Vertraging bevestigen en op informatie wachten | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: During a travel delay, two travelers discuss an unclear announcement and decide where to wait for updated boarding information..

NL → DE / Niveau: B2

Over deze les

Met Vertraging bevestigen en op informatie wachten oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Die Durchsage sagt, dass es eine Verspätung gibt, aber nicht, warum.

Die doerch-zaa-guh zaakt, dass es ai-nuh fer-sjpee-toeng gipt, aa-ber nikht, va-roem. De aankondiging zegt dat er vertraging is, maar niet waarom.
B

Ich glaube, sie überprüfen den Zug, bevor sie die Fahrgäste einsteigen lassen.

Ich glau-buh, zie uu-ber-pruu-fen deen tsoek, be-foor zie die faar-ges-tuh ain-sjtaik-en las-sen. Ik denk dat ze de trein controleren voordat ze de passagiers laten instappen.
A

Sollen wir hier bleiben oder nach einem anderen Bahnsteig suchen?

Zol-len veer heer blai-ben oo-der naakh ai-nem an-de-ren baan-sjtaik zoo-khen? Moeten we hier blijven of een ander perron zoeken?
B

Bleib vorerst in der Nähe. Wenn sich etwas ändert, wird das Personal sagen, wohin wir gehen sollen.

Blai-p fo-erst in deh nee-uh. Ven zikh et-vas en-dert, virt das per-zo-naal zaa-gen, vo-hin veer gee-en zol-len. Blijf voorlopig in de buurt. Als er iets verandert, zal het personeel zeggen waar we heen moeten.
A

Ich habe Gepäck dabei, deshalb möchte ich nicht ständig herumlaufen.

Ich haa-buh guh-pehk da-bai, des-halp meukh-tuh ich nikht sjten-dikh hee-roem-lau-fen. Ik heb bagage bij me, dus ik wil niet steeds rond blijven lopen.
B

Ich werde fragen, ob sie uns helfen können, falls wir den Bahnsteig wechseln müssen.

Ich veer-duh fraa-gen, op zie oens hel-fen keu-nen, falls veer deen baan-sjtaik veks-len mu-sen. Ik zal vragen of ze kunnen helpen als we van perron moeten wisselen.
A

Das würde helfen, wenn die Änderung erst in letzter Minute kommt.

Das vur-duh hel-fen, ven die en-de-roeng erst in lets-ter mee-noo-tuh komt. Dat zou helpen als de verandering pas op het laatste moment komt.
B

Sobald sie die Anzeigetafel aktualisieren, können wir weitergehen, ohne raten zu müssen.

Zo-balt zie die an-tsai-guh-taa-fel ak-toe-a-li-zie-ren, keu-nen veer vai-ter-gee-en, oo-nuh raa-ten, tsoe mu-sen. Zodra ze het bord bijwerken, kunnen we verdergaan zonder te hoeven gokken.

