De lespauze en het toilet vinden | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: During a language lesson break, two adults talk about the break and how to find the restroom..

NL → EN / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met De lespauze en het toilet vinden oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

How long is the break?

Hau long iz de breek? Hoe lang duurt de pauze?
B

The break is ten minutes long.

De breek iz ten minits long. De pauze duurt tien minuten.
A

Where is the restroom?

Wèr iz de restrum? Waar is het toilet?
B

Go out of the room and turn right.

Gou aut ov de roem en törn rait. Ga de kamer uit en ga rechtsaf.
A

I think I can find it.

Ai sink ai ken faind it. Ik denk dat ik het kan vinden.
B

I will wait here before class starts again.

Ai wil weeit hir bifoor klas starts uhgen. Ik wacht hier voordat de les weer begint.

Uitleg van de zinnen

  1. How long is the break?

    Hoe lang duurt de pauze?

    How long
    hoe lang
    is
    is
    break
    pauze
    Uitgebreide uitleg

    How long vraagt naar de duur van iets. In deze vraag betekent het samen met de rest: “hoe lang duurt het?”. Het is een bruikbaar vraagpatroon: How long is + zelfstandig naamwoord? Voorbeeld: How long is the film? — “Hoe lang duurt de film?” is is de tegenwoordige tijd van be bij een onderwerp in de derde persoon enkelvoud, zoals the break. Op zichzelf betekent dit woord hier “is”; samen met How long vormt het de constructie die in het Nederlands natuurlijk met duurt wordt vertaald. De woordvolgorde van de vraag is How long is ...?, niet de gewone mededelende volgorde ... is .... break betekent hier “pauze”. Het is een zelfstandig naamwoord; het meervoud is breaks. Voorbeeld: We have a short break. — “We hebben een korte pauze.” Samen vormen How long, is en the break de vraag How long is the break?: “Hoe lang duurt de pauze?” Je kunt hetzelfde patroon met een ander onderwerp gebruiken: How long is the meeting? — “Hoe lang duurt de vergadering?”

  2. The break is ten minutes long.

    De pauze duurt tien minuten.

    The break
    de pauze
    is
    is
    ten minutes
    tien minuten
    long
    lang
    Uitgebreide uitleg

    The break betekent hier “de pauze”. break is het zelfstandig naamwoord voor een onderbreking of rustperiode; het is niet het werkwoord “breken”. Het lidwoord the verwijst naar een specifieke pauze die in deze situatie bekend is. Voorbeeld: We have a short break. — “We hebben een korte pauze.” is is hier de vorm van be bij een onderwerp in het enkelvoud. In deze zin verbindt het de pauze met een beschrijving van haar duur. Voorbeeld: The lesson is short. — “De les is kort.” ten minutes noemt de duur. minute is het enkelvoud; na ten staat de meervoudsvorm minutes. Een getal boven één krijgt hier dus een meervoudig zelfstandig naamwoord: one minute, maar ten minutes. long betekent hier “lang” in de betekenis van een bepaalde tijdsduur. Het is een bijvoeglijk naamwoord en beschrijft de duur van de pauze. Voorbeeld: The meeting is thirty minutes long. — “De vergadering duurt dertig minuten.” Samen vormt The break is ten minutes long het patroon The [gebeurtenis of periode] is [duur] long: “De pauze duurt tien minuten.” De Engelse constructie met be ... long drukt uit hoe lang iets duurt; de Nederlandse vertaling gebruikt hiervoor natuurlijk het werkwoord duren.

  3. Where is the restroom?

    Waar is het toilet?

    Where is
    waar is …?
    restroom
    toilet
    Uitgebreide uitleg

    Where is vraagt naar de plaats van iets. Where betekent “waar” en staat hier aan het begin van de vraag; is is de tegenwoordige vorm van be bij een enkelvoudig onderwerp. Het patroon Where is + [iets] ? is bruikbaar voor vragen naar de locatie. Voorbeeld: Where is the station? — “Waar is het station?” restroom betekent hier “toilet”. Het is een zelfstandig naamwoord en een beleefde, vooral in het Amerikaans-Engels gebruikelijke benaming voor een toilet of toiletruimte. Voorbeeld: The restroom is upstairs. — “Het toilet is boven.” Samen vormen de delen de vraag Where is the restroom?: “Waar is het toilet?” De vraag zoekt de locatie van het toilet; ze zegt niet dat er een bepaald aantal toiletten is.

  4. Go out of the room and turn right.

    Ga de kamer uit en ga rechtsaf.

    Go out
    ga naar buiten; ga weg
    room
    kamer
    turn right
    ga rechtsaf; sla rechtsaf
    Uitgebreide uitleg

    Go out is hier een bevel: ga naar buiten of ga weg. Het werkwoord go heeft als basisvorm go; in een gebiedende zin staat het zonder onderwerp: Go! betekent “Ga!”. Met out krijgt het de betekenis van naar buiten gaan. Voorbeeld: Go out. — “Ga naar buiten.” room betekent hier “kamer”. Het is een telbaar zelfstandig naamwoord; de vorm room is enkelvoud en rooms is het meervoud. In out of the room geeft of aan waaruit iemand naar buiten gaat, en the verwijst naar een specifieke kamer die in de situatie herkenbaar is. Voorbeeld: The room is empty. — “De kamer is leeg.” turn right is opnieuw een bevel. turn betekent hier van richting veranderen of afslaan, en right geeft de richting aan: naar rechts. De basisvorm van het werkwoord is turn; in een bevel blijft die vorm onveranderd. Voorbeeld: Turn left at the door. — “Sla bij de deur linksaf.” left is hier de tegenovergestelde richting van right. Samen vormen Go out of the room en turn right twee opeenvolgende bevelen, verbonden door and: ga de kamer uit en sla daarna rechtsaf. De volledige uiting geeft dus een route-instructie: “Ga de kamer uit en ga rechtsaf.”

