Eerlijk en respectvol plannen aanpassen | Leer duits in het Nederlands

German lesson set in a contemporary Berlin everyday setting: In daily life, two adults discuss changing shared plans directly because one person overcommitted and needs a simpler option..

NL → DE / Niveau: B2

Over deze les

Met Eerlijk en respectvol plannen aanpassen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het duits.

Dialoog

A

Ich muss unsere Pläne ändern, und ich wollte es dir direkt sagen.

Ich moes oen-ze-re plee-ne en-dern, oent ich vol-te es dier die-rekt zaa-gen. Ik moet onze plannen aanpassen en ik wilde het je rechtstreeks vertellen.
B

Ich weiß es zu schätzen, dass du es mir direkt sagst, statt eine vage Nachricht zu schicken.

Ich vais es tsoe sjetsen, das doe es mier die-rekt zaakst, sjtat aine vaa-ge naakh-richt tsoe sjikken. Ik waardeer het dat je het me rechtstreeks vertelt in plaats van een vaag bericht te sturen.
A

Ich habe zu viel zugesagt, und ich möchte nicht völlig erschöpft auftauchen.

Ich haa-be tsoe fiel tsoe-ge-zaakt, oent ich meur-te niesjt feu-liesj er-sjeuft auf-tau-ghen. Ik heb te veel toegezegd en ik wil niet uitgeput komen opdagen.
B

Ich bin enttäuscht, aber wenn wir es erzwingen, würde der Tag wahrscheinlich schwieriger werden.

Ich bin ent-toujsjt, aa-ber ven vier es er-tsvingen, vuer-de der taak vaar-sjain-liesj sjvie-rie-ger ver-den. Ik ben teleurgesteld, maar het zou de dag waarschijnlijk moeilijker maken als we het toch zouden doorzetten.
A

Ich hätte einschätzen sollen, wie viel ich schaffen kann, bevor ich zugesagt habe.

Ich het-te ain-sjetsen zol-len, vie fiel ich sjaffen kan, be-foor ich tsoe-ge-zaakt haa-be. Ik had moeten inschatten hoeveel ik aankon voordat ik ermee instemde.
B

Das passiert, besonders wenn alles dringend wirkt.

Das pa-siert, be-zon-ders ven al-les dring-ent virkt. Dat gebeurt, vooral als alles dringend lijkt.
A

Könnten wir stattdessen etwas Einfacheres machen, wenn wir uns treffen?

Keun-ten vier sjtat-des-sen et-vas ain-fa-khe-res maa-ghen, ven vier oens tref-fen? Zouden we in plaats daarvan iets eenvoudigers kunnen doen als we elkaar ontmoeten?
B

Das wäre für uns beide leichter zu bewältigen.

Das vee-re fuu(r) oens bai-de laisj-ter tsoe be-veel-ti-gen. Dat zou voor ons allebei beter te doen zijn.

