Basisbezit en vaardigheden | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: A beginner practices six useful English phrases about basic possession and ability..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Basisbezit en vaardigheden oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

I have this one.

ai hev dhis wan Ik heb deze.
B

I do not have it.

ai doe not hev it Ik heb het niet.
A

I can do it.

ai ken doe it Ik kan het doen.
B

I cannot do it.

ai kenot doe it Ik kan het niet doen.
A

Can you help me?

ken je help mie Kun je me helpen?
B

Can you do this?

ken je doe dhis Kun je dit doen?

Woord voor woord

I “I” verwijst in deze dialogen naar de persoon die spreekt. Het staat als onderwerp vóór een werkwoord, zoals in “I have this one.” en “I can do it.” Een nieuw voorbeeld is “I need help.”
have “have” betekent hier iets bezitten of bij zich hebben, zoals in “I have this one.” In deze vorm staat het na “I” en vóór wat de spreker heeft; met “do not” wordt het bezit ontkend in “I do not have it.” Je gebruikt het bijvoorbeeld om te zeggen wat je hebt: “I have a pen.”
this “this” wijst in “I have this one.” naar het item dat de spreker aanwijst of bedoelt. Het staat vóór “one” om een bepaald item aan te duiden. Een nieuw voorbeeld is “This is mine.”
one “one” verwijst in “I have this one.” naar één bepaald item en voorkomt dat hetzelfde zelfstandig naamwoord opnieuw wordt genoemd. De combinatie “this one” betekent hier dus het aangewezen exemplaar. Je kunt hetzelfde patroon gebruiken in “I want that one.”
do “do” betekent in “I can do it.” en “Can you do this?” een handeling uitvoeren. Na “can” staat het vóór het object, zoals in “do it” of “do this”; in “I do not have it.” helpt “do” samen met “not” om de ontkenning te vormen. Een nieuw voorbeeld is “Can you do this?”
not “not” maakt in “I do not have it.” de mededeling ontkennend. Het staat hier na “do” en vóór “have”, terwijl “do” de ontkenningsconstructie ondersteunt. Je gebruikt dit patroon bijvoorbeeld in “I do not know.”
it “it” verwijst in “I do not have it.” naar het ding dat eerder bedoeld of besproken is. In “I can do it.” verwijst het naar de handeling of taak die uitgevoerd moet worden; de precieze betekenis komt dus uit de hele zin. Je gebruikt “it” wanneer de context al duidelijk maakt waarnaar je verwijst.
can “can” geeft in “I can do it.” aan dat de spreker iets kan of daartoe in staat is. In “Can you help me?” en “Can you do this?” staat het vooraan om naar iemands mogelijkheid of bereidheid te vragen. Een nieuw voorbeeld is “Can you wait?”
cannot “cannot” betekent in “I cannot do it.” dat de spreker de handeling niet kan uitvoeren. Het staat vóór “do”, waarna het object “it” volgt. Je gebruikt dit bijvoorbeeld om een beperking uit te leggen: “I cannot come.”
help “help” betekent in “Can you help me?” iemand bijstaan of iets gemakkelijker maken. Na “can” staat het in de basisvorm en vóór “me”, de persoon die hulp ontvangt. Een nieuw voorbeeld is “Can you help me with this?”
you “you” verwijst naar de persoon die wordt aangesproken. In “Can you help me?” en “Can you do this?” staat het na “can” als degene aan wie de vraag gericht is. Je gebruikt “you” voor één of meer aangesproken personen.
me “me” verwijst in “Can you help me?” naar de spreker als ontvanger van de hulp. Het staat na “help” als het object van die handeling. Een nieuw voorbeeld is “Please call me.”

Grammatica

do not + werkwoord

I do not have it.

ai doe not hev it

Ik heb het niet.

In het Engels staat do not voor het werkwoord om een zin ontkennend te maken.

this one

I have this one.

ai hev dhis wan

Ik heb deze.

one vervangt een zelfstandig naamwoord dat al duidelijk is; this one betekent ‘deze’ of ‘dit exemplaar’.

Engels woordenschat

do werkwoord
doe doen
have werkwoord
hev hebben
help werkwoord
help helpen
I voornaamwoord
ai ik
it voornaamwoord
it het
me voornaamwoord
mie mij/me
not bijwoord
not niet
one voornaamwoord
wan één/eentje
this bepaler
dhis dit/deze
you voornaamwoord
joe jij/je

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik heb deze.

Antwoord tonenI have this one.

Ik heb het niet.

Antwoord tonenI do not have it.

Ik kan het doen.

Antwoord tonenI can do it.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

dit/deze

Antwoord tonenthis

hebben

Antwoord tonenhave

helpen

Antwoord tonenhelp

jij/je

Antwoord tonenyou