Woord voor woord

Die In „Die Durchsage“ betekent „Die“ het bepaalde lidwoord bij „Durchsage“: de aankondiging. De vorm staat hier vóór het zelfstandig naamwoord en verwijst naar een specifieke aankondiging.
Durchsage „Durchsage“ betekent hier een omroepbericht op het station. Het woord wordt gebruikt voor informatie die via de luidsprekers wordt meegedeeld, zoals „Die Durchsage“.
sagt „sagt“ betekent hier dat de aankondiging iets meedeelt. Het staat bij het onderwerp „Die Durchsage“ in „Die Durchsage sagt“. Een bruikbaar patroon is „sagt, dass“ voor een meegedeelde inhoud.
dass „dass“ verbindt „sagt“ met de inhoud van de mededeling: „dass es eine Verspätung gibt“. In het deel na „dass“ staat de persoonsvorm „gibt“ achteraan.
es In de vaste constructie „es gibt“ is „es“ het grammaticale onderwerp zonder concrete verwijzing. „Es gibt“ betekent hier samen dat er een vertraging is; gebruik daarna een zelfstandig naamwoord voor wat er aanwezig is.
eine In „eine Verspätung“ betekent „eine“ een en introduceert het een niet nader bepaalde vertraging. „Eine“ is de verbogen vorm van het onbepaalde lidwoord „ein“ bij „Verspätung“.
Verspätung „Verspätung“ betekent vertraging, hier van de treinreis. Het woord staat in „es gibt eine Verspätung“ om aan te geven dat er vertraging is.
gibt In „es gibt eine Verspätung“ betekent „gibt“ niet letterlijk geeft, maar vormt het samen met „es“ de betekenis er is of er zijn. De constructie „es gibt“ wordt gevolgd door datgene wat aanwezig is.
aber „aber“ betekent maar en zet hier twee tegengestelde delen naast elkaar: er is wel vertraging, maar de reden wordt niet genoemd. Het verbindt vaak twee mededelingen met een tegenstelling.
nicht „nicht“ ontkent hier het tweede deel van de mededeling: „aber nicht, warum“. Het geeft aan dat de aankondiging niet zegt waarom er vertraging is.
warum „warum“ vraagt naar de reden. In „nicht, warum“ verwijst het naar de niet meegedeelde reden van de vertraging; het kan ook een indirecte vraag naar een oorzaak inleiden.
Ich „Ich“ betekent ik en verwijst naar de spreker in „Ich glaube“. Het woord wordt gebruikt als onderwerp wanneer de spreker zijn eigen mening of inschatting geeft.
glaube „glaube“ betekent hier denk of geloof, als uitdrukking van een persoonlijke inschatting: „Ich glaube“. De vorm staat bij „Ich“ en wordt gevolgd door de veronderstelling van de spreker.
sie „sie“ verwijst hier naar de mensen die de trein controleren en later mogelijk helpen. In „sie überprüfen“ is het onderwerp van de handeling; de precieze personen worden niet verder benoemd.
überprüfen „überprüfen“ betekent controleren of nakijken, hier de trein controleren. Het werkwoord neemt in „sie überprüfen den Zug“ het gecontroleerde object „den Zug“.
den In „den Zug“ is „den“ het bepaalde lidwoord bij „Zug“ en verwijst het naar een specifieke trein. De combinatie „den Zug überprüfen“ betekent een specifieke trein controleren.
Zug „Zug“ betekent trein. In „den Zug“ is het de trein die gecontroleerd wordt vóór de passagiers mogen instappen.
bevor „bevor“ betekent voordat en leidt hier de handeling in die eerst moet plaatsvinden: „bevor sie die Fahrgäste einsteigen lassen“. In de bijzin staat „lassen“ aan het einde.
Fahrgäste „Fahrgäste“ betekent passagiers, hier de mensen die met de trein willen reizen. Het woord staat als degene die mag instappen in „die Fahrgäste einsteigen lassen“.
einsteigen „einsteigen“ betekent instappen, hier in de trein stappen. Het staat in „die Fahrgäste einsteigen lassen“, waarin wordt gezegd dat de passagiers mogen instappen.
lassen „lassen“ betekent hier laten of toestaan dat iemand iets doet. In „die Fahrgäste einsteigen lassen“ gaat het om de passagiers laten instappen; het werkwoord „einsteigen“ benoemt de toegestane handeling.
Sollen „Sollen“ vormt in „Sollen wir hier bleiben“ een vraag naar een voorstel: zullen of moeten we hier blijven? De vraag gaat over wat de twee reizigers volgens de situatie het beste kunnen doen.
wir „wir“ betekent wij of we en verwijst hier naar de twee reizigers samen. In „Sollen wir“ is het de groep die een keuze moet maken.
