Ich
„Ich“ betekent hier „ik“ en is de spreker die de stof kent en over zijn presentatieproblemen praat. Het staat als onderwerp vooraan in „Ich kenne den Stoff“. Gebruik „Ich“ als je zelf de handelende persoon in een zin bent, bijvoorbeeld in een nieuwe zin: „Ich lerne Deutsch.“
kenne
„kenne“ betekent hier „ken“: de spreker heeft kennis van de leerstof. Het is de vorm van „kennen“ die bij „Ich“ hoort in „Ich kenne den Stoff“. Gebruik „kennen“ met een persoon, plaats of onderwerp waarmee je vertrouwd bent, bijvoorbeeld in een nieuwe zin: „Ich kenne diese Stadt.“
den
„den“ markeert hier het concrete onderwerp dat de spreker kent in „den Stoff“. Deze vorm staat vóór „Stoff“ in de uitdrukking „Ich kenne den Stoff“. Gebruik „den“ vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord wanneer dat woord in deze zinspositie als object staat.
Stoff
„Stoff“ betekent hier „leerstof“ of „lesmateriaal“, niet simpelweg materiaal in fysieke zin. In „Ich kenne den Stoff“ gaat het om de inhoud die voor de presentatie geleerd is. Gebruik „Stoff“ in een onderwijscontext bijvoorbeeld voor de leerstof van een vak.
aber
„aber“ betekent hier „maar“ en verbindt de kennis van de spreker met het probleem tijdens het presenteren. In „Ich kenne den Stoff, aber beim Präsentieren ...“ introduceert het een tegenstelling. Gebruik „aber“ om twee tegengestelde of onverwachte delen van een mededeling te verbinden.
beim
„beim“ betekent hier „tijdens het“ in „beim Präsentieren“. Het is de vaste samentrekking van „bei dem“ en staat hier vóór het zelfstandig gebruikte werkwoord „Präsentieren“. Gebruik „beim“ met een activiteit wanneer je zegt wat er tijdens die activiteit gebeurt.
Präsentieren
„Präsentieren“ betekent hier „presenteren“ als activiteit: tijdens het presenteren raken de gedachten van de spreker door elkaar. De hoofdletter laat zien dat het werkwoord hier als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt in „beim Präsentieren“. Gebruik deze vorm na „beim“ om naar de activiteit als geheel te verwijzen.
geraten
„geraten“ betekent hier „raken“ of „terechtkomen“ in de toestand „durcheinander“. In „meine Gedanken geraten durcheinander“ beschrijft het dat de gedachten ongeordend raken. Gebruik „geraten“ in een patroon waarin iemand of iets in een bepaalde toestand terechtkomt.
meine
„meine“ betekent hier „mijn“ en verwijst naar de gedachten van de spreker in „meine Gedanken“. De vorm hoort bij het meervoudige zelfstandig naamwoord „Gedanken“. Gebruik „meine“ vóór meerdere zaken of personen die van jou zijn of bij jou horen.
Gedanken
„Gedanken“ betekent hier „gedachten“, namelijk de ideeën die tijdens het presenteren ongeordend raken. In „meine Gedanken geraten durcheinander“ is het het onderwerp van de zin. Gebruik „Gedanken“ bijvoorbeeld om over je ideeën of mentale overwegingen te praten.
durcheinander
„durcheinander“ betekent hier „door elkaar“ of „ongeordend“. Samen met „geraten“ beschrijft „durcheinander“ de toestand waarin de gedachten terechtkomen. Gebruik „durcheinander“ ook wanneer mensen, zaken of informatie niet meer ordelijk zijn.
Angst
„Angst“ betekent hier „angst“ of „spanning“ die de structuur van een presentatie kan verstoren. In „Angst kann die Struktur ... stören“ is het onderwerp dat dit effect kan veroorzaken. Gebruik „Angst“ als zelfstandig naamwoord voor een gevoel van vrees of sterke spanning.
kann
„kann“ betekent hier „kan“ en drukt uit dat angst mogelijk een presentatie-structuur verstoort. Het is de vorm van „können“ die bij „Angst“ hoort in „Angst kann ...“. Gebruik „kann“ om mogelijkheid of vermogen uit te drukken.
die
„die“ betekent hier „de“ en hoort bij „Struktur“ in „die Struktur einer Präsentation“. Het markeert het specifieke onderdeel van de presentatie dat verstoord kan worden. Gebruik „die“ vóór een zelfstandig naamwoord met dit bepaalde lidwoord in de betreffende zinspositie.
