Naar de les komen | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a language classroom, two adults talk about living nearby and getting to class by bike or bus in different weather..

NL → EN / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Naar de les komen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

Where do you live?

wer duh juh liv? Waar woon je?
B

I live nearby.

ai liv nir-bai. Ik woon vlakbij.
A

How do you get here?

hau duh juh get hir? Hoe kom je hier?
B

I ride my bike on sunny days.

ai raid mai baik on sunni deiz. Ik fiets op zonnige dagen.
A

What about rainy days?

wot uh-baut reini deiz? En op regenachtige dagen?
B

I take the bus when it rains.

ai teik duh bus wen it reinz. Ik neem de bus als het regent.

Uitleg van de zinnen

  1. Where do you live?

    Waar woon je?

    Where
    waar
    do you
    vraagvorm met je
    live
    wonen
    Uitgebreide uitleg

    Where vraagt naar een plaats: “waar”. Het kan vooraan staan in een vraag over locatie. Voorbeeld: “Where is the station?” = “Waar is het station?” do you vormt hier samen de vraagstructuur voor you. In een gewone Engelse vraag in de tegenwoordige tijd staat do vóór het onderwerp you; het hoofdwerkwoord blijft daarna in de basisvorm. Do betekent in deze structuur niet zelfstandig “doen”. Vergelijk: “Do you work here?” = “Werk je hier?” live betekent hier “wonen”. De basisvorm is live; bij you blijft die vorm onveranderd: “you live”. Bij he, she of it krijgt het werkwoord in de tegenwoordige tijd meestal -s: “She lives here.” = “Zij woont hier.” Samen vormen de delen Where + do you + live de vraag “Waar woon je?” De vraag gebruikt do als hulpwerkwoord, you als onderwerp en live als het hoofdwerkwoord. Het aansluitende voorbeeld “I live nearby.” gebruikt dezelfde betekenis van live: “Ik woon vlakbij.”

  2. I live nearby.

    Ik woon vlakbij.

    I
    ik
    live
    woon
    nearby
    vlakbij
    Uitgebreide uitleg

    I betekent hier ik: de spreker verwijst naar zichzelf. In het Engels is I de eerste persoon enkelvoud. Vergelijk in een andere zin: I work here. — Ik werk hier. live is hier de tegenwoordige vorm van het werkwoord live, met de betekenis ‘wonen’. Bij I staat de basisvorm: I live. In de derde persoon enkelvoud komt meestal -s: She lives nearby. — Zij woont vlakbij. Daardoor is I live iets anders dan I am living`; de eerste vorm geeft hier eenvoudig aan waar iemand woont. nearby betekent ‘vlakbij’ of ‘in de buurt’. Het beschrijft hier de plaats van het wonen en staat na live. Het is geen zelfstandig naamwoord met een voorafgaand voorzetsel in deze zin. Voorbeeld: The station is nearby. — Het station is vlakbij. Samen vormen de delen I live + nearby: I live nearby. betekent Ik woon vlakbij. De zin geeft aan dat de spreker in de buurt woont; de precieze plaats wordt niet genoemd.

  3. How do you get here?

    Hoe kom je hier?

    How do you
    Hoe ...?
    get
    komen
    here
    hier
    Uitgebreide uitleg

    How do you vormt hier het begin van een vraag naar de manier waarop iemand ergens komt. In het Engels staat bij een gewone vraag in de tegenwoordige tijd het hulpwerkwoord do vóór het onderwerp you: How do you ...? = “Hoe ...?”. How vraagt naar de manier; vergelijk Where do you ...? = “Waar ...?” en When do you ...? = “Wanneer ...?”. get betekent in deze zin niet “krijgen”, maar “komen” of “aankomen” op een plaats. De vorm get is de basisvorm; na do you blijft het hoofdwerkwoord in de basisvorm: How do you get ...?, niet How do you gets ...?. In andere contexten kan get bijvoorbeeld wel “krijgen” betekenen, dus de plaatsaanduiding here helpt de betekenis “komen” te bepalen. Voorbeeld: How do you get to work? — “Hoe kom je op je werk?” here is een bijwoord van plaats en betekent “hier”, dus op de plaats van de spreker of op de plaats die in de situatie als “hier” geldt. Het woord verandert niet voor persoon of aantal. Het tegenovergestelde is vaak there — “daar”. Voorbeeld: I am here. — “Ik ben hier.” Samen vormen de delen How do you get here?: How vraagt naar de manier, do you maakt de tegenwoordige vraag, en get here betekent “hier komen”. De volledige betekenis is daarom: “Hoe kom je hier?”

  4. I ride my bike on sunny days.

    Ik fiets op zonnige dagen.

    I
    ik
    ride
    fiets
    my
    mijn
    bike
    fiets
    on
    op (bij tijd)
    sunny
    zonnig
    days
    dagen
    Uitgebreide uitleg