hier „hier“ betekent op deze plaats. In „Sollen wir hier bleiben“ verwijst het naar de huidige plek op het station.
bleiben „bleiben“ betekent blijven of op dezelfde plaats blijven. In „Sollen wir hier bleiben“ gaat het om de keuze om niet naar een ander perron te gaan.
oder „oder“ betekent of en verbindt hier twee mogelijkheden: „hier bleiben“ of „nach einem anderen Bahnsteig suchen“. Het woord wordt gebruikt om een keuze te formuleren.
nach In „nach einem anderen Bahnsteig suchen“ hoort „nach“ bij het werkwoord „suchen“ en geeft het aan waarnaar iemand zoekt. Het patroon „nach etwas suchen“ betekent iets zoeken.
einem In „einem anderen Bahnsteig“ betekent „einem“ een en verwijst het naar een niet nader bepaald perron. „Einem“ is de verbogen vorm van het onbepaalde lidwoord „ein“ in deze combinatie na „nach“.
anderen „anderen“ betekent ander en onderscheidt het bedoelde perron van het huidige perron. In „einem anderen Bahnsteig“ staat het vóór het zelfstandig naamwoord dat het nader bepaalt.
Bahnsteig „Bahnsteig“ betekent perron, de plaats waar reizigers op een trein wachten. In „nach einem anderen Bahnsteig suchen“ gaat het om een ander perron zoeken.
suchen „suchen“ betekent zoeken. In „nach einem anderen Bahnsteig suchen“ wordt aangegeven waarnaar de reizigers op zoek zouden kunnen gaan.
Bleib „Bleib“ betekent blijf en is hier een directe raad aan één persoon: „Bleib vorerst in der Nähe“. Het is de gebiedende vorm die bij „bleiben“ hoort.
vorerst „vorerst“ betekent voorlopig of voor nu. In „Bleib vorerst in der Nähe“ beperkt het de raad tot de huidige, tijdelijke situatie.
in In „in der Nähe“ betekent „in“ in de buurt of binnen de nabijheid van iets. Deze vaste combinatie wordt gebruikt om aan te geven dat iemand dichtbij blijft.
der In „in der Nähe“ is „der“ het bepaalde lidwoord bij „Nähe“. Samen met „in“ vormt het de vaste uitdrukking voor in de buurt.
Nähe „Nähe“ betekent nabijheid of buurt. In „in der Nähe“ geeft het aan dat iemand dichtbij een plaats of persoon blijft.
Wenn „Wenn“ betekent als of wanneer en leidt hier de voorwaarde in: „Wenn sich etwas ändert“. Het beschrijft wat er gebeurt wanneer de situatie verandert.
sich In „sich etwas ändert“ hoort „sich“ bij „ändert“ en maakt het duidelijk dat iets zelf verandert. De hele combinatie „sich ändern“ betekent veranderen; „sich“ verwijst hier naar „etwas“.
etwas „etwas“ betekent iets en verwijst hier naar een nog onbekende wijziging in de situatie. In „sich etwas ändert“ is het datgene wat verandert.
ändert „ändert“ betekent verandert in „sich etwas ändert“. Het beschrijft een wijziging in de situatie, bijvoorbeeld een wijziging in de reisinformatie.
wird „wird“ helpt in „wird das Personal sagen“ om naar een toekomstige handeling te verwijzen. Samen met „sagen“ betekent de combinatie dat het personeel zal zeggen waarheen ze moeten gaan.
das In „das Personal“ is „das“ het bepaalde lidwoord bij „Personal“ en verwijst het naar het aanwezige personeel. De combinatie benoemt wie de toekomstige informatie zal geven.
Personal „Personal“ betekent personeel, hier de medewerkers op het station. In „das Personal wird sagen“ is het personeel degene die de reizigers aanwijzingen zal geven.
sagen „sagen“ betekent zeggen of meedelen. In „wird das Personal sagen“ gaat het om het geven van informatie over waar de reizigers heen moeten.
wohin „wohin“ betekent waarheen en vraagt naar een bewegingsrichting. In „wohin wir gehen sollen“ leidt het de indirecte vraag naar de bestemming in.
gehen „gehen“ betekent gaan of lopen. In „wohin wir gehen sollen“ benoemt het de beweging van de reizigers naar de plaats die het personeel zal aangeven.
habe „habe“ betekent heb in „Ich habe Gepäck dabei“. Het geeft hier aan dat de spreker bagage bij zich heeft; de vorm hoort bij „Ich“ en bij het werkwoord „haben“.
Gepäck „Gepäck“ betekent bagage. In „Gepäck dabei haben“ gaat het om bagage die de reiziger met zich meedraagt.
dabei In „Gepäck dabei haben“ betekent „dabei“ bij zich of mee. De vaste combinatie „etwas dabei haben“ zegt dat iemand iets met zich meedraagt.
deshalb „deshalb“ betekent daarom en geeft hier het gevolg van de bagage aan: de spreker wil niet steeds rondlopen. Het verbindt een reden met de conclusie die erop volgt.