Struktur
„Struktur“ betekent hier de opbouw of ordening van een presentatie. In „die Struktur einer Präsentation stören“ gaat het om de manier waarop de presentatie georganiseerd is. Gebruik „Struktur“ ook voor de opbouw van een tekst, plan of betoog.
einer
„einer“ betekent hier „van een“ en verbindt „Struktur“ met „Präsentation“ in „die Struktur einer Präsentation“. Het geeft aan dat de structuur bij één presentatie hoort. Gebruik „einer“ in een vergelijkbare bezitsrelatie vóór een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld bij de structuur van een tekst.
Präsentation
„Präsentation“ betekent hier „presentatie“, de voordracht waarover de student en tutor spreken. In „einer Präsentation“ benoemt het de presentatie waarvan de structuur kan worden verstoord. Gebruik „Präsentation“ voor een formele voordracht van informatie aan anderen.
stören
„stören“ betekent hier „verstoren“: angst kan de structuur van een presentatie negatief beïnvloeden. De infinitief staat na „kann“ in „kann die Struktur ... stören“. Gebruik „stören“ met datgene wat onderbroken of minder ordelijk gemaakt wordt.
selbst
„selbst“ betekent hier „zelfs“ en benadrukt dat het probleem kan optreden ondanks een goede voorbereiding. In „selbst wenn du gut vorbereitet bist“ leidt het een onverwachte voorwaarde in. Gebruik „selbst“ vóór een voorwaarde of situatie om extra nadruk te leggen.
wenn
„wenn“ betekent hier „als“ en leidt de voorwaardelijke bijzin „wenn du gut vorbereitet bist“ in. De bijzin beschrijft de situatie waarin de angst toch de structuur kan verstoren. Gebruik „wenn“ om een voorwaarde of een herhaald tijdstip aan te geven.
du
„du“ betekent hier „je“ of „jij“ en verwijst naar de student die goed voorbereid is. Het staat als onderwerp in „du gut vorbereitet bist“. Gebruik „du“ wanneer je één persoon rechtstreeks en informeel aanspreekt.
gut
„gut“ betekent hier „goed“ en versterkt de beschrijving „gut vorbereitet“: de student heeft zich goed voorbereid. In deze combinatie zegt het hoe goed iemand voorbereid is. Gebruik „gut“ vóór een beschrijving om een positieve mate of kwaliteit aan te geven.
vorbereitet
„vorbereitet“ betekent hier „voorbereid“ en beschrijft de toestand van de student. In „du gut vorbereitet bist“ staat het na „bist“ als beschrijving van „du“. Gebruik „vorbereitet sein“ wanneer iemand klaar is voor een taak, gesprek of presentatie.
bist
„bist“ betekent hier „bent“ en verbindt „du“ met de beschrijving „gut vorbereitet“. Het is de vorm van „sein“ die bij „du“ hoort in „du gut vorbereitet bist“. Gebruik „bist“ om iemand rechtstreeks een toestand of eigenschap toe te schrijven.
hetze
„hetze“ betekent hier „haast“ of „jaag“ en beschrijft dat de spreker te snel door moeilijke overgangen gaat. Het is de vorm die bij „Ich“ hoort in „Ich hetze oft durch komplexe Übergänge“. Gebruik „hetzen“ wanneer iemand zich gehaast door een taak of traject beweegt.
oft
„oft“ betekent hier „vaak“ en laat zien dat het te snel doorgaan regelmatig gebeurt. In „Ich hetze oft ...“ bepaalt het hoe vaak de handeling voorkomt. Gebruik „oft“ om een terugkerende handeling of situatie te beschrijven.
durch
„durch“ betekent hier „door“ in het patroon „durch komplexe Übergänge“. Het geeft aan dat de spreker zich door de opeenvolgende overgangen van de presentatie heen beweegt. Gebruik „durch“ vóór datgene waar iemand of iets doorheen gaat.
komplexe
„komplexe“ betekent hier „complexe“ en beschrijft de overgangen die moeilijker zijn om rustig uit te spreken. In „komplexe Übergänge“ staat het vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord. Gebruik „komplexe“ vóór meerdere zaken die uit verschillende of ingewikkelde onderdelen bestaan.