Woord voor woord

Ich Ich betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de persoon die spreekt. Het is de eerste persoon enkelvoud. Je gebruikt Ich als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt, zoals in Ich muss unsere Pläne ändern.
muss Muss drukt hier uit dat de spreker iets moet doen: de plannen veranderen. Het is een vorm van müssen; na muss staat de handeling in de infinitief, zoals ändern. Je gebruikt het om een noodzakelijke actie of verplichting aan te geven.
unsere Unsere betekent hier ‘onze’ en geeft aan dat de Pläne van de spreker en de gesprekspartner zijn. De vorm hoort bij het meervoudige zelfstandig naamwoord Pläne. Je gebruikt onze-woorden vóór iets dat bij jou en minstens één andere persoon hoort.
Pläne Pläne betekent hier ‘plannen’, namelijk de gezamenlijke afspraken of voornemens die moeten worden aangepast. Het is het meervoud van Plan. Je gebruikt Pläne voor geplande activiteiten, afspraken of voornemens.
ändern Ändern betekent hier ‘veranderen’ of ‘aanpassen’ en verwijst naar het wijzigen van de gezamenlijke plannen. In Ich muss unsere Pläne ändern staat ändern als infinitief na muss. Je gebruikt ändern met iets dat je inhoud, vorm of verloop wilt laten veranderen.
und Und verbindt hier twee mededelingen: de spreker moet de plannen aanpassen en wilde dat rechtstreeks vertellen. Het betekent ‘en’. Je gebruikt und om gelijkwaardige informatie of handelingen aan elkaar te koppelen.
wollte Wollte betekent hier ‘wilde’ en beschrijft de bedoeling van de spreker om iets te vertellen. Het is een verleden vorm van wollen en staat in wollte es dir direkt sagen. Je gebruikt wollte om een eerdere wens, bedoeling of plan te beschrijven.
es Es verwijst hier naar de mededeling die de spreker rechtstreeks wil geven. In wollte es dir direkt sagen is es het ‘het’ dat verteld wordt. Je gebruikt es als verwijswoord wanneer de inhoud al bekend is of daarna niet opnieuw wordt genoemd.
dir Dir betekent hier ‘jou’ of ‘aan jou’ en geeft aan tegen wie de spreker het zegt. Het verwijst naar de ontvanger van sagen. Je gebruikt dir bij een persoon die iets ontvangt of aan wie je iets vertelt.
direkt Direkt betekent hier ‘rechtstreeks’: de spreker wil de ander zelf en zonder omweg informeren. Het bepaalt de manier waarop sagen gebeurt. Je gebruikt direkt om directe communicatie tegenover een indirecte manier te beschrijven.
sagen Sagen betekent hier ‘zeggen’ of ‘vertellen’ en benoemt de handeling die de spreker wilde uitvoeren. In wollte es dir direkt sagen staat sagen als infinitief na wollte. Je gebruikt sagen met een boodschap of met een persoon aan wie je iets vertelt.
weiß Weiß betekent op zichzelf ‘weet’, maar in Ich weiß es zu schätzen geeft de hele formulering aan dat de spreker iets waardeert. Het is de vorm van wissen bij Ich. Je gebruikt Ich weiß ... om aan te geven dat je iets weet; in deze vaste formulering volgt een waardering.
zu Zu markeert hier de infinitief in zu schätzen binnen Ich weiß es zu schätzen. Samen met schätzen draagt het bij aan de uitdrukking waarmee waardering wordt uitgesproken. Je ziet zu ook in andere infinitiefconstructies, zoals statt ... zu schicken.
schätzen Schätzen betekent hier ‘waarderen’ binnen Ich weiß es zu schätzen. De volledige formulering verwijst naar het op prijs stellen van de rechtstreekse mededeling. Je gebruikt schätzen in deze constructie wanneer je wilt zeggen dat je iets waardeert.
dass Dass leidt hier de bijzin in die uitlegt wat de spreker waardeert: dat de ander het rechtstreeks zegt. In de dass-bijzin staat het vervoegde werkwoord aan het einde, zoals in dass du es mir direkt sagst. Je gebruikt dass om een inhoud of reden als bijzin aan een hoofdzin te koppelen.
du Du betekent hier ‘je’ of ‘jij’ en is de persoon die de boodschap rechtstreeks zegt. Het is het onderwerp van du ... sagst. Je gebruikt du wanneer je één gesprekspartner informeel aanspreekt.
mir Mir betekent hier ‘mij’ of ‘aan mij’ en geeft aan aan wie de gesprekspartner de boodschap vertelt. Het hoort bij sagst in dass du es mir direkt sagst. Je gebruikt mir voor jezelf als ontvanger van iets dat iemand zegt of geeft.
sagst Sagst betekent hier ‘zegt’ of ‘vertelt’ en beschrijft wat de gesprekspartner rechtstreeks tegen de spreker doet. Het is de vorm van sagen bij du en staat aan het einde van de dass-bijzin. Je gebruikt sagst wanneer du iets aan iemand meedeelt.