  5. I think I can find it.

    Ik denk dat ik het kan vinden.

    I
    ik
    think
    denken; menen
    can
    kunnen
    find
    vinden
    it
    het; dat
    Uitgebreide uitleg

    I is het persoonlijk voornaamwoord voor de spreker als onderwerp. Het verwijst hier naar de spreker; in andere zinnen kan dezelfde vorm bijvoorbeeld in I know of I agree staan. think betekent hier “denken” of “menen”: de spreker geeft een inschatting, geen zekerheid. De vorm is de tegenwoordige vorm bij I; in de derde persoon enkelvoud staat meestal thinks. Voorbeeld: I think she is ready. — “Ik denk dat ze klaar is.” can drukt hier vermogen of mogelijkheid uit: de spreker denkt dat het mogelijk is om iets te vinden. Na can staat het werkwoord in de basisvorm, dus can find, niet can finds of can to find. Voorbeeld: I can help. — “Ik kan helpen.” find betekent “vinden”. De vorm find is hier de basisvorm na het modale werkwoord can; vormen van hetzelfde werkwoord zijn finds, found en finding. Voorbeeld: They can find the key. — “Ze kunnen de sleutel vinden.” it is een persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp. Het verwijst hier naar iets dat de spreker wil vinden, maar de vaste zin specificeert niet wat dat precies is. De vorm blijft it als object; als onderwerp staat it ook in bijvoorbeeld It is here. Samen vormt I think de inschatting van de spreker. Binnen die inschatting betekent I can find it dat de spreker denkt dat hij of zij dat bedoelde, niet nader gespecificeerde, ding kan vinden. De hele zin betekent daarom: “Ik denk dat ik het kan vinden.”

  6. I will wait here before class starts again.

    Ik wacht hier voordat de les weer begint.

    I will
    ik zal
    wait
    wachten
    here
    hier
    before
    voordat
    class
    les
    starts
    begint
    again
    weer
    Uitgebreide uitleg

    I will drukt hier een toekomstige handeling uit: de spreker zal iets doen. will staat vóór de werkwoordsvorm: I will wait. In een ontkenning staat not erna: I will not wait = ‘Ik zal niet wachten’. wait betekent hier ‘wachten’. De basisvorm is wait; na will blijft die basisvorm staan: I will wait, niet een vorm met een uitgang. Een bruikbaar voorbeeld is I will wait for you = ‘Ik zal op je wachten’. here betekent ‘hier’ en geeft de plaats van het wachten aan. Het is een bijwoord; het verandert niet mee met de spreker of de plaats. before leidt hier een tijdsbepaling in: de handeling in de hoofdzin gebeurt vóór de gebeurtenis die erop volgt. Het patroon is before + een bijzin, zoals in before class starts = ‘voordat de les begint’. class betekent hier ‘les’. Het is een zelfstandig naamwoord. In een ander gebruik kan class ook een groep leerlingen of studenten aanduiden, maar in deze zin gaat het volgens de vertaling om de les. starts betekent hier ‘begint’. De basisvorm is start; starts is de tegenwoordige tijd bij een derde persoon enkelvoud, hier class: class starts. Vergelijk I start met class starts. Een voorbeeld is The film starts at eight = ‘De film begint om acht uur’. again betekent hier ‘weer’ of ‘opnieuw’. Het geeft aan dat het beginnen opnieuw plaatsvindt; het verandert niet mee met het onderwerp. Samen vormt I will wait here de hoofdzin: de spreker zal op deze plaats wachten. before class starts again zegt wanneer dat wachten aan de orde is: vóórdat de les opnieuw begint. De volledige betekenis is daarom: ‘Ik wacht hier voordat de les weer begint.’

Grammatica

before + subject + verb

Wait here before class starts.

Weeit hir bifoor klas starts.

Wacht hier voordat de les begint.

Na before volgt een volledige bijzin met onderwerp en werkwoord. Bij he/she/it krijgt het werkwoord vaak -s: starts.

Engels woordenschat

break zelfstandig naamwoord
breek pauze
find werkwoord
faind vinden
go out of uitdrukking
gou aut ov naar buiten gaan uit
here bijwoord
hir hier
long bijvoeglijk naamwoord
long lang
minute zelfstandig naamwoord
minit minuut minutes
restroom zelfstandig naamwoord
restrum toilet
room zelfstandig naamwoord
roem kamer
ten telwoord
ten tien
think werkwoord
sink denken
turn right uitdrukking
törn rait rechtsaf slaan
wait werkwoord
weeït wachten

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hoe lang duurt de pauze?

Antwoord tonenHow long is the break?

De pauze duurt tien minuten.

Antwoord tonenThe break is ten minutes long.

Waar is het toilet?

Antwoord tonenWhere is the restroom?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

minuut

Antwoord tonenminutes

lang

Antwoord tonenlong

denken

Antwoord tonenthink

kamer

Antwoord tonenroom