Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Familie en huisdieren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.
Dialoog
Do you live with family?
Doe joe liv widh femmelie? Woon je met je familie?I live with my child.
Ai liv widh mai tsjaild. Ik woon met mijn kind.Is there a pet at home too?
Iz dher uh pet et hoom toe? Is er thuis ook een huisdier?We have a small dog.
Wie hev uh smol dog. We hebben een kleine hond.How do they get along?
Hau doe dhei get uh-long? Hoe kunnen ze met elkaar overweg?They play together every day.
Dhei plee tuh-gedher evrie dee. Ze spelen elke dag samen.Uitleg van de zinnen
Do you live with family?
Woon je met je familie?
- Do you
- vraagpatroon met je/jij
- live
- wonen
- with
- met
- family
- familie
Uitgebreide uitleg
Do you vormt hier samen het begin van een vraag in de tegenwoordige tijd. Do is het hulpwerkwoord en you is het onderwerp. Bij een gewone vraag staat het hulpwerkwoord vóór het onderwerp: Do you ...? Na do blijft het hoofdwerkwoord in de basisvorm. Voorbeeld: Do you work here? = “Werk je hier?” live betekent hier “wonen”. De basisvorm is live; na do gebruik je dus niet een vervoegde vorm. In een bevestigende zin zonder do krijgt het werkwoord bij he, she of it meestal -s: I live here, maar She lives here. Voorbeeld: Do you live alone? = “Woon je alleen?” with betekent “met” en verbindt de persoon die samenwoont met de genoemde personen. Het is een voorzetsel: live with someone betekent “met iemand wonen”. Voorbeeld: They live with their parents. = “Zij wonen bij hun ouders.” family betekent hier “familie”. Het is een zelfstandig naamwoord. In het Engels kan family afhankelijk van de context slaan op familieleden als groep of op het gezin; in deze zin geeft de vaste vertaling de bedoeling “je familie” aan. Voorbeeld: She lives with her family. = “Ze woont met haar familie.” Samen vormen de delen de vraag Do you live with family?: “Woon je met je familie?” De vraag gebruikt de tegenwoordige tijd en vraagt naar de woonsituatie van de aangesprokene; ze beweert niet zelf dat die persoon met familie woont.
I live with my child.
Ik woon met mijn kind.
- I
- ik
- live
- woon
- with
- met
- my
- mijn
- child
- kind
Uitgebreide uitleg
I verwijst hier naar de spreker en is de eerste persoon enkelvoud. Het onderwerp bepaalt de vorm live in de tegenwoordige tijd: I live. Vergelijk: I live here. — Ik woon hier. live is hier de tegenwoordige vorm van het werkwoord live, met de betekenis ‘wonen’. Bij he, she en it krijgt dit werkwoord in de tegenwoordige tijd meestal -s: she lives, maar bij I, you, we en they blijft de vorm live. with verbindt de spreker met de persoon die hem of haar vergezelt of met wie de spreker samenwoont. Het patroon live with + persoon is herbruikbaar: They live with their parents. — Ze wonen bij hun ouders. my is een bezittelijk woord bij de eerste persoon enkelvoud. Het geeft aan dat het daaropvolgende zelfstandig naamwoord bij de spreker hoort of met de spreker verbonden is. My blijft in het Engels dezelfde vorm voor enkelvoud en meervoud: my child en my children. child is het zelfstandig naamwoord voor een kind. Het is enkelvoud; het meervoud is children, niet childs. Voorbeeld: The child lives here. — Het kind woont hier. Samen vormen de delen I + live + with + my child de mededeling dat de spreker samenwoont met diens kind: I live with my child. — Ik woon met mijn kind.
Is there a pet at home too?
Is er thuis ook een huisdier?
- Is there
- is er
- a pet
- een huisdier
- at home
- thuis
- too
- ook
Uitgebreide uitleg
Is there vormt hier een vraag naar het bestaan of aanwezig zijn van iets op een bepaalde plaats. In een Engelse existentiële vraag staat there als grammaticaal onderwerp vóór de plaats of context, terwijl is vóór there komt door de vraagvolgorde. Het werkwoord is is de vorm van be voor een enkelvoudig onderwerp; het daaropvolgende a pet bepaalt hier die enkelvoudsvorm. Vergelijk: Are there pets at home? = “Zijn er huisdieren thuis?” a pet betekent hier “een huisdier”. Pet is een zelfstandig naamwoord voor een dier dat als gezelschapsdier wordt gehouden. A markeert een niet nader bepaald enkelvoudig zelfstandig naamwoord; in deze zin stelt het niet op zichzelf een expliciete telhandeling voor. Het meervoud is pets: We have a pet. = “We hebben een huisdier.” at home geeft de plaats aan: “thuis”. At wordt vaak gebruikt voor een plaats of situatie die als locatie wordt voorgesteld, en home betekent hier de woning of de plek waar iemand woont. In I work at home. betekent at home “thuis”. too betekent hier “ook” en voegt deze mogelijkheid toe aan iets dat al in de context aanwezig is. Het staat in deze zin aan het einde. Too kan ook in andere zinnen “te” betekenen, maar die betekenis past hier niet: This bag is too heavy. = “Deze tas is te zwaar.” Samen vormen de delen de herbruikbare vraagpatroon Is there + een enkelvoudig ding + plaats + too? De zin vraagt dus of er, naast wat al ter sprake is, ook een huisdier thuis aanwezig is: “Is er thuis ook een huisdier?”
We have a small dog.
We hebben een kleine hond.