statt Statt betekent hier ‘in plaats van’ en stelt een vage Nachricht tegenover de rechtstreekse mededeling. In statt eine vage Nachricht zu schicken leidt het een alternatief met een infinitiefconstructie in. Je gebruikt statt om aan te geven welke handeling niet wordt gekozen omdat er een andere voor in de plaats komt.
eine Eine betekent hier ‘een’ en introduceert Nachricht als één niet nader bepaalde boodschap. De vorm hoort bij het zelfstandig naamwoord Nachricht. Je gebruikt eine vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer je iets niet-specifieks noemt.
vage Vage betekent hier ‘vaag’ en beschrijft een bericht waarin de bedoeling niet duidelijk wordt uitgesproken. Het staat vóór Nachricht en geeft daar een eigenschap van. Je gebruikt vage om informatie of communicatie te beschrijven die weinig concreet is.
Nachricht Nachricht betekent hier ‘bericht’, bijvoorbeeld de schriftelijke boodschap die de spreker liever niet ontvangt. Het woord staat in eine vage Nachricht. Je gebruikt Nachricht voor een mededeling die iemand schriftelijk of digitaal ontvangt.
schicken Schicken betekent hier ‘sturen’ en verwijst naar het verzenden van een vaag bericht. In statt eine vage Nachricht zu schicken staat schicken als infinitief na zu. Je gebruikt schicken met iets dat je naar een persoon of bestemming verzendt.
habe Habe betekent hier ‘heb’ en vormt samen met zugesagt de voltooide mededeling over wat de spreker eerder heeft toegezegd. Het is de vorm van haben bij Ich. Je gebruikt habe in een voltooide vorm met een voltooid deelwoord, zoals in Ich habe ... zugesagt.
viel Viel geeft hier de hoeveelheid aan in zu viel: de spreker heeft meer toegezegd dan haalbaar was. De betekenis ‘te veel’ ontstaat samen met zu, niet door viel alleen. Je gebruikt viel bij een niet-telbare hoeveelheid of om een grote hoeveelheid aan te duiden.
zugesagt Zugesagt betekent hier ‘toegezegd’ en verwijst naar eerdere toezeggingen van de spreker. Het staat met habe in Ich habe zu viel zugesagt. Je gebruikt zugesagt om te beschrijven dat iemand iets heeft beloofd of ermee heeft ingestemd.
möchte Möchte betekent hier ‘wil graag’ of ‘zou graag willen’ en drukt de wens uit om niet volledig uitgeput op te dagen. Het is een beleefde, zachtere manier om een wens te formuleren en staat met de infinitief auftauchen. Je gebruikt möchte wanneer je een wens of voornemen voorzichtig wilt uitspreken.
nicht Nicht ontkent hier de gewenste handeling: de spreker wil niet uitgeput op komen dagen. Het staat vóór de beschrijving völlig erschöpft auftauchen. Je gebruikt nicht om een handeling, eigenschap of omstandigheid te ontkennen.
völlig Völlig betekent hier ‘helemaal’ of ‘volledig’ en versterkt erschöpft. De spreker wil niet in een toestand van volledige uitputting verschijnen. Je gebruikt völlig vóór een beschrijving wanneer je wilt aangeven dat die toestand maximaal of compleet is.
erschöpft Erschöpft betekent hier ‘uitgeput’ en beschrijft de toestand waarin de spreker niet wil verschijnen. Het staat in völlig erschöpft auftauchen. Je gebruikt erschöpft om een persoon te beschrijven die door inspanning of druk geen energie meer heeft.
auftauchen Auftauchen betekent hier ‘opdagen’ of ‘verschijnen’ bij een afspraak of ontmoeting. In möchte ... auftauchen staat het als infinitief na möchte. Je gebruikt auftauchen wanneer je beschrijft dat iemand op een plaats of bij een afspraak verschijnt.
bin Bin betekent hier ‘ben’ en verbindt de spreker met de toestand enttäuscht. Het is de vorm van sein bij Ich in Ich bin enttäuscht. Je gebruikt bin om over je eigen toestand, gevoel of identiteit te spreken.
enttäuscht Enttäuscht betekent hier ‘teleurgesteld’ en beschrijft het gevoel van de gesprekspartner over de gewijzigde plannen. Het staat na bin als beschrijving van de spreker. Je gebruikt enttäuscht wanneer een verwachting of afspraak niet uitkomt.
aber Aber betekent hier ‘maar’ en verbindt de teleurstelling met de erkenning dat doorgaan de dag moeilijker kan maken. Het markeert een tegenstelling tussen twee standpunten. Je gebruikt aber om informatie toe te voegen die afwijkt van of nuanceert wat net is gezegd.
wenn Wenn betekent hier ‘als’ en leidt de voorwaarde in waaronder de dag waarschijnlijk moeilijker wordt. In de wenn-bijzin staat het werkwoord aan het einde: wenn wir es erzwingen. Je gebruikt wenn om een voorwaarde of een terugkerende situatie te beschrijven.
