Boodschappen voor het ontbijt | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a grocery shop, two adults decide which breakfast items to buy for tomorrow..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Boodschappen voor het ontbijt oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

What should we buy today?

wot sjəd wie bai tə-dee? Wat zullen we vandaag kopen?
B

We need things for tomorrow's breakfast.

wie niid thingz fər tə-morouz brekfəst. We hebben dingen nodig voor het ontbijt van morgen.
A

Then we need bread and butter.

dhen wie niid bred ən batter. Dan hebben we brood en boter nodig.
B

Do we need yogurt too?

doe wie niid jogərt toe? Hebben we ook yoghurt nodig?
A

I want to eat it with strawberry jam.

ai wont tə iet it widh stroberi djem. Ik wil het met aardbeienjam eten.
B

Then let's get yogurt and jam.

dhen lets get jogərt ən djem. Dan nemen we yoghurt en jam.

Woord voor woord

What In “What should we buy today?”, vraagt “What” welke zaak of zaken de twee personen moeten kopen. Het staat aan het begin van een vraag en kan voor een zelfstandig naamwoord staan, zoals in “What should we buy?”. Gebruik het bijvoorbeeld wanneer je samen een keuze maakt.
should In “What should we buy today?”, gebruikt “should” een vraag om advies of een geschikte keuze te vragen. Na “should” staat de basisvorm “buy”. Je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld wanneer je vraagt wat iemand volgens hem of haar moet doen.
we “We” verwijst hier naar de spreker en minstens één andere persoon samen. Het is de persoon of groep die in “should we buy” de actie uitvoert. Gebruik “we” wanneer jij jezelf samen met anderen bedoelt.
buy In “What should we buy today?”, betekent “buy” iets aanschaffen door ervoor te betalen. Na “should” blijft het de basisvorm “buy”. Een veelgebruikt patroon is “buy” gevolgd door het gekochte voorwerp.
today “Today” betekent de dag waarop de spreker is. In “What should we buy today?” geeft het aan wanneer de boodschappen worden gekocht. Je gebruikt het om naar de huidige dag te verwijzen.
need In “We need things for tomorrow's breakfast”, betekent “need” dat iets noodzakelijk of gewenst is. Hier staat het voor het zelfstandig naamwoord “things”. Een bruikbaar patroon is “need” gevolgd door wat je nodig hebt, zoals in “need things”.
things “Things” betekent hier verschillende artikelen of boodschappen die nodig zijn voor het ontbijt. De vorm is meervoud en verwijst niet naar één specifiek artikel. Je kunt “things for” gebruiken om aan te geven waarvoor de artikelen dienen.
for In “things for tomorrow's breakfast” verbindt “for” de boodschappen met hun doel: ze zijn bedoeld voor het ontbijt van morgen. Hier staat “for” voor een zelfstandig naamwoord. Gebruik het bijvoorbeeld in een patroon als “things for” gevolgd door een activiteit of gelegenheid.
tomorrow's In “tomorrow's breakfast” geeft “tomorrow's” aan dat het ontbijt bij morgen hoort. De apostrof-s maakt de relatie tussen “tomorrow” en “breakfast” duidelijk. Een bruikbaar patroon is “tomorrow's” gevolgd door wat er morgen plaatsvindt of nodig is.
breakfast “Breakfast” betekent de eerste maaltijd van de dag. In “tomorrow's breakfast” gaat het om de maaltijd die morgen wordt gegeten. Je gebruikt het als naam voor deze maaltijd, bijvoorbeeld wanneer je bespreekt wat je ervoor moet kopen.
Then “Then” verbindt hier de vorige informatie met een volgende beslissing of actie. In “Then we need bread and butter” is het gevolg dat brood en boter nodig zijn; in “Then let's get yogurt and jam” leidt het naar een gezamenlijke keuze. Je kunt “Then” aan het begin van een zin gebruiken om zo'n gevolg of volgende stap aan te geven.
bread “Bread” betekent brood en is in deze dialoog een van de boodschappen voor het ontbijt. Het staat samen met “butter” in een opsomming. Je kunt “bread” gebruiken als zelfstandig naamwoord voor dit voedingsmiddel.
and “And” verbindt hier twee boodschappen in een opsomming: “bread and butter” en “yogurt and jam”. Het laat zien dat beide genoemde items erbij horen. Gebruik “and” om woorden of zaken samen te noemen.
butter “Butter” betekent boter en is hier een tweede ontbijtartikel naast brood. Het staat na “and” in de combinatie “bread and butter”. Je gebruikt “butter” als zelfstandig naamwoord voor dit smeerbare zuivelproduct.
Do Aan het begin van “Do we need yogurt too?” maakt “Do” een vraag met “we need”. Hier betekent het niet ‘doen’; het helpt om van de mededeling “we need” een vraag te maken. Gebruik dit patroon voor een vraag over wat iemand nodig heeft.
yogurt “Yogurt” betekent yoghurt en is hier een mogelijk extra ontbijtartikel. In “Do we need yogurt too?” wordt gevraagd of het naast de andere boodschappen nodig is; later wordt het gekozen in “yogurt and jam”. Je gebruikt “yogurt” als zelfstandig naamwoord voor dit voedingsmiddel.
too Aan het einde van “Do we need yogurt too?” betekent “too” ‘ook’. Het voegt yoghurt toe aan de andere dingen die mogelijk nodig zijn. “Too” staat in dit soort korte mededelingen of vragen vaak aan het einde.
I “I” verwijst naar de persoon die spreekt. In “I want to eat it with strawberry jam” is die persoon degene die iets wil eten. “I” is in het Engels altijd met een hoofdletter geschreven.
want In “I want to eat it with strawberry jam” geeft “want” een wens of bedoeling van de spreker aan. Het wordt hier gevolgd door “to eat”, dus door de handeling die de spreker wil uitvoeren. Een bruikbaar patroon is “want to” gevolgd door een werkwoord.
to In “want to eat” verbindt “to” de wens met de handeling “eat”. Hier markeert het de actie die de spreker wil uitvoeren en betekent het niet een richting. Gebruik het patroon “want to” gevolgd door de basisvorm van een werkwoord.
eat “Eat” betekent voedsel in de mond nemen en doorslikken. In “I want to eat it with strawberry jam” is het de handeling die de spreker wil uitvoeren. Na “to” staat de basisvorm “eat”; je kunt ook “eat” met een voorwerp gebruiken.
it “It” verwijst hier naar een eerder genoemd voedingsmiddel dat de spreker wil eten. Het woord maakt het niet nodig om dat voedingsmiddel opnieuw te noemen. Je gebruikt “it” voor één eerder genoemd ding wanneer duidelijk is waarnaar je verwijst.
with In “eat it with strawberry jam” geeft “with” aan waarmee het eten wordt gecombineerd: met aardbeienjam. Hier staat het voor een combinatie van voedingsmiddelen, niet voor een persoon. Een bruikbaar patroon is “eat” gevolgd door een voorwerp en “with” plus het begeleidende voedsel.
strawberry In “strawberry jam” specificeert “strawberry” welk soort jam wordt bedoeld: jam met aardbeiensmaak of aardbeien als belangrijk ingrediënt. Het staat direct voor “jam” en vormt daarmee één voedseluitdrukking. Je kunt “strawberry” op dezelfde manier voor een ander voedingsmiddel zetten wanneer je de aardbeiensoort benoemt.
jam “Jam” betekent zoete vruchtenpasta die op brood kan worden gesmeerd. In “strawberry jam” wordt het soort jam gespecificeerd; in “yogurt and jam” kan “jam” daarna zelfstandig worden genoemd. Je gebruikt “jam” bijvoorbeeld bij het bespreken van broodbeleg.
let's In “Then let's get yogurt and jam” stelt “let's” voor om iets samen te doen. Het is hier de verkorte vorm van “let us” in een voorstel. Je gebruikt “let's” om een gezamenlijke volgende stap voor te stellen, gevolgd door een werkwoord.
get In “let's get yogurt and jam” betekent “get” yoghurt en jam halen of kopen. Het gaat hier niet om verplaatsing, maar om het verkrijgen van de genoemde boodschappen. Na “let's” staat de basisvorm “get”, die direct gevolgd wordt door de gekochte items.

