Where
“Where” vraagt in “Where is it?” en “Where are you?” naar een plaats. Het staat aan het begin van een vraag en wordt gevolgd door de werkwoordsvorm en het onderwerp. Je gebruikt het bijvoorbeeld om te vragen waar iets of iemand is.
is
“is” vraagt in “Where is it?” waar iets of een situatie zich bevindt. Hier verbindt “is” het onderwerp “it” met de gevraagde plaats. Deze vorm gebruik je in vragen over de plaats van één ding of situatie.
it
“it” verwijst in “Where is it?” naar een ding of een situatie waarover al duidelijk is wat bedoeld wordt. Het staat na “is” in deze vraagvolgorde. Je gebruikt “it” wanneer je niet opnieuw wilt benoemen waarnaar je verwijst.
are
“are” hoort in “Where are you?” bij “you” en vraagt waar de aangesproken persoon is. In deze vraag staat “are” vóór “you”. Je gebruikt deze vorm om naar de plaats van de persoon tegen wie je praat te vragen.
you
“you” verwijst in “Where are you?” naar de persoon die wordt aangesproken. Het staat na “are” omdat dit een vraag is. Je gebruikt “you” om rechtstreeks naar de locatie of handeling van de ander te verwijzen.
What
“What” vraagt in “What happened here?” om informatie over wat er is gebeurd. Het staat aan het begin van de vraag en verwijst hier naar de gebeurtenis. Je gebruikt het wanneer je wilt weten welke zaak of gebeurtenis bedoeld wordt.
happened
“happened” betekent in “What happened here?” dat iets heeft plaatsgevonden. Deze vorm verwijst naar een gebeurtenis die al voorbij is. Je gebruikt de uitdrukking om iemand op een bepaalde plek naar een eerdere gebeurtenis te vragen.
here
“here” betekent in “What happened here?” op deze plaats. Het maakt duidelijk dat de vraag gaat over de plek waar de spreker of gesprekspartner zich bevindt. Je kunt het gebruiken om een gebeurtenis aan de huidige plaats te koppelen.
time
“time” betekent in “What time is it?” het tijdstip van dit moment. Samen met “What” vraagt het naar de kloktijd, niet naar een plaats of gebeurtenis. Je gebruikt deze vraag wanneer je wilt weten hoe laat het is.
When
“When” vraagt in “When will you come?” naar een tijdstip of moment. Het staat aan het begin van een vraag over een toekomstige komst. Je gebruikt het om te weten op welk moment iemand iets zal doen.
will
“will” geeft in “When will you come?” aan dat de handeling in de toekomst ligt. Het staat vóór “you” en “come” in deze vraag. Je gebruikt het om naar een toekomstige handeling of gebeurtenis te vragen.
come
“come” betekent in “When will you come?” dat iemand naar de bedoelde plaats komt of daar aankomt. In deze vraag staat “come” na “you”. Je gebruikt het om over iemands komst naar een plaats of naar de gesprekspartner te spreken.
Why
“Why” vraagt in “Why are you late?” naar een reden. Het staat aan het begin van de vraag en bepaalt dat de spreker een verklaring wil horen. Je gebruikt het wanneer je wilt weten waarom een situatie zo is.
late
“late” betekent in “Why are you late?” dat iemand na het verwachte tijdstip is. Het beschrijft hier de situatie van “you” en vormt samen met “are” de mededeling over te laat zijn. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer iemand niet op de afgesproken tijd is gekomen.