wir Wir betekent hier ‘we’ of ‘wij’ en verwijst naar beide gesprekspartners samen. Het is het onderwerp van wir es erzwingen. Je gebruikt wir wanneer jij en minstens één andere persoon samen handelen.
erzwingen Erzwingen betekent hier ‘forceren’ en verwijst naar het toch laten doorgaan van de oorspronkelijke plannen ondanks de bezwaren. In wenn wir es erzwingen is wir het onderwerp van de handeling. Je gebruikt erzwingen wanneer iemand iets laat gebeuren zonder dat de omstandigheden daar goed voor zijn.
würde Würde betekent hier ‘zou’ en maakt de voorspelling over een mogelijke uitkomst voorwaardelijk: de dag zou moeilijker worden. Het staat met schwieriger werden in würde der Tag wahrscheinlich schwieriger werden. Je gebruikt würde om een hypothetische of voorwaardelijke uitkomst te beschrijven.
der Der betekent hier ‘de’ en hoort bij Tag in der Tag. Het wijst naar de dag waarover de gesprekspartners spreken. Je gebruikt der als bepaald lidwoord bij een mannelijk zelfstandig naamwoord in deze constructie.
Tag Tag betekent hier ‘dag’ en verwijst naar de geplande dag waarop de ontmoeting zou plaatsvinden. Het staat in der Tag. Je gebruikt Tag om een volledige dag of een bepaalde dag in een planning te benoemen.
wahrscheinlich Wahrscheinlich betekent hier ‘waarschijnlijk’ en maakt de voorspelling minder absoluut. Het geeft aan dat de spreker verwacht dat de dag moeilijker wordt, maar dit niet zeker weet. Je gebruikt wahrscheinlich bij een inschatting of verwachting.
schwieriger Schwieriger betekent hier ‘moeilijker’ en vergelijkt de mogelijke dag met een minder moeilijke situatie. Het staat vóór werden in würde der Tag wahrscheinlich schwieriger werden. Je gebruikt schwieriger om aan te geven dat iets meer moeite of problemen zal opleveren.
werden Werden betekent hier ‘worden’ en beschrijft een verandering naar een moeilijkere toestand. In würde ... schwieriger werden staat het als infinitief na würde. Je gebruikt werden met een bijvoeglijke beschrijving wanneer je een verandering van toestand uitdrukt.
hätte Hätte betekent hier ‘had’ in de terugblikkende formulering had moeten inschatten. Samen met einschätzen sollen drukt het uit dat de spreker achteraf vindt dat iets eerder had moeten gebeuren. Je gebruikt hätte ... sollen om spijt of een niet-vervulde verplichting in het verleden te beschrijven.
einschätzen Einschätzen betekent hier ‘inschatten’ en verwijst naar het beoordelen van de eigen capaciteit. Het staat in hätte einschätzen sollen en heeft als inhoud wie viel ich schaffen kann. Je gebruikt einschätzen wanneer je vooraf beoordeelt wat haalbaar, waarschijnlijk of passend is.
sollen Sollen betekent hier ‘moeten’ binnen hätte einschätzen sollen: de spreker vindt achteraf dat die inschatting nodig was. Het staat als infinitief aan het einde van de constructie. Je gebruikt sollen om een verwachting, opdracht of achteraf erkende verplichting uit te drukken.
wie Wie betekent hier ‘hoe’ en leidt de ingesloten vraag in wie viel ich schaffen kann. Het vraagt naar de mate of hoeveelheid die de spreker aankan. Je gebruikt wie in vragen naar de manier, mate of hoeveelheid van iets.
schaffen Schaffen betekent hier ‘aankunnen’ of ‘voor elkaar krijgen’ en verwijst naar wat de spreker kan doen binnen zijn of haar capaciteit. In wie viel ich schaffen kann hoort het bij kann. Je gebruikt schaffen om te zeggen dat een taak of hoeveelheid haalbaar is.
kann Kann betekent hier ‘kan’ en geeft de mogelijkheid of capaciteit van de spreker aan. In wie viel ich schaffen kann staat kann aan het einde van de ingesloten vraag. Je gebruikt kann om te beschrijven wat iemand kan doen of aankan.
bevor Bevor betekent hier ‘voordat’ en plaatst het inschatten vóór het moment waarop de spreker toezegde. Het leidt de bijzin bevor ich zugesagt habe in. Je gebruikt bevor om de volgorde van twee gebeurtenissen aan te geven.
Das Das betekent hier ‘dat’ en verwijst naar de situatie dat iemand te veel heeft toegezegd of iets soortgelijks meemaakt. In Das passiert is het een zelfstandig verwijswoord en geen lidwoord. Je gebruikt Das passiert om te zeggen dat een genoemde gebeurtenis voorkomt.
