How
In «How much is this?» helpt «How» samen met «much» om naar een hoeveelheid te vragen, hier naar de prijs. Je gebruikt deze vraag bijvoorbeeld wanneer je in een winkel de prijs van iets wilt weten.
much
In «How much is this?» maakt «much» duidelijk dat de vraag over een hoeveelheid of bedrag gaat. «How much» is een bruikbare uitdrukking om naar een prijs te vragen.
is
In «How much is this?» verbindt «is» dit met de gevraagde prijs. In «The weather is nice.» verbindt «is» het onderwerp met de beschrijving «nice»; dit is een vorm van be.
this
In «How much is this?» verwijst «this» naar het voorwerp waar de spreker naar kijkt of naar wijst. Je gebruikt het om iets in de buurt aan te duiden, bijvoorbeeld bij een vraag in een winkel.
Where
In «Where do you live?» vraagt «Where» naar een plaats. Je gebruikt het aan het begin van een vraag wanneer je wilt weten op welke plek iemand woont of iets gebeurt.
do
In «Where do you live?» helpt «do» om de vraag te vormen; «live» geeft de hoofd betekenis. Na «Where» staat «do» vóór «you», wat het vaste vraagpatroon in deze zin laat zien.
you
In «Where do you live?» verwijst «you» naar de persoon tegen wie de spreker praat. Je gebruikt het wanneer je iemand rechtstreeks aanspreekt of naar diens situatie vraagt.
live
In «Where do you live?» betekent «live» dat je ergens woont. De vorm «live» blijft na «do» staan; je gebruikt het met de plaats waar iemand zijn of haar woning heeft.
The
In «The weather is nice.» maakt «The» van «weather» het onderwerp waarover de spreker iets zegt. Het is het bepaalde lidwoord bij dit specifieke onderwerp in de zin.
weather
In «The weather is nice.» betekent «weather» de omstandigheden buiten, zoals of het prettig of regenachtig is. Je gebruikt het wanneer je over het weer buiten praat.
nice
In «The weather is nice.» beschrijft «nice» het weer als prettig of goed. Je kunt dit woord gebruiken om positief te reageren op de omstandigheden buiten.
It
In «It is raining now.» is «It» het onderwerp waarmee naar het weer wordt verwezen. In «I found it.» staat de kleine vorm «it» voor een eerder genoemd voorwerp; de betekenis volgt dus uit de zin.
raining
In «It is raining now.» betekent «raining» dat er regen valt. Het staat na «is» in de uitdrukking waarmee je zegt dat het op dit moment regent.
now
In «It is raining now.» betekent «now» op dit moment. Je gebruikt het om aan te geven dat iets tijdens het spreken gebeurt.
I
In «I forgot my phone.» en «I found it.» verwijst «I» naar de spreker zelf. Je gebruikt het wanneer je over je eigen handeling, ervaring of ontdekking praat.
forgot
In «I forgot my phone.» zegt «forgot» dat de spreker zich de telefoon niet herinnerde. «Forgot» is de vorm in deze zin die bij de citation form forget hoort; je gebruikt het wanneer je zegt dat je iets niet hebt onthouden.
my
In «I forgot my phone.» laat «my» zien dat de telefoon bij de spreker hoort. Het staat vóór «phone» en wordt gebruikt om iets van de spreker aan te duiden.
phone
In «I forgot my phone.» betekent «phone» een mobiele telefoon. Je gebruikt het woord wanneer je over zo’n persoonlijk elektronisch toestel praat.
found
In «I found it.» betekent «found» dat de spreker iets heeft gelokaliseerd of ontdekt. «Found» is de vorm in deze zin die bij de citation form find hoort; een herbruikbaar patroon is «I found» gevolgd door het voorwerp dat je hebt gevonden.