Beginnen met een korte zin | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a language lesson, two adults talk about starting with a short sentence and saying it clearly..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Beginnen met een korte zin oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

Simple words are easier for me.

Sim-puhl wurdz ar ie-zie-ur fur mie. Eenvoudige woorden zijn gemakkelijker voor mij.
B

We can start with a short sentence.

Wie kun start wid uh sjort sentens. We kunnen beginnen met een korte zin.
A

That helps me understand.

Det helps mie anderstend. Dat helpt me om het te begrijpen.
B

Read this line after me.

Ried dis lain after mie. Lees deze regel na mij.
A

I am ready to try.

Ai um redie te trai. Ik ben klaar om het te proberen.
B

Take your time and say it clearly.

Teek jor taim un seej it klierli. Neem je tijd en zeg het duidelijk.

Woord voor woord

Simple “Simple” betekent hier ‘eenvoudig’ en beschrijft “words”. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord, zoals in “Simple words”, en is bruikbaar wanneer je iets als niet ingewikkeld beschrijft. Je kunt “Simple” bijvoorbeeld gebruiken wanneer je uitlegt welk soort uitleg of taak je prettig vindt.
words “words” betekent hier ‘woorden’: de afzonderlijke taalelementen waarover A spreekt. Het staat in “Simple words” na een beschrijvend woord. Je gebruikt “words” wanneer je over taaluitingen of woordenschat praat.
are “are” verbindt hier “Simple words” met de beschrijving “easier”; het betekent ‘zijn’. Deze vorm hoort bij het onderwerp “Simple words” in “Simple words are easier for me”. Gebruik “are” ook om een meervoudig onderwerp met een beschrijving of toestand te verbinden.
easier “easier” betekent hier ‘gemakkelijker’ en vergelijkt eenvoudige woorden met iets dat minder gemakkelijk is. Het staat na “are” in “Simple words are easier”. Je gebruikt “easier” wanneer je zegt dat iets minder moeite kost dan iets anders.
for “for” geeft in “for me” aan voor wie de uitspraak geldt: voor A. Het staat vóór het voornaamwoord “me”. Gebruik “for” ook in patronen zoals “This is easy for me” wanneer je iemands ervaring of beoordeling noemt.
me “me” betekent hier ‘mij’ en verwijst naar de spreker in “for me”. Na het voorzetsel “for” gebruik je deze vorm. Je gebruikt “me” wanneer de spreker degene is voor wie iets geldt of aan wie iets wordt gedaan.
We “We” betekent hier ‘wij’ en verwijst naar de spreker en de andere persoon samen. Het staat aan het begin van “We can start with a short sentence” als onderwerp van de zin. Je gebruikt “We” wanneer je een gezamenlijke handeling of mogelijkheid beschrijft.
can “can” drukt hier uit dat “We” iets kunnen doen: beginnen met een korte zin. Het staat vóór “start”, zonder “to”. Gebruik “can” vóór een werkwoord om mogelijkheid of vermogen uit te drukken, zoals in “We can read”.
start “start” betekent hier ‘beginnen’ en benoemt de voorgestelde handeling. Na “can” staat de vorm “start” zonder “to”, zoals in “We can start”. Je gebruikt “start with” wanneer je aangeeft waarmee een activiteit begint.
with “with” betekent hier ‘met’ en leidt in “with a short sentence” het beginpunt of materiaal in. Het staat vóór “a short sentence”. Gebruik “with” in het patroon “start with ...” om aan te geven waarmee je begint.
a “a” betekent hier ‘een’ en introduceert één niet nader bepaalde zin in “a short sentence”. Het staat vóór “short sentence”. Je gebruikt “a” vóór een enkelvoudig, telbaar zelfstandig naamwoord wanneer het nog niet als een specifieke zaak is aangeduid.
short “short” betekent hier ‘kort’ en beschrijft “sentence”. Het staat vóór “sentence” in “a short sentence”. Je gebruikt “short” wanneer je de beperkte lengte of duur van iets beschrijft.
sentence “sentence” betekent hier ‘zin’: een taalkundige eenheid die de leerling gaat lezen en zeggen. Het staat na “short” in “a short sentence”. Je gebruikt “sentence” wanneer je naar een volledige zin in gesproken of geschreven taal verwijst.
That “That” betekent hier ‘dat’ en verwijst naar het eerder genoemde beginnen met een korte zin. Het staat aan het begin van “That helps me understand” als onderwerp. Je gebruikt “That” om naar een eerder genoemde handeling, uitspraak of situatie te verwijzen.
helps “helps” betekent hier ‘helpt’ en zegt dat iets het begrijpen gemakkelijker maakt voor de spreker. Het staat vóór “me understand” in “That helps me understand”. Je gebruikt “helps” in een patroon zoals “This helps me learn” om het effect van iets op jou te beschrijven.
understand “understand” betekent hier ‘begrijpen’ en benoemt wat de spreker dankzij dat hulpmiddel kan doen. In “helps me understand” staat het na “me” en volgt het direct op “helps”. Je gebruikt deze vorm ook in “helps me understand ...” wanneer iets iemand helpt om betekenis te vatten.
Read “Read” betekent hier ‘lees’ en is een directe opdracht aan de andere persoon. Het staat aan het begin van “Read this line after me”. Je gebruikt “Read” in een instructie wanneer je iemand vraagt geschreven woorden te lezen.
this “this” betekent hier ‘deze’ en wijst de specifieke regel aan die de ander moet lezen. Het staat vóór “line” in “this line”. Je gebruikt “this” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je naar iets concreets en aangewezen verwijst.
line “line” betekent hier ‘regel’ en verwijst naar de aangewezen tekstregel in de les. Het staat na “this” in “this line”. Je gebruikt “line” wanneer je naar één regel tekst in een boek, bericht of oefening verwijst.
after “after” betekent hier ‘na’ en geeft in “after me” de volgorde aan: de ander leest nadat de spreker heeft gelezen. Het staat vóór “me”. Je gebruikt “after” om aan te geven dat een handeling later komt dan een andere handeling of persoon.
I “I” betekent hier ‘ik’ en verwijst naar A, de persoon die klaar is om te proberen. Het staat vóór “am” in “I am ready to try” als onderwerp. Je gebruikt “I” wanneer je over jezelf spreekt.
am “am” betekent hier ‘ben’ en verbindt “I” met de toestand “ready”. Deze vorm staat in “I am ready to try” na het onderwerp “I”. Je gebruikt “am” met “I” om je toestand, identiteit of beschrijving uit te drukken.
ready “ready” betekent hier ‘klaar’ en beschrijft dat A bereid is om het te proberen. Het staat na “I am” en vóór “to try”. Je gebruikt “ready to ...” om te zeggen dat iemand voorbereid of bereid is om iets te doen.
to “to” markeert hier het werkwoord “try” in de constructie “ready to try”; samen geeft die constructie aan waarvoor iemand klaar is. Het staat direct vóór “try”. Je gebruikt “ready to + werkwoord” om een voorgenomen of mogelijke handeling te noemen.
try “try” betekent hier ‘proberen’ en benoemt de handeling waarvoor A klaar is. In “ready to try” volgt het op “to”. Je gebruikt “try to + werkwoord” wanneer iemand probeert een bepaalde handeling uit te voeren.
Take “Take” betekent hier ‘neem’ in de vaste aanmoediging “Take your time”: doe het rustig en zonder haast. Het staat aan het begin van een opdracht. Je gebruikt “Take your time” wanneer je iemand geruststelt en zegt dat die persoon niet hoeft te haasten.
your “your” betekent hier ‘jouw’ en verwijst naar de tijd van de aangesproken persoon in “your time”. Het staat vóór “time”. Je gebruikt “your” vóór een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat iets bij de aangesproken persoon hoort of bij die persoon hoort.
time “time” betekent hier ‘tijd’ in “Take your time”: de tijd die iemand nodig heeft om rustig te werken. Het staat na “your”. Je gebruikt “time” in “Take your time” wanneer je iemand toestemming geeft om niet te haasten.
and “and” betekent hier ‘en’ en verbindt twee opdrachten: “Take your time” en “say it clearly”. Het staat tussen beide handelingen. Je gebruikt “and” om gelijkwaardige woorden, zinsdelen of opdrachten met elkaar te verbinden.
say “say” betekent hier ‘zeg’ en is de tweede opdracht in “say it clearly”. Het staat vóór “it” en “clearly”. Je gebruikt “say” wanneer je iemand vraagt bepaalde woorden of een zin uit te spreken.
it “it” betekent hier ‘het’ en verwijst naar de zin of regel die de leerling moet uitspreken. Het staat na “say” in “say it clearly”. Je gebruikt “say it” wanneer al duidelijk is welke woorden of uitspraak bedoeld worden.
clearly “clearly” betekent hier ‘duidelijk’ en beschrijft hoe de leerling het moet zeggen. Het staat na “say it” in “say it clearly”. Je gebruikt “clearly” om aan te geven dat iemand iets verstaanbaar en begrijpelijk moet uitspreken of uitleggen.