Übergänge
„Übergänge“ betekent hier „overgangen“ tussen verschillende onderdelen van de presentatie. In „durch komplexe Übergänge“ zijn het de onderdelen waar de spreker te snel doorheen gaat. Gebruik „Übergänge“ bijvoorbeeld voor de overgang van het ene onderwerp of deel naar het volgende.
Es
„Es“ betekent hier „het“ in de algemene formulering „Es könnte helfen“. Het verwijst niet naar één concreet zelfstandig naamwoord, maar opent de mededeling dat iets mogelijk nuttig is. Gebruik „Es könnte helfen, ...“ om voorzichtig een mogelijke oplossing voor te stellen.
könnte
„könnte“ betekent hier „zou kunnen“ en maakt de suggestie voorzichtig: het markeren van overgangen is mogelijk behulpzaam. In „Es könnte helfen“ drukt het een mogelijkheid uit, geen zekerheid. Gebruik „könnte“ om een voorzichtige aanbeveling of hypothese te formuleren.
helfen
„helfen“ betekent hier „helpen“ en verwijst naar het mogelijke nut van het markeren van overgangen. De infinitief staat na „könnte“ in „Es könnte helfen“. Gebruik „helfen“ met een persoon of maatregel die een probleem gemakkelijker maakt.
in
„in“ betekent hier „in“ en geeft aan dat de overgangen binnen de notities gemarkeerd worden. In „in deinen Notizen“ verwijst het naar de plaats of het document waarin iets staat. Gebruik „in“ vóór een ruimte, tekst of verzameling waarin iets zich bevindt.
deinen
„deinen“ betekent hier „jouw“ en verwijst naar de notities van de aangesproken student. Het staat vóór „Notizen“ in „in deinen Notizen“. Gebruik „deinen“ vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord om bezit of verbondenheid met de aangesproken persoon aan te geven.
Notizen
„Notizen“ betekent hier „aantekeningen“ die de student gebruikt om de presentatie te ondersteunen. In „die Übergänge in deinen Notizen hervorzuheben“ zijn dit de aantekeningen waarin de overgangen gemarkeerd kunnen worden. Gebruik „Notizen“ voor korte schriftelijke geheugensteunen bij het leren of presenteren.
hervorzuheben
„hervorzuheben“ betekent hier „te markeren“ of „te benadrukken“, namelijk de overgangen in de notities. Het is de te-vorm van „hervorheben“ in „die Übergänge ... hervorzuheben“. Gebruik „etwas hervorheben“ wanneer je een onderdeel zichtbaar of opvallend wilt maken.
außerdem
„außerdem“ betekent hier „bovendien“ of „daarnaast“ en voegt een tweede mogelijke aanpak toe. In „Ich könnte außerdem ...“ komt na de suggestie over het markeren van overgangen nog het oefenen van moeilijke delen. Gebruik „außerdem“ om extra informatie of een extra mogelijkheid toe te voegen.
nur
„nur“ betekent hier „alleen“ en beperkt het oefenen tot de moeilijke onderdelen. In „nur die schwierigen Abschnitte“ sluit het oefenen van alle andere delen uit. Gebruik „nur“ vóór het woord of de woordgroep waarop de beperking betrekking heeft.
schwierigen
„schwierigen“ betekent hier „moeilijke“ en beschrijft de onderdelen die extra aandacht nodig hebben. In „die schwierigen Abschnitte“ staat het vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord. Gebruik „schwierigen“ om meerdere onderdelen met een hogere moeilijkheidsgraad aan te duiden.
Abschnitte
„Abschnitte“ betekent hier „onderdelen“ of „secties“ van de presentatie. In „nur die schwierigen Abschnitte proben“ gaat het om de delen die de student gericht wil oefenen. Gebruik „Abschnitt“ voor een afgebakend deel van een tekst, presentatie of andere reeks.
proben
„proben“ betekent hier „repeteren“ of „oefenen“, specifiek voor de moeilijke delen van de presentatie. De infinitief staat na „könnte“ in „Ich könnte ... proben“. Gebruik „proben“ voor het herhaald oefenen van een optreden, presentatie of andere geplande uitvoering.