- We
- wij
- have
- hebben
- small
- klein
- dog
- hond
Uitgebreide uitleg
We betekent hier ‘wij’: de spreker verwijst naar zichzelf samen met minstens één andere persoon. Het is de onderwerpsvorm; vergelijk we met us, dat je gebruikt als die groep het voorwerp is. Voorbeeld: We see the dog. — ‘Wij zien de hond.’ have is hier de tegenwoordige tijd van have bij we; het betekent ‘hebben’ en drukt bezit of een relatie uit. In de derde persoon enkelvoud wordt de vorm has: They have a dog, maar She has a dog. In deze zin geeft have niet op zichzelf een exact aantal honden aan. small betekent hier ‘klein’ en beschrijft dog. De gewone vorm is small; een vergelijking gebruikt smaller (‘kleiner’) en de overtreffende trap the smallest (‘de kleinste’). Voorbeeld: The dog is smaller. — ‘De hond is kleiner.’ dog betekent ‘hond’. Het is een telbaar zelfstandig naamwoord. Voor één niet nader bepaalde hond staat vaak a dog; voor meerdere honden staat dogs. Hier staat echter a small dog als geheel: a markeert een enkelvoudig, niet nader bepaald zelfstandig naamwoord, terwijl small het type of de eigenschap van de hond beschrijft. Samen vormen We have het patroon voor ‘Wij hebben ...’. Daarna komt de naamwoordgroep a small dog: eerst het onbepaalde lidwoord, dan de beschrijving small, en vervolgens het zelfstandig naamwoord dog. De volledige betekenis is daarom: ‘Wij hebben een kleine hond.’
How do they get along?
Hoe kunnen ze met elkaar overweg?
- How
- hoe
- they
- ze
- get along
- met elkaar overweg kunnen
Uitgebreide uitleg
How staat hier aan het begin als vraagwoord naar de manier waarop iets gebeurt: “hoe?”. Het vraagt dus naar de manier of kwaliteit van de onderlinge verhouding, niet naar een persoon of een plaats. Vergelijk: “How do they work?” = “Hoe werken ze?” they is het Engelse persoonlijk voornaamwoord voor een meervoudig onderwerp. Het kan ook voor één persoon worden gebruikt wanneer het geslacht niet genoemd of niet relevant is, maar in deze zin wordt geen specifieke referent door het woord zelf vastgelegd. Na they gebruikt het Engels in de tegenwoordige tijd de basisvorm van het werkwoord: they get, niet they gets. get along is een vaste werkwoordelijke uitdrukking met de betekenis “goed met elkaar kunnen opschieten” of, algemener, “met elkaar overweg kunnen”. De vorm get is hier de basisvorm omdat de vraag met het hulpwerkwoord do wordt gevormd: do they get ...? In een gewone bevestigende zin staat bijvoorbeeld: “They get along well.” = “Ze kunnen goed met elkaar overweg.” Met een genoemde andere persoon kan ook get along with someone worden gebruikt: “I get along with my colleague.” = “Ik kan goed met mijn collega overweg.” De vraagstructuur is How + do + onderwerp + basiswerkwoord ...? Do draagt hier de vraagvorm en de tegenwoordige tijd; get blijft daarom onveranderd. Samen vraagt How do they get along? hoe de betrokkenen met elkaar overweg kunnen. Dat levert de vaste vertaalbetekenis op: “Hoe kunnen ze met elkaar overweg?”
They play together every day.
Ze spelen elke dag samen.
- They
- ze
- play
- spelen
- together
- samen
- every day
- elke dag
Uitgebreide uitleg
They betekent hier “ze”. Het voornaamwoord verwijst naar de speler of spelers die in de context bedoeld zijn; deze zin specificeert niet of het om één persoon of meerdere personen gaat. De vorm maakt geen onderscheid naar mannelijk of vrouwelijk. Voorbeeld: They play together. = “Ze spelen samen.” In de verleden tijd blijft het onderwerp hetzelfde: They played together. = “Ze speelden samen.” play betekent hier “spelen”. De basisvorm is play; bij they blijft die vorm in de tegenwoordige tijd onveranderd. Voorbeeld: They play every day. = “Ze spelen elke dag.” Bij he, she of it krijgt de tegenwoordige tijd meestal plays: She plays every day. = “Ze speelt elke dag.” De vorm play kan afhankelijk van de context ook andere betekenissen hebben, maar hier gaat het om spelen. together betekent “samen”: de betrokkenen voeren de handeling gezamenlijk uit. Het is een bijwoord en verandert hier niet mee met het onderwerp. Voorbeeld: We work together. = “We werken samen.” every day betekent “elke dag” en geeft aan dat de handeling op iedere dag plaatsvindt. Every verwijst hier naar een reeks afzonderlijke dagen; het is iets anders dan all day, dat “de hele dag” betekent. Voorbeeld: They study every day. = “Ze studeren elke dag.” Samen vormen de delen: They + play = “ze spelen”, together voegt “samen” toe, en every day zegt dat dit dagelijks gebeurt. De volledige betekenis is daarom: “Ze spelen elke dag samen.”
Grammatica
have + a/an + adjective + singular noun
I have a small dog.
Ai hev uh smol dog.Ik heb een kleine hond.
In het Engels staat het lidwoord a vóór het bijvoeglijk naamwoord: a small dog.
get along
My child and my dog get along.
Mai tsjaild end mai dog get uh-long.Mijn kind en mijn hond kunnen goed met elkaar overweg.
Get along is een vaste uitdrukking voor goed met iemand kunnen opschieten.
Engels woordenschat
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Woon je met je familie?
Antwoord tonen
Do you live with family?Ik woon met mijn kind.
Antwoord tonen
I live with my child.We hebben een kleine hond.
Antwoord tonen
We have a small dog.Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
hebben
Antwoord tonen
havewonen
Antwoord tonen
liveklein
Antwoord tonen
smallthuis