Grammatica

Comparative adjective: easier

Short sentences are easier.

Sjort sentensiz ar iezieur.

Korte zinnen zijn gemakkelijker.

Bij korte bijvoeglijke naamwoorden voeg je vaak -er toe om de vergrotende trap te vormen: easy → easier.

Imperative: verb + object/adverb

Say it clearly.

Seej it klierli.

Zeg het duidelijk.

De gebiedende wijs gebruikt de werkwoordsvorm zonder onderwerp. Je geeft zo een opdracht of instructie.

Engels woordenschat

after voorzetsel
after na
easier bijvoeglijk naamwoord
iezieur gemakkelijker
helps werkwoord
helps helpt
line zelfstandig naamwoord
lain regel
read werkwoord
ried lezen

Lees deze regel na mij.

ready bijvoeglijk naamwoord
redie klaar
sentence zelfstandig naamwoord
sentens zin
short bijvoeglijk naamwoord
sjort kort
simple bijvoeglijk naamwoord
simpuhl eenvoudig
start werkwoord
start beginnen
understand werkwoord
anderstend begrijpen
words zelfstandig naamwoord
wurdz woorden

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Eenvoudige woorden zijn gemakkelijker voor mij.

Antwoord tonenSimple words are easier for me.

Dat helpt me om het te begrijpen.

Antwoord tonenThat helps me understand.

Lees deze regel na mij.

Antwoord tonenRead this line after me.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

lezen

Antwoord tonenread

beginnen

Antwoord tonenstart

zin

Antwoord tonensentence

eenvoudig

Antwoord tonensimple