Das
„Das“ betekent hier „dat“ en verwijst naar het zojuist voorgestelde gericht oefenen van moeilijke onderdelen. In „Das ist effizient“ beoordeelt het de hele vorige suggestie, niet één afzonderlijk woord. Gebruik „Das ist ...“ om een eerder genoemde handeling, situatie of idee te beoordelen.
ist
„ist“ betekent hier „is“ en verbindt de eerdere aanpak met de beoordeling „effizient“. Het is de vorm van „sein“ die bij „Das“ hoort in „Das ist effizient“. Gebruik „ist“ om een zaak of situatie met een beschrijving te verbinden.
effizient
„effizient“ betekent hier „efficiënt“: de voorgestelde oefenmethode gebruikt de beschikbare tijd gericht. In „Das ist effizient“ geeft het een beoordeling van die aanpak. Gebruik „effizient“ wanneer een werkwijze met weinig verspilling een doel bereikt.
denn
„denn“ betekent hier „want“ en geeft de reden voor de beoordeling „effizient“. In „denn nicht jeder Teil muss ...“ volgt een toelichting op de uitspraak ervoor. Gebruik „denn“ om in een gewone hoofdzin een reden toe te voegen.
nicht
„nicht“ betekent hier „niet“ en ontkent dat ieder onderdeel dezelfde hoeveelheid oefening nodig heeft. In „nicht jeder Teil“ staat de ontkenning vóór de groep waarop zij betrekking heeft. Gebruik „nicht“ om een handeling, eigenschap of bewering te ontkennen.
jeder
„jeder“ betekent hier „ieder“ of „elk“ en verwijst naar de afzonderlijke delen van de presentatie. In „nicht jeder Teil“ wordt gezegd dat niet elk deel evenveel oefening nodig heeft. Gebruik „jeder“ om leden van een groep één voor één als geheel te omvatten.
Teil
„Teil“ betekent hier „deel“ of „onderdeel“ van de presentatie. In „nicht jeder Teil muss ...“ is elk onderdeel onderwerp van de uitspraak over de benodigde oefening. Gebruik „Teil“ voor een afgebakend onderdeel van een geheel.
muss
„muss“ betekent hier „moet“ of „hoeft“ in de ontkende formulering „nicht jeder Teil muss ...“. Het drukt uit wat volgens de spreker noodzakelijk zou zijn, waarna „nicht“ zegt dat dit niet voor elk deel geldt. Gebruik „muss“ om noodzaak of vereiste aan te geven.
gleich
„gleich“ betekent hier „even“ en geeft aan dat de hoeveelheid oefening gelijk zou zijn. Samen met „viel“ vormt het „gleich viel“ in „gleich viel geübt“. Gebruik „gleich“ vóór een hoeveelheid of eigenschap wanneer je gelijkheid wilt uitdrukken.
viel
„viel“ betekent hier „veel“ en verwijst naar de hoeveelheid oefening. In „gleich viel geübt“ gaat het om een gelijke hoeveelheid oefenen voor verschillende onderdelen. Gebruik „viel“ bij een niet-afgebakende hoeveelheid, zoals tijd, werk of oefening.
geübt
„geübt“ betekent hier „geoefend“ en beschrijft wat met de verschillende onderdelen gedaan wordt. In „muss gleich viel geübt werden“ maakt het deel uit van de formulering voor iets dat geoefend wordt. Gebruik „geübt“ voor vaardigheden of onderdelen die door herhaling beter worden.
werden
„werden“ helpt hier om uit te drukken dat de onderdelen geoefend worden in „geübt werden“. Het staat na „muss“ als infinitief in deze passieve formulering. Gebruik „werden“ samen met een voltooid deelwoord wanneer de aandacht ligt op wat met iets gedaan wordt.
möchte
„möchte“ betekent hier „wil graag“ of „zou graag willen“ en drukt de wens van de spreker uit. In „Ich möchte vorbereitet klingen“ leidt het een infinitief aan die beschrijft wat de spreker wil bereiken. Gebruik „möchte“ om een wens of beleefde bedoeling uit te drukken.
klingen
„klingen“ betekent hier „klinken“: de spreker wil voorbereid overkomen tijdens het presenteren. De infinitief staat na „möchte“ in „Ich möchte vorbereitet klingen“. Gebruik „klingen“ om te beschrijven welke indruk iemands woorden of stem op anderen maken.
