Do
In “Do you want coffee?” opent “Do” de vraag. Het is hier een hulpwerkwoord voor een vraag met “you” en “want”. Een veelgebruikt patroon is “Do you ...?” wanneer je iemand iets vraagt.
you
“you” verwijst in “Do you want coffee?” naar de persoon aan wie A de vraag stelt. Het staat hier als degene die iets wil of niet wil. Je gebruikt “you” wanneer je rechtstreeks met iemand praat.
want
“want” betekent in “Do you want coffee?” dat iemand iets wil of graag zou willen. Het staat na “you” en vóór het object “coffee”. Je gebruikt het bijvoorbeeld om te vragen of iemand iets wil drinken.
coffee
“coffee” is in “Do you want coffee?” de drank die wordt aangeboden. Het staat als object na “want”. Je gebruikt “coffee” wanneer je over deze drank praat of haar aanbiedt.
Yes
“Yes” is in “Yes, please” een positief antwoord op de vraag over koffie. Het laat zien dat B de koffie aanneemt. Je gebruikt “Yes” om een bevestigend antwoord te geven.
please
“please” maakt “Yes, please” beleefd. Hier gebruikt B het om een aanbod vriendelijk aan te nemen. Je gebruikt “please” ook in een beleefd verzoek.
Just
“Just” betekent in “Just a small cup” hier “alleen” of “niet meer dan”. Het beperkt de gevraagde hoeveelheid tot een kleine kop. Het patroon “just + zelfstandig naamwoord” helpt om een beperkte keuze of hoeveelheid aan te geven.
a
“a” staat in “a small cup” vóór één niet nader bepaalde kop. Het maakt van “small cup” een volledige naamwoordgroep. Een bruikbaar patroon is “a + bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord”.
small
“small” beschrijft in “a small cup” de grootte van de kop: die is niet groot. Het staat vóór “cup”. Je gebruikt “small” om de beperkte grootte van iets aan te geven.
cup
“cup” is in “a small cup” het drinkvat waarin de koffie wordt gegeven. Het volgt op “a small”. Je gebruikt “cup” bijvoorbeeld wanneer je de gewenste hoeveelheid koffie specificeert.
Here
In “Here you are” gebruikt A “Here” om iets aan te wijzen dat A aan B geeft. Het draagt bij aan de betekenis “alsjeblieft, hier is het”. Je kunt het hele patroon “Here you are” gebruiken bij het overhandigen van iets.
are
“are” is in “Here you are” de vorm van “be” die samen met “you” wordt gebruikt. Binnen deze uitdrukking helpt het om de aangesproken persoon en het aangeboden voorwerp met elkaar te verbinden. Het patroon “Here you are” past bij het geven of aanreiken van iets.
It
“It” verwijst in “It smells nice” naar de koffie of naar het ding dat net is genoemd. Het staat als onderwerp van de zin. Je gebruikt “It” om verder te praten over iets dat al bekend is.
smells
“smells” betekent in “It smells nice” dat iets een aangename geur heeft. Het staat na “It” en vóór “nice”. Het patroon “something smells + bijvoeglijk naamwoord” gebruik je om een geur te beschrijven.
nice
“nice” betekent in “It smells nice” dat de geur prettig is. Het beschrijft hier hoe de koffie ruikt. Je gebruikt “nice” om iets positiefs of aangenaams te beoordelen.
need
“need” betekent in “Do you need sugar?” dat iemand suiker nodig heeft of erbij wil hebben. Het staat na “you” en vóór het object “sugar”. Je gebruikt het patroon “need + object” om te vragen wat iemand nodig heeft.
sugar
“sugar” is in “Do you need sugar?” het zoete ingrediënt dat A bij de koffie aanbiedt. Het staat als object na “need”. Je gebruikt “sugar” wanneer je over suiker in koffie of andere dranken praat.
No
“No” is in “No, just milk, please” een negatief antwoord op de vraag over suiker. B zegt daarmee dat B geen suiker wil en noemt daarna melk. Je gebruikt “No” om iets af te wijzen of te ontkennen.
milk
“milk” is in “No, just milk, please” de drank die B wel bij de koffie wil. Het staat na “just” als het gevraagde ingrediënt. Je gebruikt “milk” wanneer je melk als toevoeging aan een drank noemt.
Sorry
“Sorry” is in “Sorry, there is no milk” een beleefde verontschuldiging. A gebruikt het omdat de gevraagde melk niet beschikbaar is. Je gebruikt “Sorry” wanneer je betreurt dat je iets niet kunt geven of doen.
there
In “there is no milk” introduceert “there” het feit dat er geen melk beschikbaar is. Het verwijst hier niet naar een plaats. Het patroon “there is + zelfstandig naamwoord” gebruik je om het bestaan of de beschikbaarheid van iets te melden.
is
“is” is in “there is no milk” de vorm van “be” die bij “milk” past. Samen met “there” helpt het om de beschikbaarheid van melk te beschrijven. Het patroon “there is no + zelfstandig naamwoord” gebruik je om te zeggen dat iets ontbreekt.
That
“That” verwijst in “That is okay” naar de zojuist genoemde situatie, namelijk dat er geen melk is. Het maakt die hele situatie tot het onderwerp van de reactie. Je gebruikt “That” om naar een eerder genoemde zaak of situatie te verwijzen.
okay
“okay” betekent in “That is okay” dat de situatie acceptabel is en geen probleem vormt. B stelt A hiermee gerust over het ontbreken van melk. Je gebruikt “That is okay” om te zeggen dat iets in orde is.