möchte „möchte“ betekent zou willen en drukt hier een wens uit: „möchte ich nicht ständig herumlaufen“. Het wordt gebruikt om een voorkeur of beleefde wens te formuleren.
ständig „ständig“ betekent steeds of voortdurend. In „ständig herumlaufen“ benadrukt het dat het rondlopen telkens opnieuw of zonder onderbreking zou gebeuren.
herumlaufen „herumlaufen“ betekent rondlopen, zonder vaste bestemming heen en weer lopen. In „nicht ständig herumlaufen“ zegt de spreker dat hij niet voortdurend van plaats wil veranderen.
werde „werde“ betekent hier zal of ben van plan te, in „Ich werde fragen“. Samen met „fragen“ verwijst het naar een handeling die de spreker later van plan is te doen.
fragen „fragen“ betekent vragen of navragen. In „Ich werde fragen, ob“ kondigt de spreker aan dat hij bij iemand informatie zal inwinnen.
ob „ob“ betekent of en leidt hier een indirecte ja-neevraag in: „ob sie uns helfen können“. Het maakt de vraag afhankelijk van „fragen“.
uns „uns“ betekent ons en verwijst naar de twee reizigers samen. In „uns helfen“ zijn de reizigers degenen die hulp kunnen krijgen.
helfen „helfen“ betekent helpen. In „sie uns helfen können“ gaat het om hulp aan de twee reizigers, bijvoorbeeld bij het wisselen van perron.
können „können“ betekent kunnen en geeft hier de mogelijkheid aan dat iemand hulp biedt. Het staat in „helfen können“, waarbij „helfen“ de handeling benoemt die mogelijk is.
falls „falls“ betekent als of ingeval en leidt hier een mogelijke voorwaarde in: „falls wir den Bahnsteig wechseln müssen“. Het past bij een situatie die misschien zal ontstaan.
wechseln „wechseln“ betekent wisselen of veranderen van plaats. In „den Bahnsteig wechseln“ gaat het specifiek om van perron wisselen.
müssen „müssen“ betekent moeten en drukt in „wechseln müssen“ noodzakelijkheid uit. De vorm staat achteraan in de bijzin, terwijl „wechseln“ de noodzakelijke handeling benoemt.
würde „würde“ betekent zou en maakt in „Das würde helfen“ een voorwaardelijke of hypothetische beoordeling. De spreker zegt dat hulp nuttig zou zijn als de wijziging laat wordt meegedeeld.
Änderung „Änderung“ betekent verandering of wijziging. In „wenn die Änderung erst in letzter Minute kommt“ gaat het om de wijziging waarover de reizigers informatie verwachten.
erst „erst“ betekent hier pas en benadrukt dat de wijziging zeer laat komt. In „erst in letzter Minute“ geeft het aan dat dit pas op het laatste moment gebeurt.
letzter „letzter“ betekent laatste in „in letzter Minute“. Het bepaalt „Minute“ en maakt duidelijk dat het om het allerlaatste moment gaat.
Minute „Minute“ betekent minuut. In „in letzter Minute“ verwijst het samen met „letzter“ naar het laatste moment waarop de wijziging kan worden meegedeeld.
kommt „kommt“ betekent komt en beschrijft hier dat de wijziging wordt meegedeeld of zich voordoet. In „die Änderung kommt“ is „die Änderung“ het onderwerp van deze handeling.
Sobald „Sobald“ betekent zodra en geeft aan dat de tweede handeling onmiddellijk volgt op de eerste: „Sobald sie die Anzeigetafel aktualisieren“. Het leidt een tijdsbepalende bijzin in.
Anzeigetafel „Anzeigetafel“ betekent informatiebord of displaybord, hier het bord met actuele reisinformatie. In „die Anzeigetafel aktualisieren“ is het het bord dat wordt bijgewerkt.
aktualisieren „aktualisieren“ betekent bijwerken of actualiseren. In „die Anzeigetafel aktualisieren“ gaat het om nieuwe informatie op het informatiebord zetten.
weitergehen „weitergehen“ betekent verdergaan of verder lopen. In „können wir weitergehen“ kunnen de reizigers verder bewegen zodra de informatie duidelijk is.
ohne „ohne“ betekent zonder en leidt hier een handeling in die niet nodig is: „ohne raten zu müssen“. De hele constructie betekent zonder te hoeven gokken.
raten „raten“ betekent hier gokken of proberen te raden wat de juiste informatie is. In „raten zu müssen“ is het de handeling die de reizigers niet langer hoeven te doen.
zu In „ohne raten zu müssen“ hoort „zu“ bij „zu müssen“ en maakt het deel uit van de infinitiefconstructie na „ohne“. De volledige uitdrukking betekent zonder te hoeven gokken.