ohne
„ohne“ betekent hier „zonder“ en introduceert wat de spreker wil vermijden: uit het hoofd geleerd of ingestudeerd overkomen. In „ohne auswendig gelernt zu wirken“ staat het vóór een te-infinitiefconstructie. Gebruik „ohne ... zu“ om te zeggen dat iets gebeurt zonder een andere handeling of indruk.
auswendig
„auswendig“ betekent hier „uit het hoofd“ en beschrijft hoe iets geleerd is. Samen met „gelernt“ vormt het „auswendig gelernt“ in „auswendig gelernt zu wirken“. Gebruik „auswendig lernen“ voor informatie die je precies uit het geheugen leert.
gelernt
„gelernt“ betekent hier „geleerd“ en verwijst naar tekst die uit het hoofd geleerd is. In „auswendig gelernt zu wirken“ beschrijft het de indruk die de spreker niet wil wekken. Gebruik „gelernt“ met „auswendig“ wanneer iets door memoriseren beheerst wordt.
zu
„zu“ is hier het teken van de te-infinitief in „zu wirken“. Samen met „ohne“ vormt het de constructie „ohne auswendig gelernt zu wirken“. Gebruik „zu“ vóór een infinitief wanneer die vorm na een bepaalde constructie of uitdrukking volgt.
wirken
„wirken“ betekent hier „overkomen“ of „lijken“: de spreker wil niet de indruk wekken dat alles uit het hoofd geleerd is. In „auswendig gelernt zu wirken“ beschrijft het een indruk bij de luisteraar. Gebruik „wirken“ om te zeggen hoe iemand of iets op anderen overkomt.
Setz
„Setz“ betekent hier „zet in op“ of „vertrouw op“ en is een directe aansporing aan één persoon. In „Setz lieber auf flexible Orientierungspunkte“ hoort het bij het vaste patroon „auf etwas setzen“. Gebruik „Setz auf ...“ om iemand aan te raden voor een bepaalde aanpak of oplossing te kiezen.
lieber
„lieber“ betekent hier „liever“ en maakt een voorkeur duidelijk voor flexibele oriëntatiepunten boven vaste zinnen. In „Setz lieber auf ... als auf ...“ vergelijkt het twee mogelijke aanpakken. Gebruik „lieber“ om een voorkeursoptie aan te geven.
auf
„auf“ hoort hier bij het vaste patroon „auf etwas setzen“, dat betekent „op iets inzetten“ of „op iets vertrouwen“. In „Setz lieber auf flexible Orientierungspunkte“ introduceert het datgene waarop de aanpak gebaseerd moet worden. Gebruik „auf etwas setzen“ met een gekozen middel, optie of strategie.
flexible
„flexible“ betekent hier „flexibele“ en beschrijft oriëntatiepunten die ruimte laten om de formulering aan de situatie aan te passen. In „flexible Orientierungspunkte“ staat het vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord. Gebruik „flexible“ voor hulpmiddelen of plannen die niet volledig vastliggen.
Orientierungspunkte
„Orientierungspunkte“ betekent hier „oriëntatiepunten“ of geheugensteunen die de spreker door de presentatie leiden. In „auf flexible Orientierungspunkte setzen“ worden ze tegenover vaste zinnen geplaatst. Gebruik „Orientierungspunkte“ voor herkenbare aanknopingspunten die helpen om de richting of structuur te behouden.
als
„als“ betekent hier „dan“ in de vergelijking „lieber ... als ...“. Het introduceert de optie die minder de voorkeur krijgt: vaste zinnen. Gebruik „lieber ... als ...“ om twee mogelijkheden tegenover elkaar te zetten en de eerste te verkiezen.
feste
„feste“ betekent hier „vaste“ en beschrijft zinnen die precies vooraf vastgelegd zijn. In „feste Sätze“ worden ze tegenover flexibele oriëntatiepunten geplaatst. Gebruik „feste“ voor iets dat niet aangepast of veranderd wordt.
Sätze
„Sätze“ betekent hier „zinnen“, namelijk volledig geformuleerde zinnen die de spreker niet letterlijk wil instuderen. In „als auf feste Sätze“ vormen ze de minder gewenste optie in de vergelijking. Gebruik „Sätze“ voor afzonderlijke grammaticale uitingen in gesproken of geschreven taal.