenwichtig. Het is de beoordeling die de spreker aan de voorgestelde oplossing geeft. Je kunt “fair” gebruiken om een regeling of behandeling als rechtvaardig te beoordelen.
kann “Kann” betekent hier “kan” en drukt uit dat de spreker bereid en in staat is om extra te helpen. De woordenboekvorm is “können”; “kann” staat bij “Ich”. Het patroon “Ich kann ... helfen” gebruik je om hulp aan te bieden.
Person “Person” betekent hier persoon, namelijk degene die de ruimte eerder geboekt heeft. In “der Person helfen” is het de persoon die hulp krijgt bij het vinden van een andere werkplek. Je gebruikt “Person” wanneer je iemand neutraal wilt aanduiden.
auch “Auch” betekent hier “ook” en voegt een tweede hulpactie toe naast het voorstellen van een compromis. De spreker wil de andere persoon bovendien helpen. Je gebruikt “auch” om extra informatie of een extra handeling toe te voegen.
helfen “Helfen” betekent hier helpen, namelijk iemand ondersteunen bij het vinden van een andere werkplek. Het is de woordenboekvorm en staat na “kann”. Het patroon “jemandem helfen, etwas zu finden” past bij hulp bij het zoeken naar een oplossing.
anderen “Anderen” betekent hier andere en beschrijft een werkplek die niet de oorspronkelijk geboekte ruimte is. De woordenboekvorm is “andere”; deze vorm staat vóór “Arbeitsplatz”. Het patroon “een andere + zelfstandig naamwoord” gebruik je om een alternatief aan te wijzen.
Arbeitsplatz “Arbeitsplatz” betekent hier werkplek, een alternatief voor de dubbel geboekte vergaderruimte. In “einen anderen Arbeitsplatz finden” gaat het om een plaats waar de andere persoon kan werken. Je gebruikt het woord voor een concrete werkplaats of werkstation.
finden “Finden” betekent hier vinden, namelijk een andere werkplek vinden. Het is de woordenboekvorm en staat na “zu” in “helfen, einen anderen Arbeitsplatz zu finden”. Je gebruikt het patroon “etwas finden” wanneer je een geschikte plaats, oplossing of zaak zoekt en lokaliseert.
Damit “Damit” betekent hier “daarmee” en verwijst naar de actie om de andere persoon aan een werkplek te helpen. Het verbindt die actie met het gevolg dat de spreker respect toont. Het patroon “Damit zeigst du, dass ...” gebruik je om uit te leggen wat een handeling laat zien.
zeigst “Zeigst” betekent hier “laat zien” in “Damit zeigst du ...”. De woordenboekvorm is “zeigen”; “zeigst” is de vorm die bij “du” hoort. Het patroon “zeigen, dass ...” gebruik je om duidelijk te maken welke houding of betekenis uit een handeling blijkt.
dass “Dass” betekent hier “dat” en leidt de inhoud in van wat de handeling laat zien. In “dass du auch die Buchung ... respektierst” staat de persoonsvorm aan het einde van de bijzin. Je gebruikt “dass” na werkwoorden zoals “zeigen” om een mededeling in te leiden.
die “Die” is hier het lidwoord in “die Buchung der anderen Person” en verwijst naar de specifieke reservering. Het gaat om de boeking die al door de andere persoon is gemaakt. Je gebruikt het lidwoord vóór een bekende of bepaalde zaak.
Buchung “Buchung” betekent hier boeking of reservering van de vergaderruimte. In “die Buchung der anderen Person” gaat het om de reservering die de andere persoon ook mag behouden. Je gebruikt “Buchung” voor een vastgelegde reservering van bijvoorbeeld een ruimte of afspraak.
respektierst “Respektierst” betekent hier respecteert: je houdt rekening met de boeking van de andere persoon. De woordenboekvorm is “respektieren”; “respektierst” staat bij “du” in de bijzin. Het patroon “etwas respektieren” gebruik je om te zeggen dat je rekening houdt met een afspraak, keuze of recht.
jetzt “Jetzt” betekent hier “nu” en geeft aan dat de spreker meteen een bericht kan sturen. Het verwijst naar het huidige moment van het gesprek. Je gebruikt “jetzt” om een handeling aan het huidige tijdstip te koppelen.
eine “Eine” betekent hier “een” in “eine Nachricht”. Het introduceert één nog niet nader omschreven bericht. Je gebruikt “eine” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je één niet-specifieke zaak noemt.
Nachricht “Nachricht” betekent hier bericht, dat de spreker aan de andere persoon wil schrijven. In “eine Nachricht schreiben” gaat het om schriftelijk contact om de situatie uit te leggen. Je gebruikt het woord voor een tekstbericht of andere korte mededeling.
schreiben “Schreiben” betekent hier schrijven, in de context een bericht sturen. Het is de woordenboekvorm en staat na “kann” in “Ich kann der Person jetzt eine Nachricht schreiben”. Je gebruikt het patroon “jemandem eine Nachricht schreiben” om schriftelijk contact met iemand te beschrijven.
Situation “Situation” betekent hier de huidige situatie met de dubbel geboekte ruimte. In “die Situation erklären” is het datgene wat de spreker aan de andere persoon wil toelichten. Je gebruikt “Situation” voor de omstandigheden waarin iemand zich bevindt.
erklären “Erklären” betekent hier uitleggen, namelijk uitleggen waarom de spreker de ruimte kort nodig heeft. Het is de woordenboekvorm en staat na “kann”. Het patroon “eine Situation erklären” gebruik je om omstandigheden begrijpelijk te maken.
Halte “Halte” betekent hier “houd” in “Halte die Nachricht kurz”. De woordenboekvorm is “halten”; “Halte” is de gebiedende vorm in een directe instructie. Het patroon “etwas kurz halten” gebruik je om aan te raden iets beknopt te maken.
schlag “Schlag” betekent hier “stel voor” in “schlag diesen Kompromiss vor”. De woordenboekvorm is “vorschlagen”; “schlag” is de gebiedende vorm van het afgescheiden werkwoord. Je gebruikt “schlag ... vor” om iemand informeel aan te moedigen een voorstel te doen.
diesen “Diesen” betekent hier “dit” of “deze” en verwijst naar het compromis dat al eerder is genoemd. Het staat vóór “Kompromiss” en maakt duidelijk dat het om dat specifieke voorstel gaat. Je gebruikt “diesen + zelfstandig naamwoord” om naar een bepaalde zaak te verwijzen.
vor “Vor” is hier het afgescheiden deel van “vorschlagen” in “schlag diesen Kompromiss vor”. Het staat aan het einde van de gebiedende zin en hoort inhoudelijk bij “schlag”. Bij dit werkwoord blijft het geheel “etwas vorschlagen” behouden.