passiert Passiert betekent hier ‘gebeurt’ en stelt de gesprekspartner gerust door te zeggen dat dit voorkomt. Het hoort bij Das in Das passiert. Je gebruikt passiert om te beschrijven dat een gebeurtenis plaatsvindt.
besonders Besonders betekent hier ‘vooral’ en benadrukt de situatie waarin alles dringend lijkt. Het beperkt de uitspraak tot een opvallend of typisch geval. Je gebruikt besonders om één omstandigheid extra naar voren te halen.
alles Alles betekent hier ‘alles’ en verwijst naar alle zaken of taken die dringend lijken. Het is een zelfstandig gebruikt woord in alles dringend wirkt. Je gebruikt alles wanneer je naar de volledige hoeveelheid of het geheel verwijst.
dringend Dringend betekent hier ‘dringend’ en beschrijft de indruk dat alles onmiddellijk aandacht nodig heeft. Het staat vóór wirkt in alles dringend wirkt. Je gebruikt dringend voor iets dat niet zonder belangrijke gevolgen kan worden uitgesteld.
wirkt Wirkt betekent hier ‘lijkt’ of ‘komt over als’ en beschrijft de indruk die alles geeft. In alles dringend wirkt staat het aan het einde van de als-bijzin. Je gebruikt wirkt wanneer je een indruk of schijnbare eigenschap beschrijft, niet noodzakelijk een vaststaand feit.
Könnten Könnten betekent hier ‘zouden kunnen’ en vormt een beleefd voorstel om iets eenvoudigers te doen. In Könnten wir ... vragen de hoofdpersonen voorzichtig om een wijziging van de afspraak. Je gebruikt Könnten wir ... om samen een mogelijkheid of voorstel te bespreken.
stattdessen Stattdessen betekent hier ‘in plaats daarvan’ en verwijst naar de eenvoudigere activiteit die de oorspronkelijke plannen vervangt. Het geeft de alternatieve keuze aan in Könnten wir stattdessen etwas Einfacheres machen. Je gebruikt stattdessen nadat een eerdere optie is genoemd of verondersteld.
etwas Etwas betekent hier ‘iets’ en verwijst naar een nog niet nader bepaald alternatief. Het staat vóór Einfacheres in etwas Einfacheres. Je gebruikt etwas wanneer je naar een onbepaalde zaak of hoeveelheid verwijst.
Einfacheres Einfacheres betekent hier ‘iets eenvoudigers’ en verwijst naar een activiteit die minder belastend is dan het oorspronkelijke plan. Het is een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord na etwas en staat in etwas Einfacheres. Je gebruikt deze vorm om een ongenoemde, eenvoudiger optie aan te duiden.
machen Machen betekent hier ‘doen’ en verwijst naar het uitvoeren van de voorgestelde eenvoudigere activiteit. In Könnten wir ... machen staat het als infinitief na könnten. Je gebruikt machen voor een algemene handeling of activiteit wanneer je die niet specifieker benoemt.
uns Uns betekent hier ‘ons’ en maakt in wenn wir uns treffen duidelijk dat de twee gesprekspartners elkaar ontmoeten. Het verwijst wederzijds naar beide personen. Je gebruikt uns bij een handeling die op jou en anderen samen betrekking heeft.
treffen Treffen betekent hier ‘ontmoeten’ of ‘afspreken’ en verwijst naar het moment waarop de twee personen elkaar zien. In wenn wir uns treffen staat het met uns voor een wederzijdse ontmoeting. Je gebruikt sich treffen of uns treffen voor een afspraak waarbij mensen elkaar ontmoeten.
wäre Wäre betekent hier ‘zou zijn’ en beschrijft een hypothetische beoordeling van het eenvoudiger alternatief. Het staat in Das wäre für uns beide leichter zu bewältigen. Je gebruikt wäre om voorzichtig een mogelijke toestand of beoordeling te formuleren.
für Für betekent hier ‘voor’ en geeft aan voor wie de voorgestelde optie gemakkelijker zou zijn. Het staat in für uns beide. Je gebruikt für om de persoon of groep aan te geven voor wie iets bedoeld, geschikt of van belang is.
beide Beide betekent hier ‘beide’ en verwijst naar de twee gesprekspartners samen. In für uns beide maakt het duidelijk dat de beoordeling voor allebei geldt. Je gebruikt beide wanneer precies twee personen of zaken gezamenlijk worden bedoeld.
leichter Leichter betekent hier ‘gemakkelijker’ en vergelijkt de voorgestelde optie met het oorspronkelijke, zwaardere plan. Het staat in leichter zu bewältigen. Je gebruikt leichter om aan te geven dat iets minder moeite, energie of organisatie vraagt.
bewältigen Bewältigen betekent hier ‘aankunnen’ of ‘beheersen’ en verwijst naar het praktisch kunnen uitvoeren van de activiteit. In leichter zu bewältigen staat het in de constructie iets gemakkelijker aankunnen. Je gebruikt bewältigen voor een taak, situatie of hoeveelheid waarmee iemand om kan gaan.