Grammatica

bevor + Nebensatz: Verb am Ende

Bevor die Fahrgäste einsteigen, überprüfen sie den Zug.

Be-foor die faar-ges-tuh ain-sjtaik-en, uu-ber-pruu-fen zie deen tsoek.

Voordat de passagiers instappen, controleren ze de trein.

Na bevor staat het werkwoord in de bijzin achteraan: einsteigen.

ohne + Akkusativ

ohne das Gepäck

Oo-nuh das guh-pehk

zonder de bagage

Na ohne volgt de vierde naamval (Akkusativ). Bij das Gepäck is de vorm hier hetzelfde.

Duits woordenschat

bevor voegwoord
be-foor voordat

Bevor sie die Fahrgäste einsteigen lassen.

bleiben werkwoord
blai-ben blijven

Sollen wir hier bleiben?

der Bahnsteig zelfstandig naamwoord
deer baan-sjtaik het perron einem anderen Bahnsteig

Nach einem anderen Bahnsteig suchen.

der Fahrgast zelfstandig naamwoord
deer faar-gast de passagier die Fahrgäste

Sie lassen die Fahrgäste einsteigen.

der Zug zelfstandig naamwoord
deer tsoek de trein den Zug

Sie überprüfen den Zug.

die Durchsage zelfstandig naamwoord
die doerch-zaa-guh de omroep Die Durchsage

Die Durchsage sagt, dass es eine Verspätung gibt.

die Verspätung zelfstandig naamwoord
die fer-sjpee-toeng de vertraging eine Verspätung

Die Durchsage sagt, dass es eine Verspätung gibt.

einsteigen werkwoord
ain-sjtaik-en instappen

Die Fahrgäste einsteigen lassen.

glauben werkwoord
glau-ben geloven glaube

Ich glaube, sie überprüfen den Zug.

suchen werkwoord
zoo-khen zoeken

Nach einem anderen Bahnsteig suchen.

überprüfen werkwoord
uu-ber-pruu-fen controleren

Sie überprüfen den Zug.

warum bijwoord
va-roem waarom

Aber nicht, warum.

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

waarom

Antwoord tonenwarum

geloven

Antwoord tonenglaube

instappen

Antwoord toneneinsteigen

voordat

Antwoord tonenbevor