Basisuitdrukkingen over gevoelens, voorbereiding en tijd | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: A beginner practices six useful English phrases about basic states, preparation, and time..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Basisuitdrukkingen over gevoelens, voorbereiding en tijd oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

I am feeling better.

ai um fie-ling bè-ter Ik voel me beter.
B

I am very busy.

ai um verrie bizz-ie Ik heb het erg druk.
A

I am ready now.

ai um red-ie nau Ik ben nu klaar.
B

I am not ready.

ai um not red-ie Ik ben nog niet klaar.
A

I need more time.

ai nied mor taim Ik heb meer tijd nodig.
B

Do you have time?

də joe hèv taim Heb je tijd?

Woord voor woord

I “I” verwijst hier naar de spreker, zoals in “I am feeling better” en “I need more time”. Het woord staat vooraan wanneer iemand iets over zichzelf zegt. Je gebruikt “I” bijvoorbeeld om je eigen toestand, behoefte of ervaring te beschrijven.
am “am” verbindt “I” met een huidige toestand in “I am feeling better”, “I am very busy” en “I am ready now”. De vorm “am” wordt hier gebruikt na “I”. Een veelgebruikt patroon is “I am” gevolgd door een beschrijving van jezelf.
feeling “feeling” geeft in “I am feeling better” aan dat de spreker zich momenteel beter voelt. Het beschrijft een ervaren toestand, niet alleen een vast kenmerk. Je gebruikt deze vorm wanneer je vertelt hoe je je op dat moment voelt.
better “better” betekent in “I am feeling better” dat de toestand verbeterd is ten opzichte van eerder. Het woord hoort hier bij hoe de spreker zich voelt. Je kunt “feeling better” gebruiken wanneer je reageert op een vraag over herstel of welzijn.
very “very” versterkt de betekenis van “busy” in “I am very busy”: de spreker heeft in hoge mate veel te doen. Het staat vóór het woord dat het versterkt. Gebruik “very” met een beschrijving wanneer je een sterke mate wilt aangeven.
busy “busy” beschrijft in “I am very busy” dat de spreker veel te doen heeft. Het staat in deze zin na “am” en wordt versterkt door “very”. Je gebruikt “busy” bijvoorbeeld om uit te leggen waarom je nu weinig beschikbaar bent.
ready “ready” betekent in “I am ready now” dat de spreker voorbereid is, en in “I am not ready” dat die voorbereiding ontbreekt. Het woord beschrijft hier de toestand van iemand vóór een activiteit. Een bruikbaar patroon is “I am ready” wanneer je laat weten dat je kunt beginnen.
now “now” verwijst in “I am ready now” naar het huidige moment. Het staat hier na de beschrijving van de toestand en maakt duidelijk wanneer die geldt. Je gebruikt “now” om te benadrukken dat iets op dit moment zo is.
not “not” maakt de uitspraak negatief in “I am not ready”: de spreker is niet voorbereid. Het staat vóór “ready” en ontkent die toestand. Je gebruikt “not” op deze plaats wanneer je wilt zeggen dat een toestand niet geldt.
need “need” betekent in “I need more time” dat de spreker extra tijd nodig heeft. Het wordt gevolgd door datgene wat nodig is, hier “more time”. Je gebruikt “I need” wanneer je een noodzakelijke behoefte of verzoek uitdrukt.
more “more” geeft in “I need more time” aan dat er een grotere hoeveelheid tijd nodig is dan nu beschikbaar of eerder bedoeld is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord “time”. Je gebruikt “more” zo om om een extra hoeveelheid van iets te vragen.
time “time” betekent in “I need more time” een periode die nodig is, en in “Do you have time?” een beschikbare gelegenheid. De betekenis wordt hier bepaald door de woorden eromheen: “more time” en “have time”. Je gebruikt “time” wanneer je over duur of beschikbaarheid voor iets praat.
Do “Do” opent de vraag “Do you have time?” en helpt de vraag over beschikbaarheid te vormen. Het staat vóór “you” en het werkwoord “have”. Een bruikbaar vraagpatroon is “Do you ...?”, zoals in de dialoogvraag “Do you have time?”.
you “you” verwijst in “Do you have time?” naar de persoon die wordt aangesproken. Het is hier degene van wie wordt gevraagd of die tijd beschikbaar heeft. Je gebruikt “you” wanneer je iemand rechtstreeks naar zijn of haar toestand, bezit of beschikbaarheid vraagt.
have “have” betekent in “Do you have time?” dat de aangesprokene tijd beschikbaar heeft. Het staat na “you” in de vraag en krijgt hier de betekenis van beschikbaar hebben. De vaste combinatie “have time” gebruik je om naar iemands beschikbare tijd te vragen.

Grammatica

be + adjective

You are very busy now.

joe ar verrie bizz-ie nau

Je bent nu erg druk.

In het Engels staat be vóór een bijvoeglijk naamwoord, zoals busy of ready.

need + more + noun

You need more time now.

joe nied mor taim nau

Je hebt nu meer tijd nodig.

Na need komt hier more + een zelfstandig naamwoord: more time.

Engels woordenschat

better bijvoeglijk naamwoord
bè-ter beter

I am feeling better.

busy bijvoeglijk naamwoord
bizz-ie druk

I am very busy.

feeling werkwoord
fie-ling voelen

I am feeling better.

have werkwoord
hèv hebben

Do you have time?

more bepaler
mor meer

I need more time.

need werkwoord
nied nodig hebben

I need more time.

not bijwoord
not niet

I am not ready.

now bijwoord
nau nu

I am ready now.

ready bijvoeglijk naamwoord
red-ie klaar

I am ready now.

time zelfstandig naamwoord
taim tijd

I need more time.

very bijwoord
verrie erg

I am very busy.

you voornaamwoord
joe je

Do you have time?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik voel me beter.

Antwoord tonenI am feeling better.

Ik heb het erg druk.

Antwoord tonenI am very busy.

Ik ben nu klaar.

Antwoord tonenI am ready now.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

nodig hebben

Antwoord tonenneed

klaar

Antwoord tonenready

beter

Antwoord tonenbetter

meer

Antwoord tonenmore