    I is het Engelse persoonlijk voornaamwoord voor de spreker. Het wordt altijd met een hoofdletter geschreven, ook midden in een zin. Voorbeeld: I work here. = Ik werk hier. ride betekent hier “fietsen”, omdat het in deze zin met bike wordt gecombineerd. Na I staat de basisvorm ride; bij he, she of it is de vorm in deze betekenis rides. De tegenwoordige tijd kan een gewoonte of herhaalde situatie uitdrukken. Voorbeeld: She rides to work. = Zij fietst naar haar werk. my betekent “mijn” en geeft bezit vanuit het perspectief van de spreker aan. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord en verandert niet voor enkelvoud of meervoud: my bike = “mijn fiets”, my bikes = “mijn fietsen”. Het aantal wordt door het zelfstandig naamwoord aangegeven, niet door my. bike betekent “fiets”. Het is een zelfstandig naamwoord; het meervoud is bikes. Voorbeeld: My bike is new. = Mijn fiets is nieuw. on wordt hier gebruikt voor een tijdsomstandigheid met dagen. Voorbeelden zijn on Monday = “op maandag” en on sunny days = “op zonnige dagen”. sunny betekent “zonnig” en beschrijft het weer. Als bijvoeglijk naamwoord blijft het in het Engels onveranderd vóór een enkelvoudig of meervoudig zelfstandig naamwoord: a sunny day, sunny days. days betekent “dagen” en is het meervoud van day, “dag”. De uitgang -s maakt hier het gewone meervoud: a day = “een dag”, days = “dagen”. Samen vormen I ride my bike en on sunny days de betekenis: “Ik fiets op zonnige dagen.” De eerste woordgroep noemt de activiteit van de spreker; de tweede geeft aan op welke soort dagen die gewoonte of terugkerende situatie plaatsvindt.

  5. What about rainy days?

    En op regenachtige dagen?

    What about
    En hoe zit het met …?
    rainy
    regenachtig
    days
    dagen
    Uitgebreide uitleg

    What about is een vaste manier om naar een ander onderwerp of een andere mogelijkheid te vragen: “En hoe zit het met …?” Het is hier geen gewone vraag naar wat iets is. Het patroon is What about + zelfstandig naamwoord?, bijvoorbeeld: “What about Mondays?” = “En hoe zit het met maandagen?” rainy betekent hier “regenachtig” en beschrijft days. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat van rain (“regen”) is afgeleid. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord: rainy days. Een vergelijkbare combinatie is sunny days = “zonnige dagen”. days is het meervoud van day (“dag”): day → days. Het meervoud verwijst hier algemeen naar dagen waarop het regent, niet naar één specifieke dag. Ter vergelijking: a rainy day = “een regenachtige dag”, terwijl rainy days = “regenachtige dagen”. Samen betekent What about rainy days?: “En op regenachtige dagen?” De vraag brengt regenachtige dagen als ander geval ter sprake, naast de eerder genoemde zonnige dagen. De volledige herbruikbare structuur is What about + [situatie of onderwerp]?.

  6. I take the bus when it rains.

    Ik neem de bus als het regent.

    take
    nemen
    bus
    bus
    when
    als; wanneer
    rains
    regent
    Uitgebreide uitleg

    take betekent hier “nemen” in de vaste vervoersuitdrukking take the bus: je gebruikt take voor het gebruiken van een bus als vervoermiddel. De basisvorm is take; bij he/she/it wordt dat in de tegenwoordige tijd takes. Voorbeeld: I take the train. = “Ik neem de trein.” bus is het zelfstandig naamwoord voor “bus”. In the bus verwijst the naar het bedoelde vervoermiddel; het lidwoord drukt op zichzelf geen aantal uit. Voorbeeld: The bus is late. = “De bus is laat.” when introduceert hier een voorwaarde die zich telkens kan voordoen: “als/wanneer”. De bijzin when it rains geeft aan onder welke weersomstandigheid de hoofdhandeling geldt. In een andere context kan when ook naar een specifiek tijdstip verwijzen, maar hier gaat het om regen als terugkerende situatie. Voorbeeld: I walk when it is warm. = “Ik loop als het warm is.” rains is de tegenwoordige tijd van het werkwoord rain (“regenen”). De uitgang -s staat hier omdat het onderwerp it is: it rains. Bij I, you, we en they blijft de vorm rain: They walk when it rains. = “Zij lopen als het regent.” It is hier het grammaticale onderwerp dat bij weeruitdrukkingen wordt gebruikt; het verwijst niet naar een in deze zin genoemde persoon. Samen vormen I take the bus en when it rains de betekenis: de spreker neemt de bus telkens op momenten dat het regent. De volledige zin betekent dus: “Ik neem de bus als het regent.”

Grammatica

It is + adjective

It is sunny.

it iz sunni.

Het is zonnig.

Bij het weer gebruikt Engels vaak it als onderwerp, ook al verwijst het niet naar iets specifieks.

It + verb-s

It rains.

it reinz.

Het regent.

In de derde persoon enkelvoud krijgt een werkwoord in de tegenwoordige tijd vaak -s: rain wordt rains.

Engels woordenschat

bike zelfstandig naamwoord
baik fiets

I ride my bike on sunny days.

bus zelfstandig naamwoord
bus bus

I take the bus when it rains.

days zelfstandig naamwoord
deiz dagen

I ride my bike on sunny days.

get werkwoord
get komen

How do you get here?

here bijwoord
hir hier

How do you get here?

live werkwoord
liv wonen

Where do you live?

nearby bijwoord
nir-bai vlakbij

I live nearby.

rains werkwoord
reinz regent

I take the bus when it rains.

rainy bijvoeglijk naamwoord
reini regenachtig

What about rainy days?

ride werkwoord
raid fietsen

I ride my bike on sunny days.

sunny bijvoeglijk naamwoord
sunni zonnig

I ride my bike on sunny days.

take werkwoord
teik nemen

I take the bus when it rains.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Waar woon je?

Antwoord tonenWhere do you live?

Ik woon vlakbij.

Antwoord tonenI live nearby.

Hoe kom je hier?

Antwoord tonenHow do you get here?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

dagen

Antwoord tonendays

zonnig

Antwoord tonensunny

wonen

Antwoord tonenlive

vlakbij

Antwoord tonennearby