What
In “What should we buy today?”, vraagt “What” welke zaak of zaken de twee personen moeten kopen. Het staat aan het begin van een vraag en kan voor een zelfstandig naamwoord staan, zoals in “What should we buy?”. Gebruik het bijvoorbeeld wanneer je samen een keuze maakt.
should
In “What should we buy today?”, gebruikt “should” een vraag om advies of een geschikte keuze te vragen. Na “should” staat de basisvorm “buy”. Je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld wanneer je vraagt wat iemand volgens hem of haar moet doen.
we
“We” verwijst hier naar de spreker en minstens één andere persoon samen. Het is de persoon of groep die in “should we buy” de actie uitvoert. Gebruik “we” wanneer jij jezelf samen met anderen bedoelt.
buy
In “What should we buy today?”, betekent “buy” iets aanschaffen door ervoor te betalen. Na “should” blijft het de basisvorm “buy”. Een veelgebruikt patroon is “buy” gevolgd door het gekochte voorwerp.
today
“Today” betekent de dag waarop de spreker is. In “What should we buy today?” geeft het aan wanneer de boodschappen worden gekocht. Je gebruikt het om naar de huidige dag te verwijzen.
need
In “We need things for tomorrow's breakfast”, betekent “need” dat iets noodzakelijk of gewenst is. Hier staat het voor het zelfstandig naamwoord “things”. Een bruikbaar patroon is “need” gevolgd door wat je nodig hebt, zoals in “need things”.
things
“Things” betekent hier verschillende artikelen of boodschappen die nodig zijn voor het ontbijt. De vorm is meervoud en verwijst niet naar één specifiek artikel. Je kunt “things for” gebruiken om aan te geven waarvoor de artikelen dienen.
for
In “things for tomorrow's breakfast” verbindt “for” de boodschappen met hun doel: ze zijn bedoeld voor het ontbijt van morgen. Hier staat “for” voor een zelfstandig naamwoord. Gebruik het bijvoorbeeld in een patroon als “things for” gevolgd door een activiteit of gelegenheid.
tomorrow's
In “tomorrow's breakfast” geeft “tomorrow's” aan dat het ontbijt bij morgen hoort. De apostrof-s maakt de relatie tussen “tomorrow” en “breakfast” duidelijk. Een bruikbaar patroon is “tomorrow's” gevolgd door wat er morgen plaatsvindt of nodig is.
breakfast
“Breakfast” betekent de eerste maaltijd van de dag. In “tomorrow's breakfast” gaat het om de maaltijd die morgen wordt gegeten. Je gebruikt het als naam voor deze maaltijd, bijvoorbeeld wanneer je bespreekt wat je ervoor moet kopen.
Then
“Then” verbindt hier de vorige informatie met een volgende beslissing of actie. In “Then we need bread and butter” is het gevolg dat brood en boter nodig zijn; in “Then let's get yogurt and jam” leidt het naar een gezamenlijke keuze. Je kunt “Then” aan het begin van een zin gebruiken om zo'n gevolg of volgende stap aan te geven.
bread
“Bread” betekent brood en is in deze dialoog een van de boodschappen voor het ontbijt. Het staat samen met “butter” in een opsomming. Je kunt “bread” gebruiken als zelfstandig naamwoord voor dit voedingsmiddel.
and
“And” verbindt hier twee boodschappen in een opsomming: “bread and butter” en “yogurt and jam”. Het laat zien dat beide genoemde items erbij horen. Gebruik “and” om woorden of zaken samen te noemen.
butter
“Butter” betekent boter en is hier een tweede ontbijtartikel naast brood. Het staat na “and” in de combinatie “bread and butter”. Je gebruikt “butter” als zelfstandig naamwoord voor dit smeerbare zuivelproduct.
Do
Aan het begin van “Do we need yogurt too?” maakt “Do” een vraag met “we need”. Hier betekent het niet ‘doen’; het helpt om van de mededeling “we need” een vraag te maken. Gebruik dit patroon voor een vraag over wat iemand nodig heeft.
yogurt
“Yogurt” betekent yoghurt en is hier een mogelijk extra ontbijtartikel. In “Do we need yogurt too?” wordt gevraagd of het naast de andere boodschappen nodig is; later wordt het gekozen in “yogurt and jam”. Je gebruikt “yogurt” als zelfstandig naamwoord voor dit voedingsmiddel.
too
Aan het einde van “Do we need yogurt too?” betekent “too” ‘ook’. Het voegt yoghurt toe aan de andere dingen die mogelijk nodig zijn. “Too” staat in dit soort korte mededelingen of vragen vaak aan het einde.
I
“I” verwijst naar de persoon die spreekt. In “I want to eat it with strawberry jam” is die persoon degene die iets wil eten. “I” is in het Engels altijd met een hoofdletter geschreven.
want
In “I want to eat it with strawberry jam” geeft “want” een wens of bedoeling van de spreker aan. Het wordt hier gevolgd door “to eat”, dus door de handeling die de spreker wil uitvoeren. Een bruikbaar patroon is “want to” gevolgd door een werkwoord.
to
In “want to eat” verbindt “to” de wens met de handeling “eat”. Hier markeert het de actie die de spreker wil uitvoeren en betekent het niet een richting. Gebruik het patroon “want to” gevolgd door de basisvorm van een werkwoord.
eat
“Eat” betekent voedsel in de mond nemen en doorslikken. In “I want to eat it with strawberry jam” is het de handeling die de spreker wil uitvoeren. Na “to” staat de basisvorm “eat”; je kunt ook “eat” met een voorwerp gebruiken.
it
“It” verwijst hier naar een eerder genoemd voedingsmiddel dat de spreker wil eten. Het woord maakt het niet nodig om dat voedingsmiddel opnieuw te noemen. Je gebruikt “it” voor één eerder genoemd ding wanneer duidelijk is waarnaar je verwijst.
with
In “eat it with strawberry jam” geeft “with” aan waarmee het eten wordt gecombineerd: met aardbeienjam. Hier staat het voor een combinatie van voedingsmiddelen, niet voor een persoon. Een bruikbaar patroon is “eat” gevolgd door een voorwerp en “with” plus het begeleidende voedsel.
strawberry
In “strawberry jam” specificeert “strawberry” welk soort jam wordt bedoeld: jam met aardbeiensmaak of aardbeien als belangrijk ingrediënt. Het staat direct voor “jam” en vormt daarmee één voedseluitdrukking. Je kunt “strawberry” op dezelfde manier voor een ander voedingsmiddel zetten wanneer je de aardbeiensoort benoemt.
jam
“Jam” betekent zoete vruchtenpasta die op brood kan worden gesmeerd. In “strawberry jam” wordt het soort jam gespecificeerd; in “yogurt and jam” kan “jam” daarna zelfstandig worden genoemd. Je gebruikt “jam” bijvoorbeeld bij het bespreken van broodbeleg.
let's
In “Then let's get yogurt and jam” stelt “let's” voor om iets samen te doen. Het is hier de verkorte vorm van “let us” in een voorstel. Je gebruikt “let's” om een gezamenlijke volgende stap voor te stellen, gevolgd door een werkwoord.
get
In “let's get yogurt and jam” betekent “get” yoghurt en jam halen of kopen. Het gaat hier niet om verplaatsing, maar om het verkrijgen van de genoemde boodschappen. Na “let's” staat de basisvorm “get”, die direct gevolgd wordt door de gekochte items.