I
“I” verwijst hier naar de persoon die spreekt: “I need some help.” en “I want this one.” Gebruik “I” als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld in “I need ...” of “I like ...”. Je gebruikt het in gesprekken wanneer je je eigen behoefte, wens of voorkeur noemt.
need
“need” betekent hier dat de spreker iets nodig heeft: “I need some help.” en “I need some water.” Het staat na “I” en vóór datgene wat nodig is, in het patroon “I need ...”. Gebruik dit bijvoorbeeld wanneer je om hulp of iets noodzakelijks vraagt.
some
“some” geeft in “I need some help.” en “I need some water.” een niet nader genoemde hoeveelheid aan. Het staat hier vóór “help” en “water”, zonder een exact aantal te noemen. Gebruik “some” wanneer je om een bepaalde maar niet gespecificeerde hoeveelheid vraagt.
help
“help” betekent in “I need some help.” hulp of bijstand. Samen met “some” verwijst het naar een niet nader genoemde hoeveelheid hulp; de volledige behoefte wordt uitgedrukt door “I need some help.” Gebruik “help” bijvoorbeeld wanneer je iemand om ondersteuning vraagt.
water
“water” betekent in “I need some water.” water, hier bedoeld als iets om te drinken. Het staat na “some” in de uitdrukking “some water”. Gebruik deze zin bijvoorbeeld wanneer je in een gesprek of op een openbare plaats om drinkwater vraagt.
want
“want” betekent hier dat de spreker iets wil hebben of kiest: “I want this one.” en “I want that one.” Het staat na “I” en vóór de gekozen zaak, in het patroon “I want ...”. Gebruik dit bijvoorbeeld wanneer je in een winkel of bij een keuze aangeeft wat je wilt.
this
“this” verwijst in “I want this one.” naar de zaak die bij de spreker is of als dichtbij wordt aangewezen. Samen met “one” vormt het “this one”, dus de geselecteerde zaak hier. Gebruik “this” wanneer je een dichtbij zijnde of aanwezige zaak aanwijst.
one
“one” betekent in “I want this one.” en “I want that one.” de gekozen zaak. Het verwijst hier naar een eerder aangewezen of besproken item, samen met “this” of “that”. Gebruik het wanneer je één optie kiest zonder de naam van die zaak te herhalen.
that
“that” verwijst in “I want that one.” naar de zaak die verder weg is of al als een bepaalde optie is aangewezen. Samen met “one” vormt het “that one”, de gekozen zaak daar. Gebruik “that” wanneer je naar een niet-dichtbij zijnde of eerder aangewezen optie verwijst.
like
“like” betekent in “I like this one.” dat de spreker deze zaak prettig vindt of ervoor kiest. Het staat na “I” en vóór de zaak die de spreker positief beoordeelt, in het patroon “I like ...”. Gebruik dit bijvoorbeeld om een voorkeur voor een optie, voorwerp of keuze te laten weten.
do
“do” heeft in “I do not like it.” geen zelfstandige betekenis als handeling; het helpt om de negatieve uitspraak te vormen. Samen met “not” maakt het duidelijk dat de spreker “it” niet prettig vindt. Gebruik deze vorm in een negatieve zin vóór “not” en de rest van de uitspraak.
not
“not” maakt de uitspraak in “I do not like it.” negatief: de spreker vindt het niet leuk. Het staat na “do” in de vaste negatieve vorm “do not like”. Gebruik “not” hier om een voorkeur of beoordeling te ontkennen.
it
“it” verwijst in “I do not like it.” naar de zaak die al bekend is of eerder is genoemd. Het is datgene wat de spreker niet leuk vindt, zonder de naam opnieuw te noemen. Gebruik “it” wanneer de gesprekspartners al weten over welk ding of welke zaak het gaat.