Grammatica

statt + zu + Infinitiv

Statt eine vage Nachricht zu schicken, kannst du direkt sagen.

Sjtat aine vaa-ge naakh-richt tsoe sjikken, kanst doe die-rekt zaa-gen.

In plaats van een vaag bericht te sturen, kun je het direct zeggen.

Na statt gebruik je vaak zu + infinitief om een alternatief uit te drukken.

Komparativ: Adjektiv + -er

Ein einfacherer Plan ist leichter zu bewältigen.

Ain ain-fa-khe-rer plaan ist laisj-ter tsoe be-veel-ti-gen.

Een eenvoudiger plan is gemakkelijker aan te kunnen.

De vergrotende trap krijgt meestal -er; bij ein krijgt het bijvoeglijk naamwoord ook een uitgang.

Duits woordenschat

ändern werkwoord
en-dern aanpassen, veranderen
direkt bijwoord
die-rekt rechtstreeks, direct
erschöpft bijvoeglijk naamwoord
er-sjeuft uitgeput
Nachricht zelfstandig naamwoord
naakh-richt bericht
Plan zelfstandig naamwoord
plaan plan Pläne
sagen werkwoord
zaa-gen zeggen, vertellen sagst
schätzen werkwoord
sjetsen waarderen zu schätzen
schicken werkwoord
sjikken sturen
statt voorzetsel
sjtat in plaats van
vage bijvoeglijk naamwoord
vaa-ge vage, onduidelijke
zu viel bijwoord
tsoe fiel te veel
zusagen werkwoord
tsoe-zaa-gen toezeggen, instemmen zugesagt

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

vage, onduidelijke

Antwoord tonenvage

plan

Antwoord tonenPläne

sturen

Antwoord tonenschicken

rechtstreeks, direct

Antwoord tonendirekt