Where
Where vraagt in Where do you live? naar een plaats. Gebruik Where aan het begin van vragen over waar iemand of iets is. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je iemand naar zijn woonplaats vraagt.
do
Do helpt in Where do you live? om de vraag te vormen; hier betekent het niet op zichzelf doen. Het staat vóór you en live in deze vraagstructuur. Gebruik do in vergelijkbare vragen over wat iemand doet of waar iemand woont.
you
You verwijst in Where do you live? naar de persoon die wordt aangesproken. In deze vraag staat you na do en vóór live. Gebruik you wanneer je rechtstreeks tegen iemand spreekt.
live
Live betekent in Where do you live? dat iemand ergens woont. In Ik live? nee, in het Engels staat live in deze vraag na you. Gebruik live om te zeggen waar je woont, bijvoorbeeld in de vorm I live.
I
I verwijst in I live nearby en I ride my bike naar de spreker zelf. Het is het woord waarmee je over jezelf spreekt en staat aan het begin van deze mededelingen. Gebruik I voor persoonlijke informatie of om je eigen gewoonten te beschrijven.
nearby
Nearby betekent in I live nearby dat de spreker dichtbij woont, zonder een precieze plaats te noemen. Het staat na live en vult aan waar de spreker woont. Gebruik I live nearby wanneer je wilt zeggen dat je dicht bij de gesprekspartner of de bedoelde locatie woont.
How
How vraagt in How do you get here? naar de manier waarop iets gebeurt. Het staat aan het begin van een vraag over de manier van reizen naar de les. Gebruik How wanneer je wilt weten op welke manier iemand ergens komt.
get
Get draagt in How do you get here? bij aan de betekenis komen of aankomen; samen met here gaat de vraag over hier komen. In deze vraag staat get na do en you. Gebruik get met een plaats om te vragen of te zeggen hoe iemand daar komt.
here
Here verwijst in How do you get here? naar de plaats van de spreker, in deze dialoog de leslocatie. Het staat na get en geeft aan waar iemand aankomt. Gebruik here wanneer je verwijst naar de plaats waar je op dat moment bent.
ride
Ride betekent in I ride my bike dat de spreker per fiets reist. My bike noemt het vervoermiddel dat bij ride hoort. Gebruik ride wanneer je vertelt dat je op een fiets of ander vervoermiddel reist, bijvoorbeeld onderweg naar de les.
my
My geeft in my bike aan dat de fiets bij de spreker hoort. Het staat direct vóór bike. Gebruik my vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je iets als van jezelf aanduidt.
bike
Bike betekent in I ride my bike fiets en is hier het vervoermiddel waarmee de spreker naar de les gaat. In my bike staat het na my. Gebruik bike wanneer je over fietsen of reizen per fiets praat.
on
On geeft in on sunny days aan op welke dagen iets gebeurt. Het staat vóór sunny days en vormt zo een tijdsaanduiding. Gebruik on in tijdsaanduidingen met een dag of meerdere dagen, bijvoorbeeld wanneer je een gewoonte beschrijft.
sunny
Sunny beschrijft in sunny days dagen met veel zon. Het staat vóór days en geeft het weer op die dagen aan. Gebruik sunny wanneer je het weer bespreekt, bijvoorbeeld bij het plannen van je reis naar de les.
days
Days verwijst in sunny days en rainy days naar de dagen waarop het genoemde weer voorkomt. Het staat na sunny of rainy. Gebruik days wanneer je over meerdere dagen of over dagen in het algemeen praat.
What
What opent in What about rainy days? een vraag naar een andere situatie. Samen met about brengt het onderwerp rainy days ter sprake. Gebruik What aan het begin van vragen wanneer je naar een zaak of situatie vraagt.
about
About introduceert in What about rainy days? een verwant onderwerp: regenachtige dagen. Het verbindt de vraag met het onderwerp waar je vervolgens naar wilt vragen. Gebruik about hier om een ander aspect van een gesprek ter sprake te brengen.
rainy
Rainy beschrijft in rainy days dagen waarop het regent. Het staat vóór days en geeft het weer aan. Gebruik rainy wanneer je over dagen of omstandigheden met regen praat, bijvoorbeeld bij de keuze tussen de fiets en de bus.
take
Take draagt in take the bus bij aan de betekenis dat de spreker de bus gebruikt als vervoermiddel. Samen met the bus beschrijft het hoe de spreker reist wanneer het regent. Gebruik take met een vervoermiddel wanneer je vertelt waarmee je ergens naartoe gaat.
the
The verwijst in the bus naar de bus als het bedoelde vervoermiddel in deze situatie. Het staat direct vóór bus. Gebruik the vóór een zelfstandig naamwoord wanneer de gesprekspartners kunnen begrijpen welke zaak bedoeld wordt.
bus
Bus betekent in take the bus een bus als openbaar vervoermiddel. In the bus wordt het gecombineerd met the en met take. Gebruik bus wanneer je praat over reizen met het openbaar vervoer.
when
When geeft in when it rains aan op welk moment of onder welke omstandigheid de spreker de bus neemt. Het leidt de zin it rains in. Gebruik when om aan te geven wanneer iets gebeurt, bijvoorbeeld bij een keuze die van het weer afhangt.
it
It staat in it rains bij een beschrijving van het weer. Samen met rains vormt het de uitdrukking it rains. Gebruik deze vorm wanneer je zegt dat er regen valt en je uitlegt waarom je bijvoorbeeld de bus neemt.
rains
Rains betekent in it rains dat er regen valt. Samen met it vormt het de weeruitdrukking it rains. Gebruik it rains wanneer je in een gesprek over het weer meldt dat het regent.