Grammatica

vorschlagen → Schlag ... vor

Schlag einen Kompromiss vor.

Sjlaag ajnən kompromis foa.

Stel een compromis voor.

Bij een scheidbaar werkwoord staat het voorvoegsel in de hoofdzin achteraan: Schlag ... vor.

zu + Infinitiv

Es ist fair, direkt danach zu gehen.

Es ist feer, direkt darnaach tsoe ge-en.

Het is eerlijk om direct daarna te gaan.

Na een constructie zoals „Es ist fair“ staat het tweede werkwoord als zu + infinitief.

Duits woordenschat

allein bijwoord
alajn alleen
Anruf zelfstandig naamwoord
anroef telefoontje
Besprechungsraum zelfstandig naamwoord
besjpreekhoengsraum vergaderruimte
brauchen werkwoord
braauchen nodig hebben braucht
buchen werkwoord
boechen boeken gebucht
Bürokalender zelfstandig naamwoord
buuroo-kalenda kantooragenda
doppelt gebucht uitdrukking
doppəlt geboecht dubbel geboekt
dringend bijwoord
dringənt dringend dringender
fragen werkwoord
fraagen vragen frag
jemand voornaamwoord
jeemand iemand
Kunde zelfstandig naamwoord
koendə klant Kunden
privat bijvoeglijk naamwoord
prievaat privé privaten

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wie heeft de ruimte dringender nodig?

Antwoord tonenWer braucht den Raum dringender?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

boeken

Antwoord tonengebucht

dringend

Antwoord tonendringender

telefoontje

Antwoord tonenAnruf

nodig hebben

Antwoord tonenbraucht