Is
Is staat hier aan het begin van een ja-neevraag en is de vorm van be die bij this hoort. Gebruik deze vraagvorm om te controleren of iets goed of in orde is, bijvoorbeeld bij een handeling of afspraak.
this
this verwijst hier naar iets dat de spreker aanwijst of op dat moment bedoelt: dit. In this bag staat het vóór het zelfstandig naamwoord en geeft het aan welke tas bedoeld is. Gebruik this om iets in de huidige situatie aan te wijzen of te identificeren.
okay
okay betekent hier goed of in orde en geeft een beoordeling van iets. Na be beschrijft het of iets acceptabel is of werkt zoals verwacht. Gebruik het om in een praktische situatie te vragen of iets zo kan.
your
your geeft hier aan dat de bag van de aangesproken persoon is: jouw of je. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord, zoals in your bag. Gebruik your om bezit of verbondenheid met de gesprekspartner aan te geven.
bag
bag betekent hier tas en is het voorwerp waarnaar in de vraag wordt verwezen. Met your ervoor benoem je van wie de tas is: your bag. Gebruik bag bij gesprekken over een tas, bijvoorbeeld wanneer je eigendom controleert.
anyone
anyone betekent hier iemand of een persoon zonder een bepaalde persoon te noemen. In deze vraag gaat het om de mogelijkheid dat er iemand op die plek zit. Gebruik anyone in vragen over de aanwezigheid van een persoon.
sitting
sitting drukt hier de activiteit zitten uit in de vraag over deze plek. De basisvorm is sit; sitting is de vorm die hier na is staat. Gebruik deze vorm na een vorm van be om een activiteit te beschrijven die op dat moment bezig is.
here
here betekent hier, op de plek van de spreker of op de bedoelde plek. In deze zin verwijst het naar de plaats waar iemand mogelijk zit. Gebruik here om een locatie in de huidige situatie aan te wijzen, bijvoorbeeld bij een stoel of plaats.
Are
Are staat hier aan het begin van vragen aan you en is een vorm van be. Het helpt vragen naar een toestand of status, zoals busy of ready. Gebruik het met you om de huidige toestand van de gesprekspartner te controleren.
you
you verwijst hier naar de aangesproken persoon: je of jij. Het is het onderwerp na Are en vóór busy of ready, en staat na Do in Do you need help? Gebruik you wanneer je de gesprekspartner rechtstreeks iets over diens toestand of behoefte vraagt.
busy
busy betekent hier dat iemand bezig is of geen tijd heeft: druk. Na Are beschrijft het de huidige status van you. Gebruik het om te vragen of iemand beschikbaar is om te praten of te helpen.
now
now verwijst hier naar het huidige moment: nu. Het maakt duidelijk dat naar de actuele toestand wordt gevraagd. In deze les staat het aan het einde van de vragen over busy en ready om de status op dit moment te preciseren.
ready
ready betekent hier klaar of voorbereid om iets te doen. Na Are beschrijft het de status van you op dat moment. Gebruik het bijvoorbeeld vóór een activiteit om te controleren of iemand kan beginnen.
Do
Do heeft hier niet de betekenis doen; het is een hulpwerkwoord waarmee een vraag over need wordt gevormd. In Do you need help? staat Do vóór you en blijft need in de basisvorm. Gebruik deze vraagvorm om iemand rechtstreeks naar een behoefte te vragen.
need
need betekent hier nodig hebben: de persoon heeft hulp nodig. Na Do staat need in de vorm die in deze vraag wordt gebruikt, gevolgd door wat nodig is, namelijk help. Gebruik need met een object om een behoefte te benoemen of ernaar te vragen.
help
help betekent hier hulp, dus bijstand die iemand nodig kan hebben. In Do you need help? is het datgene waarnaar na need wordt gevraagd. Gebruik help bij vragen of aanbiedingen rond ondersteuning, bijvoorbeeld wanneer iemand ergens moeite mee heeft.