Grammatica

tomorrow's + noun

tomorrow's breakfast

tə-morouz brekfəst

het ontbijt van morgen

In het Engels toont 's bezit of een relatie aan: tomorrow's breakfast betekent het ontbijt van morgen.

Let's + verb

Let's get bread.

lets get bred

Laten we brood halen.

'Let's' is een verkorte vorm van 'let us' en wordt gebruikt om samen iets voor te stellen.

Engels woordenschat

bread zelfstandig naamwoord
bred brood
breakfast zelfstandig naamwoord
brekfəst ontbijt
butter zelfstandig naamwoord
batter boter
buy werkwoord
bai kopen
need werkwoord
niid nodig hebben
then bijwoord
dhen dan
things zelfstandig naamwoord
thingz dingen
today bijwoord
tə-dee vandaag
tomorrow's bepaler
tə-morouz van morgen
too bijwoord
toe ook
want werkwoord
wont willen
yogurt zelfstandig naamwoord
jogərt yoghurt

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat zullen we vandaag kopen?

Antwoord tonenWhat should we buy today?

We hebben dingen nodig voor het ontbijt van morgen.

Antwoord tonenWe need things for tomorrow's breakfast.

Dan hebben we brood en boter nodig.

Antwoord tonenThen we need bread and butter.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

dan

Antwoord tonenthen

boter

Antwoord tonenbutter

nodig hebben

Antwoord tonenneed

vandaag

Antwoord tonentoday